193999_4f1e82048827470b03314c78534514a9.png

“En vervolgens zegt-ie tegen me: ‘Ik hoor wat je zegt, Bas'” Mijn vriend is inmiddels rood aangelopen van verontwaardiging.
“Ok. En toen?”, vraag ik belangstellend.
“Nou, toen niks! Toen kwam er gewoon niks meer!”

Mijn vriend deelde dit verhaal meermaals met me, telkens in opperste frustratie. En niet geheel onterecht. Regelmatig zocht hij zijn toenmalig chef op om ergens zijn beklag over te doen of om een voorstel voor het een of ander in te dienen. Als hij was uitgesproken sprak zijn chef de legendarische woorden: “Ik hoor wat je zegt, Bas.” Punt. Klaar. Einde gesprek.
Ik stelde me zo voor dat de woorden uitgesproken werden met een zekere nonchalance of juist op geveinsd begripvolle toon. Misschien wel vergezeld van een glimlach en een kort knikje. En weet je, hoe lullig ik het ook vond voor mijn vriend, hoezeer ik me ook realiseerde hoe chef-onwaardig en respectloos deze manier van omgaan met je medewerkers is; ergens vond ik het óók een prachtig zinnetje en een mooi staaltje communicatie. Powerplay a la Frank Underwood.

Altijd was ik vastbesloten om de zin minimaal één keer in mijn leven te gebruiken

Ik hoor wat je zegt. Ik ben het nooit vergeten. En altijd was ik vastbesloten om de zin minimaal één keer in mijn leven te gebruiken. Op een juist en gepast moment. Punt is natuurlijk, je moet er een beetje een botte, ongeïnteresseerde lul voor zijn en ik ben allesbehalve. Het duurde dus lang voordat het moment zich aandiende.

Het was mijn allerlaatste dag in dienst bij mijn werkgever. Alweer jaren geleden. Ik had mijn baan opgezegd, de opzegtermijn zat er eindelijk op en ik was mijn bureau leeg aan het ruimen. Ik voelde me opperbest, klaar voor mijn leven als freelancer dat over enkele uurtjes van start zou gaan. Toegegeven, ik had de kantjes er die laatste weken een beetje vanaf gelopen. Het nodige gedaan, dingen die me verveelden zoveel mogelijk laten liggen.
Op de gang word ik aangesproken door collega P. Net degene die een beetje de dupe is geweest van mijn opperbeste state of mind van de afgelopen tijd. Een vermoeiende, wat hautaine en (te) veeleisende collega die denkt alle wijsheid in pacht te hebben en met wie ik absoluut niet op een lijn zit. Ik ben ‘m gaan mijden.
“Karin, goed dat ik je tref – ik wil iets aan je kwijt”, begint P. het gesprek.
Ik zet de doos met kantoorartikelen op de grond en wacht af, nieuwsgierig naar wat hij te zeggen heeft. Al kan ik het wel raden. Vorig kwartaal hebben we veel samengewerkt en het afgelopen kwartaal deden we dat weer. Echter heb ik nu elk werkoverleg weten te minimaliseren tot hoognodig mailcontact of een kort gesprekje op de gang. Laten we het maar op zelfbescherming houden.

Ik sta al met één been op Bonaire, vanavond heb ik een afscheidsfeestje in de kroeg en het laatste waar ik zin in heb is een discussie over onze samenwerking

Ik blijk het bij het rechte eind te hebben. Een stortvloed aan opmerkingen wordt op me afgevuurd. Sommige terecht, andere geheel uit de lucht gegrepen.
“Dus Karin, waar het op neerkomt…”, eindigt P. zijn relaas, “…is dat ik erg teleurgesteld ben in onze samenwerking van de afgelopen weken en dat ik het heel erg jammer vind dat je je niet open hebt gesteld voor een evaluatie.”
Hij kijkt me afwachtend aan. Nu ben ik aan zet.
Ik hoor wat-ie zegt. Ik hoor écht wat-ie zegt. En voor een deel heeft-ie gelijk, al zou het hem sieren ook een blik op zichzelf te werpen of gewoon zijn verlies te nemen in plaats van hier en op dit moment nog even zijn gram te willen halen. Zijn frustratie te willen uiten. Echter, ik kan er niks mee. Ik wíl er niks mee. Ik sta al met één been op Bonaire, vanavond heb ik een afscheidsfeestje in de kroeg en het laatste waar ik zin in heb is een discussie over onze samenwerking.
En dan besef ik het. Dít is het moment. Zonder er echt bij na te denken rollen de woorden uit mijn mond.

“Ik hoor wat je zegt, P.”

Ik zeg het op geveinsd begripvolle toon en doe er een vriendelijk knikje bij. P. kijkt me afwachtend aan. Net als mijn vriend verwacht hij een vervolg, maar die blijft uit. In plaats daarvan kijk ik hem geduldig en vriendelijk aan. Neem hem zijn wapen uit handen.

“Ehm. Nou ok…”, zegt P. uiteindelijk. (…) “Dat wilde ik nog zeggen. Dus.” Hij lijkt een beetje verward.
Ik knik nogmaals vriendelijk en til de doos van de grond. “Tot vanavond dan maar!”

Vooruit, aardig was het niet. Lekker voelde het wel!

frank-underwood-kevin-spacey.png

Advertenties

One comment

Reageren?

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s