0

De deur (van de reiziger) staat altijd open!

IMG_5724

Melanie Rooze (28) uit Beukbergen
Nagelstyliste
Samen met Tomasz, moeder van dochter Delaya (7) 

Het moeilijkste om uit te leggen aan burgermensen… “Is dat wij vaak niet getrouwd zijn met onze partner, maar elkaar wel man en vrouw noemen. Traditioneel lopen wij met elkaar weg – zo heet dat. Dan weet iedereen dat je officieel met elkaar bent. Wij gingen bijvoorbeeld samen op vakantie. Bij thuiskomst had de familie een groot feest georganiseerd en sindsdien wonen we samen in een wagen.”

Mijn man… “Leerde ik kennen tijdens het uitgaan. Hij is een burger en moet soms nog erg wennen aan het leven in het kamp. Maar hij heeft het best naar zijn zin, al woont hij naast zijn schoonfamilie – haha. In een woonwagenkamp heb je eigenlijk geen privacy. Bij thuiskomst zit er altijd iemand aan de keukentafel. De gezelligheid, elke dag met de familie… Ik wil hier voor geen goud weg. Wij hoeven elkaar hier niks uit te leggen, want we zijn allemaal op dezelfde manier groot geworden.”

In een huis… “Heb ik kort gewoond met mijn ex, maar ik voelde me enorm opgesloten. Liep ik daar met mijn hondje, ik kende niemand, die uitgestorven straten… Ik had mezelf eens per ongeluk in een kamer opgesloten. Ik ben toen uit het raam gaan roepen, maar kreeg pas na drie uur hulp. Zoiets is hier ondenkbaar. Vergelijk het maar met kamperen; je rolt je tentje uit en bent onder elkaar. Als ik aan het werk ben gaat mijn dochter naar mijn moeder. En als mijn ouders ouder worden, wil ik voor ze zorgen zolang als kan.”

Als kind ging ik… “Met mijn vader mee reizen. Voor zijn werk trokken we negen maanden per jaar door Duitsland, Italië, Spanje… Als ik thuis was ging ik graag stappen met jonge woonwagenbewoners uit ons kamp, maar ook uit Brabant. Dan gingen we naar de Baja Beachclub in Rotterdam. Mijn moeder vond het prima toen ik op mijn 16e niet meer mee wilde reizen, maar zei: Je moet wel iets gaan doen. Ik was sinds mijn 12e niet meer naar school geweest. Tijdens het reizen kreeg ik soms wel les, maar vaak was dit in de praktijk lastig te plannen. Bij ons is het ook niet zo heel belangrijk dat je door leert, zeker als vrouw niet omdat de man meestal voor het gezin zorgt en de vrouw huishoudelijke taken doet. Maar tijden veranderen; nu mogen kinderen niet meer mee reizen in verband met de strengere leerplicht, en steeds meer vrouwen studeren en werken. Achteraf vind ik het best jammer dat ik dat nooit gedaan heb, maar anderzijds heb ik ook veel geleerd van de reizen die ik maakte. Nu ik thuiswerk, mis ik die vrijheid om te gaan en staan waar je wilt soms wel…

Op mijn 16e besloot ik… “De opleiding tot nagelstyliste te doen. Eerst huurde ik een ruimte in een zonnestudio. Sinds een half jaar werk ik vanuit een schuurtje achter de wagen. Dat wilde ik eigenlijk al meteen, maar ik dacht ook: Hoe weten mensen me hier dan te vinden? Eerst maar eens wat bekendheid opdoen.”

Ik ben heel trots… “Op mijn afkomst, maar vertel niet gelijk waar ik vandaan kom. Toch die vooroordelen he: Een woonwagenbewoner zal wel pikken, aso zijn… Toch heb ik nooit een aanvaring gehad. Klanten van de zonnestudio waren verbaasd toen ze erachter kwamen waar ik woonde, maar het merendeel is blijven komen. ‘Kan ik dan wel gewoon mijn fiets neerzetten?’ vroeg iemand eens. Daar moest ik om lachen – de voordeur gaat hier alleen ’s nachts op slot. Mensen denken ook weleens dat we vreemden wegsturen of wegkijken. Dat is onzin. Iedereen is welkom. Als ze maar wel hun schoenen uitdoen – haha.”


IMG_5723Antje Hoeré (58) uit Beukbergen
Ondernemer / interieurstyliste
Single, moeder van dochter Margaretha (39) en zoon Hannes (32) en oma van een kleinzoon- en dochter

Als klein meisje… “Reisde ik met mijn familie door Europa. Alleen ’s winters hadden we een vaste standplaats in de buurt van Bilthoven. Dat heerlijke vrije gevoel staat me nog altijd bij. Overal kwamen we familie en bekenden tegen – heel gezellig! Al had het ook nadelen. Zo ging ik bijvoorbeeld nooit naar school. Nee, dat heb ik mijn ouders nooit kwalijk genomen – dat was in die tijd nu eenmaal zo bij reizigers. Maar ik vond het wel jammer.”

Toen de overheid het reizen met de woonwagen verbood… “En reizigers dwong zich te centraliseren in grote kampen aan de rand van de stad, was ik een tiener. We werden weggestopt, vaak in de buurt van een vuilnisstort. Een volgend moment werden we weer uit elkaar gehaald en verdreven. Ik heb een hoop nare dingen gezien en meegemaakt.”

We moesten het… “Met elkaar zien te rooien. Daardoor zijn we zo’n hechte gemeenschap geworden. Dat hechte is gebleven; iedereen staat voor elkaar klaar. Via via zijn we ook allemaal familie van elkaar. Stel dat ik ergens ziek word of autopech krijg en ik stap een kamp in, dan word ik met open armen ontvangen.”

Ik zorg mee… “Voor mijn kleinkinderen. Wij sturen onze kinderen eigenlijk nooit naar kinderdagverblijven. Net zoals kinderen zolang als kan voor hún ouders zorgen. Ik onderzoek nu trouwens de mogelijkheden voor het realisering van een verzorgingshuis op het kamp. Ik zag het aan mijn eigen moeder: het is al vreselijk als je je huis uit moet, maar de stap van een woonwagen naar een tehuis… Verschrikkelijk!”

Per toeval… “Rolde ik in het vak van interieurstyling. Als kind was ik al heel creatief, ik zat altijd te tekenen. Ik heb veel restaurants ingericht, ook bij burgers. Ik zeg nooit meteen waar ik vandaan kom. Heel stom eigenlijk, maar dat zit er nu eenmaal in door alle negativiteit in de media rondom woonwagenbewoners. Veel mensen hebben toch vooroordelen.

Criminaliteit… “Hebben we hier op Beukbergen nauwelijks. Ik denk zelfs nog minder dan in andere wijken. Natuurlijk, hier vind je ook werkloosheid, maar niet meer dan in de rest van Nederland. Behulpzaamheid en gastvrijheid typeren ons. Dat is bij andere mensen soms ook zo – al zie ik de maatschappij buiten het kamp wel verharden – maar bij ons is het regel in plaats van uitzondering.”

We zijn Nederlanders… “Maar toch een andere bevolkingsgroep. In een huis wil ik niet wonen. Een tijdje woonde ik met mijn ouders in Bunnik. Daar voelden we ons als wilde vogels in een kooi. In een wagen heb je veel ramen: ik wil van alle kanten van me af kunnen kijken, en lekker vaak buiten zijn. Mijn wagen heeft trouwens nog wel wielen, maar kan niet meer rijden.

Die hele sterke sociale controle in een kamp… “Is weleens lastig. Ik ben toch wel op mijn privacy gesteld en woon dan ook een beetje afgeschermd in het kamp. Maar ik open de deur en ben onder de mensen. Ik zou niets anders willen.”


IMG_5722Lolita Venema (48) uit Soesterberg
Tandartsassistente
Samen met Hans (52), moeder van Hans (29), Ricardo (25) en Delano (17)

Mijn vader is… “Een burger. Mijn ouders hebben nog even in een stenen huis gewoond, maar mijn moeder kon er niet wennen. Ik ben geboren in een kleine wagen in Helmond. Daarna verhuisde we naar Soesterberg, waar 125 wagens staan.”

‘Neem een man van het kamp’… “Zeiden mensen vroeger tegen me. ‘Veel makkelijker, met dezelfde mentaliteit.’ Maar voor mij maakte dat niet uit. Hoewel mijn burgerman even moest wennen, krijg ik ‘m nu met geen mogelijkheid uit de wagen, net zoals mijn vader destijds. Zelf zou ik wel in een huis kunnen wonen, maar dan wel héél dichtbij mijn familie!”

Hecht… “Zijn we zeker. De deur staat altijd open. We eten een paar keer per week met de hele familie samen. Ik heb een eettafel waar twaalf man aan kunnen en pak graag uitgebreid uit. De kinderen appen ’s morgens al wat ik ga koken. Vaak wordt het traditioneel zuurvlees, of een pasta. En ik kook altijd meerdere soorten groenten.

Al er iets gebeurt… In de familie, of het nu leuk of verdrietig is, spenderen we dagenlang samen. Met de andere families op de kamp is het contact ook goed. Bij een overlijden komt iedereen langs. En tijdens een communie komen er zelfs mensen van andere kampen.”

Mijn jongens zijn… “Gedoopt. En toen ze acht waren hadden ze de eerste heilige communie. Tradities houden we in eren. Voor communies pakken we enorm uit – dat is een soort trouwdag voor ons, waar kosten noch moeite worden gespaard. De tante van Rafael van der Vaart heeft de pakken voor mijn zonen ontworpen!”

Onder ieder koren… “Heb je kaft. Dat is bij ons niet meer of minder dan in de burgermaatschappij. Maar als mensen het over woonwagenbewoners hebben, wordt helaas nog snel gedacht: ‘Oh ja, die criminelen.’ Het vervelende is dat als er bij ons iets gebeurt, het altijd negatief in de media word gebracht. Werkloosheid in kampen? Ik ken alleen maar hardwerkende mensen! De meeste praatjes zijn door vroeger ontstaan, maar het is nu zo anders.”

Gepest… “Ben ik niet. Eén keer riep mijn vriendinnetje van buiten het kamp tijdens een ruzie ‘zigeunerin’ tegen me, heel hard door de klas. Door mijn vader kende ik ook allebei de werelden. Dat heeft me heel openminded gemaakt. De tandartswereld is ook een hele andere wereld dan de woonwagenwereld, maar wel een héle leuke! Laatst vroeg een collega die ik nog niet goed kende waar ik nu eigenlijk vandaan kwam – ik zag er zo Spaans, Italiaans uit. Ik heb het verteld en haar gelijk uitgenodigd voor het eten.”

‘Ze zal wel geld nodig hebben’… “Dachten ze in het kamp toen ik zeven jaar geleden aan een studie tot tandartsassistente begon. Ik was net als de meeste vrouwen in het kamp opgevoed als een echt reizigersmeisje; je vindt een man, krijgt kinderen en zorgt voor het gezin. Ik ben een typische overbezorgde woonwagenmoeder (lacht), maar toen de kinderen gingen studeren wilde ik zelf aan de slag. Het was een pittige studie, zeker toen ik daarna doorging voor preventie-assistente. Maar ik ben enorm leergierig en werk inmiddels bij een gerenommeerde praktijk in de buurt. Iedereen is enorm trots op me! Al staat er na een lange werkdag niet altijd meer een volledig gedekte tafel klaar voor de familie!”


IMG_5725Petra van Houten (48) uit Heemskerk
Werkt in een modezaak
Samen met Mark (48), moeder van Priscilla (24) en Jayden (8)

Mijn ouders… “Zijn echte oude reizigers, in hun doen en ook nog vaak in hun denkwijze. Tot mijn zesde woonde ik op een groot kamp, met meerdere families. Daardoor ontstonden er wel eens opstootjes. Mijn moeder kon daar uiteindelijk niet meer goed tegen en we verhuisden naar een rustigere plek. Binnen enkele jaren woonden mijn oom en tantes ook bij ons in de straat – de fam bij elkaar, dat vinden we belangrijk en fijn!

Als familie… “Staan we altijd voor elkaar klaar. Toen ik alleenstaand moeder was, zorgden mijn ouders voor mijn dochter als ik aan het werk was. En mijn moeder zorgde ook weer voor mijn oma. Tijden veranderen: Mijn ouders zien hoeveel wij werken en zeggen niet te willen dat wij dan ook nog voor hun zorgen. Maar hopelijk duurt het nog jaren voordat ze hulp nodig hebben en werk ik tegen die tijd minder.”

De woonwagens van toen… “En nu zijn trouwens niet meer te vergelijken. Ik douchte vroeger buiten in de schuur, mijn zoon heeft tegenwoordig zijn eigen badkamer. Door een brand moest ik eens negen maanden in een appartement wonen, omdat mijn woonwagen herbouwd werd. Ik kon er niet wennen. Ik miste dat vrije gevoel, hoorde ieder geluidje… Mijn dochter woont nu in een huis, maar als er een stuk grond vrij zou komen, zou ze zo terug komen.”

Toen ik jong was… “Werd ik niet altijd geaccepteerd. Schoolvriendinnetjes mochten soms niet bij mij spelen. Daar had ik moeite mee – ik kan heel slecht tegen onrecht, we hadden toch niets misdaan! Er wordt nog vaak negatief gedacht over woonwagenbewoners. Door bekendheden als Romy Monteiro en Frans Bauer wordt dit gelukkig wel minder.”

Maar als ik solliciteer op een baan… “Vertel ik niet meteen dat ik in een woonwagen woon. Laten ze me eerst maar leren kennen, denk ik dan. Ik krijg trouwens alleen maar fijne reacties van mensen. Als ze eenmaal bij mij thuis zijn geweest en hebben gezien hoe ik woon, willen ze bijna allemaal ruilen!”

Mijn eigen kinderen… “Hebben gelukkig veel minder last van die vooroordelen. Wij zijn ook goed geïntegreerd, zoals dat heet, en staan met onze woonwagens tussen de huizen. Mijn ouders hebben ons altijd gestimuleerd om goed en beschaafd Nederlands te praten – dat is in de maatschappij toch belangrijk. Terwijl ik vaak van vriendinnen hoor dat als ik met mijn fam ben, ik toch anders praat.

Thuis gingen dingen anders… “Dan bij andere gezinnen. Mijn moeder kon toen nog niet goed lezen en schrijven en kon mij niet helpen met mijn huiswerk. Of na de avondvierdaagse: mijn ouders wisten niet dat het gebruikelijk was om met bloemen bij de finish te staan dus die waren er ook niet. Dat zorgde bij mij als kind weleens voor onbegrip terwijl ik toch echt de beste ouders van de wereld heb.”

Boos… “Kan ik me soms nog steeds maken over vooroordelen die veel mensen hebben over reizigers. Alsof we allemaal slecht zijn of onze dochters in megagrote jurken hijsen voor feestjes. Het klopt wél dat we op ons uiterlijk zijn; ik zie er graag verzorgd uit en mijn wagen is ook altijd netjes en schoon. En mijn zoontje zingt alle Nederlandstalige nummers woord voor woord mee! Maar als ik in de krant lees over een vechtpartij waar een woonwagenbewoner bij betrokken was, denk ik: waarom moet dat er nou zo nodig bij geschreven worden? Natuurlijk, op ieder kamp gebeurt weleens wat – al krijgen wij er hier weinig van mee – maar dat heb je toch ook in de burgermaatschappij?”


Verschenen in: Vrouw magazine.
Beeld: Corné van der Stelt

0

De uitlaatklep van John Buijsman

Rotterdam is dan misschien niet the place to be voor een acteur, inspiratie vindt John Buijsman (64) hier op elke straathoek. En verhuizen? Geen haar op zijn hoofd die er ooit aan dacht! Een gesprek over opgroeien in een artiestenfamilie, Rotterdam als theaterstad, het podium als uitlaatklep en natuurlijk: De Marathon.

Beeld: Petra van der Veer

Met stijve vingers van de kou bellen we aan bij een van de vooroorlogse woningen aan de Beukelsdijk. De deur zwaait open. “Moggûh! Kom er gauw in”, klinkt het hartelijk en met onvervalst Rotterdams accent. We volgen John naar de eetkamer, worden daarbij op de voet gevolgd door Kees, de vriendelijke koningspoedel, en logeerhondje Billy, een Franse bulldog (“die kleine is van mijn zoon”). Terwijl John in de keuken twee cappuccino’s maakt, komt zijn vrouw Janny even een handje schudden en verdwijnt dan weer naar het kantoor boven. Janny blijkt het zakelijk en organisatorisch brein achter de Rotterdamse theaterman. Mail? Doet Janny. De afspraak voor Gers!? Hebben we met Janny gemaakt.

Over die afspraak heeft John nog wel wat te zeggen. Hij zet de koffie op tafel, buigt zich naar voren tot met zijn mond vlakbij de recorder waarmee we het gesprek opnemen: “Ik snap bij god niet waarom je mij nu pas komt interviewen, met je Gers!” Zo, dat staat genoteerd. We kunnen beginnen.

John moet nog even wakker worden, bekent hij. Het werd vannacht drie uur. Gelukkig heeft hij maar weinig slaap nodig. Hij draait een shaggie. Steekt ‘m aan. Gisteravond speelde hij voor de achtste keer de Rattenvanger van Hamelen in Schouwburg Kunstmin in Dordrecht. Vanmiddag en vanavond staat hij er weer en morgen voor het laatst. “Ontzettend leuk om te doen! Gisteravond heb ik zo lekker gespeeld, daar krijg ik een enorme adrenalineboost van – vandaar het laat naar bed gaan.” Het is een druk seizoen voor John en zo ziet hij het graag: “Als er niks is, komt er ook niks uit. Nu barst ik van de inspiratie en ideeën.”

John wordt geboren in de Josephstraat, als telg van de Rotterdamse artiestenfamilie Buijsman. Zijn vader, Luut Buijsman, vormde samen met onder anderen diens broer Bill de Kilima Hawaiians, een Nederlandse muziekformatie die in de vorige eeuw wereldwijd bekendheid verwierf met Hawaï- muziek. “In de moeilijke jaren rond de oorlog, wilde iedereen even naar Hawaï ontsnappen”, verklaart John de populariteit van het genre destijds. Zelf verlaat hij op jonge leeftijd school. Hij begint zijn theatercarrière als technicus bij jeugdtheatergroep Wiedus, waar hij decors ontwerpt en later ook gaat acteren. “Ik denk bijna nooit aan vroeger”, zegt John als we naar zijn jeugdjaren vragen. Nuchter als altijd. “Joh, ik ben gewoon goed opgegroeid.”

Met je voorstelling Hula Blues, over de Kilima Hawaiians, dook je je eigen familiegeschiedenis in. Je zong de liedjes, vertelde het verhaal…
“Ik was al vaker gevraagd een voorstelling te maken over oom Bill en tante Mary, maar ik had weinig zin om in mijn eigen familie te peuren. Mezelf spelen vind ik al helemaal niks. Maar ik werd gebeld door twee meiden. Die waren platen aan het draaien in de Aloha bar – of ik effe langs wilde komen. In de kelder van Tropicana stuitte ik op een enorme scheepskist van de Holland-Amerika Lijn vol spullen van de Kilima Hawaiians; kostuums, platen, veertig 8mm films, ansichtkaarten die tante Mary naar haar moeder schreef als ze op tournee waren. Een neef van Mary was ooit eigenaar van Tropicana en had haar hele huisraad daar opgeslagen toen ze naar het bejaardenhuis ging. Hij was vergeten dat het daar lag – het stond er al twintig jaar. Toen kon ik er niet meer omheen.”

Na een tournee door het land, speelde John in december vorig jaar de laatste voorstelling. “Ik verwachtte hetzelfde publiek te krijgen als normaal – zo tussen de dertig en vijftig jaar – maar dit bleek een grote looprekkenparade te zijn.” Hij lacht zijn aanstekelijke bulderlach – het zal niet de laatste keer zijn tijdens het gesprek. “Mensen van negentig, ze zaten er allemaal doorheen te ouwehoeren, moesten allemaal pissen. De eerste twee voorstellingen moest ik daaraan wennen, de derde keer dacht ik: geweldig! Iedereen zong mee, ze werden weer jong. We hadden ook geen kleedkamer. Stond ik in mijn blote kont, kwamen er ineens vier bejaarden voor een foto. Te gek! Ik heb die mensen er een enorm plezier mee gedaan. Zouden de oude Buijsmannen van een wolkje meegekeken hebben, denk ik wel dat ze het leuk gevonden hadden. Ze kwamen er ook redelijk goed vanaf – haha!”

‘Stond ik in mijn blote kont, kwamen er ineens vier bejaarden voor een foto’

Wat betekende het voor jou?
“Ik heb het met groot plezier gedaan. Ik had vroeger niets met de muziek, maar ben het mooier en mooier gaan vinden. Tussen al die films kwam ik op een gegeven moment trouwens een film met het trouwfeest van mijn opa en oma tegen. De hele familie – allemaal dood inmiddels – kwam voorbij in een polonaise. Ook mijn vader en moeder. Dat was een behoorlijk ontroerend beeld. Zonder geluid, daarmee nog mooier.”

Schermafbeelding 2017-04-03 om 14.40.48

Je komt uit een echte artiestenfamilie. Wat kreeg je mee?
“Als er werk is, neem je het aan: dat was thuis het motto. Ik zeg vaak ja. Ik weet ook niet zo goed wat niet bij me past – dat is denk ik typisch de familie-invloed. Mijn vader zei altijd: ‘Als je jazz wilt spelen in Nederland, zal je er af en toe een bruiloft bij moeten pakken.’ Hij zat soms een half jaar in attractiepark Tivoli in Kopenhagen. Daar waar het te verdienen is, moet je het halen. Bij ons thuis ging het alleen maar over de vraag: ‘Heb jij nog werk?’”

Overleven…
“…want je kunt nog zo briljant zijn, als je er niets aan verdient kun je beter in een coverband zitten om je briljante werk te kunnen financieren. Daar heb ik geen problemen mee. Ik vind veel dingen ook leuk – als het moet presenteer ik ook nog wel een feest of bedrijfsavond.”
Naast diverse rollen in films en series, werd John bij het grote publiek bekend als Dr. Doolittle in ‘Loenatik’, als Cor in ‘Raymann is laat’ en natuurlijk als Freek uit de Freek en Willem-commercials voor Gamma, samen met Martin van Waardenberg. “Gamma was leuk én ideaal! Kon ik daarna weer drie maanden werken zonder dat ik geld hoefde te verdienen.”

Daarmee levert John dezelfde strijd als zijn vader destijds. “Op dit moment zitten we middenin een productie. Janny is nu met de begroting bezig. Het zal niet de eerste keer zijn dat ze de trap af komt en zegt: ‘Als jij en ik niet betaald worden, kunnen we deze voorstelling maken.’”
De Rotterdamse politiek kan wat dat betreft zijn rug op. Onlangs sprak John voor de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur, naar aanleiding van zijn afgewezen subsidieaanvraag; de veertigduizend steunbetuigingen op facebook deden hem goed en toonden aan dat hij niet de enige is die zich de situatie aantrekt. “Onze aanvraag werd afgewezen op basis van wat kleine punten – die hebben we rechtgetrokken, maar het mocht alsnog niet baten. Ik heb geen idee wat je moet doen om het wel te krijgen, wat je moet doen om in eigen stad iets voor elkaar te krijgen – daar ging mijn betoog over. Het lijkt wel of ze hier liever investeren in een groep waarmee ze in Berlijn kunnen pronken, dan in iets moois voor eigen stad. Maar het is moeilijk om daarover te praten zonder anderen af te zeiken die het wel krijgen.”

Ach, zolang hij zijn voorstellingen maar kan maken, zie je hem denken. “En daar moet je een hoop poen voor in huis hebben. De minst betaalde producties zijn soms de mooiste. Mijn eigen voorstellingen – zeventien op de teller inmiddels – leveren mij niet veel op. Dat maakt me niet meer uit, omdat ik er behoorlijk gelukkig van word.”

Wat maakt het zo fijn?
“Uit niets iets maken! Ik begin met een idee, dan ga ik eens nadenken wat ik wil. Dan benader ik een schrijver, daarna een regisseur… Ik speel bijna altijd alleen. Dat is soms lastig, maar ik vind het ook heerlijk dat het op dat moment moet gebeuren. Daarom verkies ik theater boven film; je gaat in een keer door, de boog moet gemaakt zijn gedurende de voorstelling.” John lacht: “Weet je, soms vind ik mezelf heel erg goed, soms vind ik er geen hol aan.” Hij neemt de laatste slok van zijn kof e en vervolgt: “Ik vind het heerlijk als je iemand met tranen van ontroering ziet, naast iemand die op z’n dijen slaat van het lachen. Mooi aan theater is dat je op verschillende manieren binnenkomt bij mensen; iedereen hoort en ziet iets anders.”

‘Janny zei: ‘John, we kunnen een hoop doen, maar dat nooit’

Veel Nederlandse acteurs wonen in Amsterdam, waar ze blijven hangen na de toneelschool of naartoe verhuizen voor betere carrièrekansen. “In de Amsterdamse Schouwburg kom je elkaar vaak tegen. Hier in Rotterdam wonen nog een stuk of tien acteurs – toevallig wonen Loes (Luca), Jack (Wouterse) en Martin (van Waardenberg) om de hoek. Reuze-gezellig, maar voor je carrière kun je beter in Amsterdam wonen.”

Jij hebt die keus niet gemaakt…
“Ik ben een Rotterdammer. Janny zei ook: ‘John, we kunnen een hoop doen, maar dat nooit.’ En ik heb niks tegen Amsterdam – die rivaliteit vind ik van die folklore – maar ik vind het dus wel jammer dat je in eigen stad zo weinig gedaan krijgt. Ik zat laatst op een verjaardag met allemaal Rotterdamse artiesten. Stuk voor stuk allejezus goed, stuk voor
stuk een lege agenda. Je hebt mazzel nodig, of je moet jezelf heel goed kunnen verkopen. Zonde, want qua theater is hier weinig. De Fenixloodsen bieden een goede kans, als je het mij vraagt. Ik hoop dat ze die andere Fenix niet afbreken, want er zijn maar weinig goede locaties. Als er poen aan te verdienen valt, is het weg. Dan komen er ineens appartementen. Dan maak je kapot wat er leuk aan is.”

Flikken Rotterdam zat vol met Amsterdamse acteurs, terwijl Rotterdamse acteurs niet gevraagd werden voor de grote rollen.
“Klopt.” (John haalt zijn schouders op)

Daar maak jij je niet druk om?
“Waarom zou ik? Nee hoor, ik voel me ook geen ambassadeur van de stad naar buiten toe. Omdat ik hier woon? Vervelend vind ik wel dat ze vaak willen dat je Rotterdamse rollen aandikt; ‘ja toch, niet dan?!, gozert, overal die t achter. Dat weiger ik. Mijn stukken hebben vaak een Rotterdamse houding, maar dat komt omdat ik hier mijn inspiratie vandaan haal. En ik vind het jn om Rotterdammers binnen te krijgen.”

Waar haal jij inspiratie vandaan?
“Hier op straat! Dan ga ik lekker zitten, kijken naar oude mannen die hun witte onderbroek uit de bilnaad staan te halen.” John staat op en geeft een demonstratie. Hond Kees kijkt geïnteresseerd toe. “Over het stukje van het Westerpaviljoen naar de Oude Binnenweg kan ik vijf uur doen. Dan sta ik overal te lullen. Inspiratie komt ook vaak ’s avonds, na de laatste voorstelling, alsof-ie al ergens lag te wachten. Ik speel vaak mensen die op de een of andere manier in de goot belanden. Maar ik heb ook een periode beroemdheden gespeeld; Chet Baker, Roland Kirk… Dan lees ik alles wat los en vast zit over het onderwerp. Laatst deed ik een voorstelling over boksen, dan dus alles over boksen.”

Straks speel je de hoofdrol in de musical De Marathon. Moest je nog nadenken voordat je ja zei?
“Ik had ook al een klein rolletje in de film. Ik speelde Joop, de man van Loes (Luca). Zo’n vervelende kerel, vol slechte grappen op het verkeerde moment – we hebben zó gelachen tijdens de opnames! Maar toen ik werd gevraagd voor een auditie voor de musical, moest ik lang nadenken.”

Waarom?
“Omdat die film nogal goed is! Theater is een heel ander ding – dat weet ik, maar toch. Ik ben gek op Engels sociaal drama. Dat is er eigenlijk niet in Nederland; het gaat altijd over die zeven straatjes in Amsterdam, of over een familie van advocaten die failliet dreigt te gaan. Nooit over drie-hoog-achter. Maar juist die drama’s zijn interessant en De Marathon is zo’n drama – het gaat echt over de gewone Jan Boerenlul. Na een heel prettig gesprek met Job (Gosschalk, de regisseur) besloot ik het te doen. Het was de eerste keer dat ik applaus kreeg tijdens de auditie – daardoor ben ik er ook een beetje ingestonken (lacht). Maar joh, het zou toch godverdomme ook weleens tijd worden dat ik met een grote voorstelling in dat Nieuwe Luxor sta.”

“Muziek. Muziek is mijn allergrootste inspiratiebron”, herinnert John zich ineens een eerdere vraag. Hij pakt twee cd’s uit de kast – “kijk maar of je het wat vindt” – en geeft ze aan ons: Kamasi Washington en Blake Mills. “Ik ga altijd vroeg de deur uit, weet overal de platenzaken te vinden. Ik reis ook meestal alleen, want het zijn bijna allemaal Amsterdammers waarmee ik speel. Met eigen voorstellingen reizen we vaak met z’n vieren, maar alleen bevalt me ook goed. Ik ben heel graag op mezelf.”

Schermafbeelding 2017-04-03 om 14.39.25Ben je een loner?
“Zeker. Ik zit ook graag thuis. Mijn vrouw, zoon en schoondochter zijn ook op zichzelf dus het is hier lekker rustig. (lacht) Ik ben een introvert persoon, maar op het podium gooi ik álles eruit. Je speelt hoe dan ook altijd jezelf, wiens verhaal het ook is. Je speelt je eigen ruzies, je eigen verliefdheid, je eigen verdriet… Mensen verschillen niet zo van elkaar; we hebben allemaal dezelfde emoties en felheid in ons zitten, uiten het alleen op andere manieren. Theater is mijn uitlaatklep.”
De fijnste voorstellingen zijn dan ook die waarbij je niet meer weet wat je doet, aldus John. “Als de controle eraf is, als-ie als het ware ‘zichzelf doet’. Dat had ik bij Chet Baker; die was na tien jaar niet spelen nog heftiger geworden. Ik lag te schreeuwen en over het toneel heen te rollen – mijn lichaam kwam er als het ware achteraan. Dat gaat niet bij alle voorstellingen, sommige moeten gecontroleerder, Maar áls het lukt… O heerlijk.”

Of de theaterman nog dromen heeft? “Schei uit zeg, ik ben 64. Nee hoor, het gaat zoals het gaat. Een mooie volgende voorstelling, dat wil ik. En straks in het Nieuwe Luxor staan met mensen met wie ik nooit gewerkt heb, voor het eerst een musical doen – dat is gers. En ach, ik ben al zo vaak doodgegaan in mijn rol. Deze keer kan er ook nog wel bij.”

John stapt gelijk met ons naar buiten, op weg naar de Dordtse Schouwburg. Bomvol energie zit-ie, en tjokvol inspiratie voor toekomstige projecten. Maar voor alle drukte weer begint, zal hij eerst met de familie genieten van een welverdiende vakantie in New York!

0

De stoute schoenen van Andrea Santoni

Andrea Santoni (79) staat op van zijn stoel, tilt zijn linkerbeen op en balanceert met verbazingwekkend gemak op het rechter; bruine Santoni’s, double buckle, gemaakt van krokodillenleer. “Dit zijn mijn lievelingsschoenen”, zegt hij trots. Hij mag het stokje dan overgedragen hebben aan zoon Giuseppe, nog altijd wordt elke nieuwe schoen door hemzelf een week lang gedragen en gekeurd.

In opdracht van: berry! Magazine (Van den Assem)

Mensen die van mooie dingen houden: zo vat Andrea Santoni, pater familias en oprichter van het merk, de liefhebbers van de beroemde high-end schoenen kort en krachtig samen. Speciaal voor het Santoni-event, georganiseerd door Van den Assem, vloog hij op 7 oktober jl. naar Nederland. Dat we te maken hebben met een gepassioneerd en bijzonder bekwaam vakman, is geen nieuws. Andrea Santoni blijkt bovenal een warme en geduldige man met een inspirerend ondernemersverhaal. Terwijl de gasten in de naastgelegen ruimte genieten van een hapje en een drankje, geeft hij met behulp van een tolk zijn vierde interview af. Tussendoor komen mensen binnen voor een foto of laten ze hun Santoni-boek persoonlijk signeren.

Nog niet moe, meneer Santoni?
“Welnee. Energie voor tien! Kom maar op met je eerste vraag.”

U begon het bedrijf in 1975. Hoe is het voor u allemaal begonnen?
“Ik groeide op in Corridonia, in de provincie Macerata in Italië. Ik kom uit een traditionele landbouwfamilie. Mijn vader wilde graag dat ik ging studeren, maar ik wilde op mijn zestiende maar een ding: werken! Studeren was overigens de makkelijke weg geweest, gezien de nonnen en monniken lesgaven in ons dorp. Voor mijn werk in de schoenenfabriek liep ik een jaar lang dagelijks zes kilometer heen en zes kilometer terug. Na dat jaar had ik eindelijk genoeg geld gespaard om een fiets te kopen!”

In de dertien jaar die Andrea in de fabriek werkte, leerde hij de kneepjes van het vak. Hij werkte zichzelf op van – naar eigen zeggen – onderste werknemer tot productiemanager van de regio. Op zijn 29e trok hij zelf de stoute schoenen aan en begon, samen met zijn vrouw Rosa, zijn eigen bedrijf. Santoni Shoes® was een feit.

“Voor mijn werk in de schoenenfabriek liep ik een jaar lang dagelijks zes kilometer heen en zes kilometer terug”

“We begonnen zonder startkapitaal. Met slechts één werknemer zaten we in een kleine kelder. Nu hebben we 650 man in dienst en werken we sinds 1989 in een ruimte van 1500 vierkante meter. We hebben in totaal 25 winkels, waarvan 15 in Italië en nog 10 over de rest van de wereld. We zitten trouwens nog steeds in Corridonia. Van ontwerp tot afwerking, alles gebeurt onder dit dak.”

Wat is het geheim geweest?
“Ik houd oprecht van mooie dingen. En ik ben er heilig van overtuigd: als je kwaliteit boven kwantiteit verkiest, dan bereik je na verloop van tijd óók een grote kwantiteit. In de tijd dat ik begon met schoenen maken, was er net een stijgende tendens in het vereenvoudigen en versnellen van productieprocessen – iets wat de kwaliteit niet ten goede komt. Ik ben in de eerste periode mijn hele netwerk langsgegaan. Ik had toen geen rooie cent, maar ik zei tegen mijn contacten: ‘Vertrouw me, ik ga kwaliteit leveren en ik zal jullie betalen.’

“Mijn grote bron van inspiratie was Berluti, een Franse schoenproducent. Ik ging op één avond soms vier keer langs de winkel; zo mooi vond ik die schoenen. Na weer zo’n avond kwam ik thuis, nam ik een heet bad en kreeg het idee: ik moet een schoen maken die nog beter en mooier is.”

En dat is gelukt…?
(lacht) “Ja!”

Het geheim schuilt volgens Andrea in het behoud van traditionele methoden voor schoenmaken. Tot op de dag van vandaag wordt alles met de hand gemaakt. Van het snijden van het leer tot het inkleuren, allemaal handwerk. Alleen het allerbeste is goed genoeg: Santoni-schoenen worden uitsluitend gemaakt van ‘s werelds beste leersoorten, tot aan de inlegzolentoe. Rundleer, paardenleer en allerlei soorten exotische huiden, waaronder padden-, leguanen-, krokodillenhuiden en zelfs huiden van palingen. Andrea: “Dat komt onbewerkt binnen, klaar om te worden behandeld door een vakman. Het leer wordt zorgvuldig en met de hand geverfd. Elke schoen is uniek.”

“Als je kwaliteit boven kwantiteit verkiest, dan bereik je na verloop van tijd óók een grote kwantiteit”

Waar bent u het meest trots op?
“Dat kan ik niet zeggen. Ik ben namelijk elke dag weer trots, op elke lijn en elke schoen die we maken. Ik leg nog altijd de final touch aan alle ontwerpen. Als de schoen gemaakt is, draag ik ze een week lang – ik wil zeker weten dat ze perfect zijn. Dat is al 40 jaar de standaard.”

   

Hoe zou u uw klanten omschrijven?
“Mensen die van mooie dingen houden, een goede smaak hebben en representatief voor de dag willen komen.”

Even nieuwsgierig… Uw zoon aan het roer, uw vrouw in het atelier; hoe is het om dag in en uit met la famiglia te werken?
“Dat is toch het allermooiste wat er is?

Is het nooit lastig?
“Vroeger soms wel, toen liep alles dwars door elkaar. Op een gegeven moment zei Rosa: ‘Nu is het klaar, vanaf nu geen zaken meer aan de eettafel.’ Sindsdien houden we werk en privé strikt gescheiden. Dat werkt goed. In vijftig jaar tijd hebben Rosa en ik nog nooit ruzie gehad over werk.”

Hoe was het voor u om het stokje door te geven aan uw zoon Giuseppe?
“Dat deed ik met liefde en in het volste vertrouwen, omdat hij er klaar voor was. Ik heb hem alles geleerd en gegeven wat ik kon. Ik kom nog regelmatig op de werkvloer, maar ben ook rustig aan het afbouwen. Mijn zoon heeft Santoni trouwens uitgebreid naar China en Japan. Dat deed hij net zoals ik het vroeger deed: eerst lange tijd alleen maar observeren. Hoe is de cultuur? Wie zijn de klanten en wat willen ze? Inmiddels verkopen we jaarlijks 30.000 paar schoenen in Japan!”

Tot slot, kunt u vast wat verklappen over de wintercollectie van 2017?
“De schoenen worden weer wat robuuster. Ronde neuzen, grotere vormen, dikkere zolen. Back to the classics, dus eigenlijk.”

Op de vraag of de Santoni’s trendsetters zijn, reageert Andrea met een ondeugende glimlach. Op die vraag kan hij zelf geen antwoord geven. Dat mogen wij doen!

0

Havenwerker van het jaar!

Ed van den Hoek (54) is trots. Trots op de Rotterdamse haven, maar ook een beetje op zichzelf. Hij werd benoemd tot Havenwerker van het Jaar 2016, een titel die wordt uitgereikt aan een havenwerker die uitblinkt in veilig en innovatief werken én in collegialiteit. “Ik zeg altijd, de Havenman van het Jaar is een verkiezing voor bobo’s, deze titel is echt voor de werkers met opgestroopte mouwen.”

Tekst: Karin Koolen
Geschreven in opdracht van: Onze Haven

We ontmoeten Ed bij café Van Zanten aan de Meent. Hij neemt net de eerste slok van zijn cappuccino als we binnenkomen. “Ik was al in de buurt”, zegt hij. “Ik had een foto laten afdrukken – die heb ik net opgehaald. Een zussenportret.” Ja, de Havenwerker van het Jaar is ook een gepassioneerd fotograaf. Maar daarover later maar.

Al 34 jaar werkt Ed bij Matrans Marine Services, een sjorbedrijf in de haven dat scheepsladingen vastzet en losmaakt. Na zelf vele jaren sjorren is hij er nu instructeur en veiligheidsinspecteur: “Onze jongens gaan pas aan boord als de veiligheidsinspectie uitwijst dat het veilig is. We checken het schip van onder tot boven. Zijn zaken niet op orde, dan geven we de rederij instructies mee.”

Ed leidt ook nieuwe sjorders op én denkt mee over lesprogramma’s op het Scheepvaart en Transport College. Een prestigieuze titel was hem niet vreemd. “Ik ben al een keer Instructeur van het Jaar geweest. Trots? Tuurlijk, zo’n titel krijg je niet zomaar.” Wel voelde hij zich bezwaard om een tweede nominatie. “Iemand anders moet ook een kans krijgen, vind ik. Maar mijn directeur zei: ‘Ed, je werkt hier al zo lang, je bent goed voor de zaak, dus niet zeuren.’” Ed won glansrijk met vierenvijftig procent van de stemmen. “Iedereen moest op het podium vertellen wat je doet en wat je belangrijk vindt.”

WAT VIND JIJ HET BELANGRIJKST?

“Veiligheid! Er gebeuren nog steeds teveel ongelukken in de haven. Ik zeg altijd: als je nou allemaal gewoon veilig werkt, kan iedereen terug naar vrouw en kind. Ik heb eens een dodelijk ongeval van dichtbij meegemaakt. Afschuwelijk. Het zorgde voor een enorme bewustwording bij mij. Ik ben sindsdien ook actief bij FNV Haven.”

Voor presentaties over veilig sjorwerk vloog Ed naar Australië. “Australië is vijfentwintig jaar terug in de tijd. Vergis je niet: Rotterdam loopt echt voorop qua veiligheids- maatregelen en techniek. Die Australische jongens stonden met open mond te luisteren. Ze zijn daar ook wel op veiligheid gefocust, maar op de verkeerde dingen.”

WAT VERTEL JE DAN?

“Het grootste gevaar is valgevaar. Diepe ruimen, afzettingen die niet kloppen, te weinig verlichting of het niet dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen – allemaal zaken waar je op moet letten. Ik vertelde er trouwens ook dat wij gewoon in de regen werken. Op z’n Rotterdams: met je hol in de sneeuw. Zeiden ze: ‘Zeg dat maar niet tegen onze baas, want wij hoeven dat niet.’” (lacht)

‘Er is vooral vraag naar hoogopgeleiden. Havenwerkers zijn steeds minder nodig.’

HOE BEN JE IN DIT WERK GEROLD?

“Ik wilde de zee op. De vrijheid, het grote avontuur. Dat trok me. Ik deed eerst de opleiding tot scheepskok. Uiteindelijk werd ik derde stuurman: ‘s nachts wachtlopen, navigatieboeken bijhouden, vrachten uitrekenen – toen nog handmatig. Ik ben de hele wereld over geweest, van Zuid-Amerika tot Azië.”

Dat avontuurlijke is minder geworden, denkt Ed. “Begin jaren tachtig lag je minstens drie dagen op een plek. Of twee weken in Venezuela. Tranquilo, zeiden ze daar. Jij was klaar wanneer zij klaar waren. Nu ben je overal binnen twaalf uur weg.”

WAAROM BEN JE GESTOPT MET VAREN?

“Ik kreeg verkering. Ik wilde niet meer zes maanden van huis zijn – we wilden ook kinderen. Via een oom kreeg ik een baan als sjorder bij Matrans.” Zijn eerste nachtdienst in 1984 herinnert hij zich nog goed. “Er was geen inspectie, geen instructie, niks. ‘Kijk maar hoe je ’t doet’, zeiden ze. Gelukkig had ik aan boord al de nodige ervaring opgedaan. Zoiets is nu ondenkbaar. Als je een kruiwagentje had, zat je ook zo in de haven. Nu moet je een opleiding op niveau 2 hebben, certificaten gehaald, stages gelopen… Goede zaak, vind ik.”

Een andere verandering is de automatisering. “Ik heb nog gewerkt met ponskaartjes met gaatjes. Nu kunnen ze een containerkraan bedienen vanachter een bureau.” Mooi, die vooruitgang, stelt Ed, maar er is een keerzijde. “Veel mensen stonden ineens op straat. Iemand zei eens tegen me dat de Tweede Maasvlakte voor enorme werkgelegenheid zou zorgen, maar er is vooral vraag naar hoogopgeleiden. Havenwerkers zijn steeds minder nodig.”

GELDT DAT OOK IN EEN SJORBEDRIJF?

“Minder. Een sjorbedrijf zal altijd mensenhanden nodig hebben.” Het werk bestaat overigens niet alleen uit het vastzetten van de containers, benadrukt Ed. “Als de lading ín de containers kan schuiven, kapseist het schip. Deze week hadden we trouwens weer grote scheepsschroeven, zestig ton per stuk.”

WAT IS DE MEEST BIJZONDERE LADING GEWEEST?

“We hadden eens een treinwagon van Auswitch, die ging naar het holocaustmuseum in Florida. ‘Hier moet je nou respect voor hebben’, zei ik tegen mijn leerlingen. ‘Besef effe wat je vastzet.’ Ik ben er zelf nog even in gaan staan. Dat je dat als havenwerkertje meemaakt – bijzonder! Tijdens een vakantie op Cuba zag ik trouwens een Nederlandse
bus staan. ‘Kijk’, zeg ik tegen mijn vrouw, ‘die kan ik nog weleens vastgezet hebben.’”

Hoewel Ed heilig gelooft in alle veiligheidsmaatregelen, geeft hij toe dat de sfeer in de haven ook wel veranderd is. “De geintjes die wij vroeger maakten kunnen niet meer. Tijdens een nachtdienst kroop een van ons de kombuis in en jatte een stuk kip uit de ijskast. Hij kroop naar buiten met dat stuk tussen zijn tanden, stond daar ineens een grote Noor. Hij kwam ervan af met klap op zijn kanis, maar nu zou je hangen. Vroeger dronken we ook weleens een biertje aan boord. Zaten we met zes sjorders en de bemanning op een Engels schip aan de bar. Maar joh, ik vind het nog steeds vreselijk leuk werk en het is oergezellig met collega’s.”

VOORUIT, NU EVEN OVER DE FOTOGRAFIE…

“Dat is al zolang een hobby van me. Op een gegeven moment ging ik op verzoek bruidsfotografie doen en van het één kwam het ander. Ik fotografeer ook veel in havens. Mensen zien boten, maar ik pak de matroos of stuurman die iets beet heeft of net effe vreemd staat te kijken. En ik laat graag de grootte van een schip verbaal zien. En alles bewerkt met veel contrast; dat zorgt voor expressieve, krachtige foto’s.”

Ja, de haven verandert. Maar als je negatief denkt, kom je er niet, stelt Ed. “Wat je uitzendt, krijg je terug.” En positieve dingen zijn er nog genoeg. “Ze willen nu de terminals tussen de twee Maasvlaktes automatiseren. Maar we zijn ook zover dat we containers met vrachtwagens laten rijden in plaats van met automatische wagens. Kijk, en dat is weer goed voor de werkgelegenheid. De haven blijft groeien; vroeger vonden we tweeduizend containers op een schip enorm, nu zijn het er soms achttienduizend. Die Rotterdamse haven blijft fascineren!”

We nemen afscheid van de goedlachse en immer positieve Ed. Met een grote, stevige handdruk, want je bent een havenwerker of je bent het niet. Morgen weer de handen uit de mouwen, nu eerst die foto bij de zussen afleveren.

0

Van thee naar LNG

Vorig jaar vierde Vopak het 400-jarig jubileum. In de dagen van weleer sjouwden de vemen thee en specerijen van de VOC-schepen naar de loodsen; nu houdt de multinational zich bezig met de op- en overslag van duurzame brandstoffen, drones en… yoga! Jan Bert Schutrops, divisie-president Vopak Nederland: “Je kunt als bedrijf alleen zolang bestaan als je jezelf continu opnieuw uitvindt in de bewegende markt.” 

Tekst: Karin Koolen
Geschreven in opdracht van: Onze Haven

“Veel van wat je hier ziet, lag in een eerdere vorm bij ons opgeslagen”, zegt Jan Bert. Hij tikt tegen het plastic van zijn laptop om aan te geven wat hij bedoelt. “En dit hier.” Hij houdt het zoutvaatje omhoog. Zijn punt is duidelijk; bij de grote opslagtanks in de Rotterdamse haven denken mensen vooral aan brandstof voor auto’s en schepen, maar in de tanks ligt ook de basis van producten die nodig zijn om de lunch te kunnen maken die voor ons op tafel staat. Om de ruimte te verwarmen en te isoleren. Voor de kleding die we dragen, de verf op onze muren, het dashboard in onze auto.

Het is mede dankzij de vooruitgang en deze dagelijkse producten dat het Nederlandse Vopak uitgroeide tot het grootste tankopslagbedrijf ter wereld. In maar liefst 25 landen verhuurt het bedrijf vandaag de dag tanks voor op- en overslag van olie, gas en chemicaliën. Maar het is niet de enige reden van de groei, meent Jan Bert. “We volgen trends en ontwikkelingen op de voet. Door intensieve samenwerking met professionals en partijen over de hele wereld, blijven we altijd op de hoogte.” Jezelf op het juiste moment, op de juiste plaats en voor het juiste product kunnen aanbieden als dienstverlener, dát is de kunst. En die keuze moet in één keer goed zijn. “Je kunt een terminal niet even verplaatsen.”

Sjouwers

Om de oorsprong en het succes van Vopak te kunnen begrijpen, moeten we terug naar de haven van Amsterdam in 1616. Het Blaauwhoedenveem was een samenwerkingsverband van vemen – ‘sjouwers’ – die scheepsladingen (thee, specerijen, stoffen) van de VOC naar de pakhuizen brachten. Begin negentiende eeuw ging het Blaauwhoedenveem zich ook bezighouden met opslag. Dit leidde in 1917 tot een fusie met Vriesseveem, waarmee het bedrijf Blaauwhoed ontstond. Weer vijftig jaar later fuseerde Blaauwhoed met Pakhuismeesteren. Pakhuismeesteren, in 1818 opgericht als specialist in opslag van thee, had in de tweede helft van de negentiende eeuw volop geprofiteerd van de groei van de haven en de toenemende vraag naar olie.

ER IS MAAR WEINIG
ZO DYNAMISCH EN VERANDERLIJK ALS DE MARKT EN DE HAVEN, WEET VOPAK ALS GEEN ANDER

De vloeibare opslag groeide uit tot een van de kernactiviteiten van het bedrijf, en ook opvolger Pakhoed specialiseerde zich hierin. Het internationaal opererende concern ontplooide uiteenlopende transport- en haven- activiteiten, maar hield altijd een focus op tankopslag, waarin het zich ontwikkelde tot wereldmarktleider.

Een belangrijke concurrent was Van Ommeren. Omdat de twee in Rotterdam gevestigde bedrijven regelmatig in elkaars vaarwater terechtkwamen, groeide het idee om de krachten te bundelen. In 1999 werd de fusie beklonken. Vopak was geboren!

Duurzaam

Er is maar weinig zo dynamisch en veranderlijk als de markt en de haven, weet Vopak als geen ander. Rotterdam is van oudsher een oliehaven, maar de uitstoot van stoffen die milieu en gezondheid schade toebrengen, moet verder beperkt worden. Duurzaamheid is het streven. En gaat het over duurzaamheid in de scheepvaart, dan gaat het over LNG, een van aardgas afgeleide vloeibare – en schonere! – brandstof als alternatief voor bijvoorbeeld stookolie.
Het beschikbaar maken van LNG als scheepsbrandstof, behoort tot een van de laatste grote investeringen van Vopak in Rotterdam. Alweer vijf jaar geleden investeerden Gasunie en Vopak in een grote LNG-importterminal, Gate terminal, voornamelijk om grootschalige import van gas in Noordwest-Europa mogelijk te maken. Rolf Brouwer, directeur van Gate terminal, legt uit: “Hierdoor kan Noordwest-Europa gebruik maken van gas vanuit de hele wereld en zijn we als samenleving minder afhankelijk van eigen gasvelden of bijvoorbeeld van de gaspijplijn met Rusland.” Om ook kleinschalige distributie mogelijk te maken, investeerden de Rotterdamse haven, Gasunie en Vopak in 2016 in een nieuwe haven én een derde steiger bij Gate terminal met speciale infrastructuur voor kleinere schepen. Passend binnen de visie van de Rotterdamse haven om LNG te promoten als scheepsbrandstof.

Toch zijn er momenteel weinig schepen die op LNG varen. Mede door de lage olieprijs van een tijdje terug stapten er tot nu toe minder schepen over dan gehoopt. “Begrijpelijk, het gaat om grote investeringen voor scheepseigenaren”, stelt Rolf. Desondanks werd besloten vast te investeren in de infrastructuur en zo een eerste stap te zetten in Rotterdam. De signalen uit de markt zijn positief, aldus de directeur. “Neem het cruiseschip Aida die momenteel wekelijks in hartje Rotterdam ligt. Als brandstof aan wal gebruikt het LNG, dat wordt geleverd via onze terminal.”

Hoofdpijndossiers

Tot zover de opslag, want er is ook nog de techniek. Hoe is het op dat vlak gesteld met innovatie? In het Vopak Innovation Lab houdt een team deskundigen zich fulltime bezig met één vraag: hoe kunnen we de innovatiekracht van Vopak versterken via nieuwe technologieën? We raken aan de praat met innovatiemanager Nataly Katan. “Drones die met precisie een tank van binnen inspecteren, zijn er al. Maar denk ook aan het gebruik van sensoren, of magneten om steigers vast te zetten.” Het Lab werkt veel samen met tech-start-ups en innovatieplatforms.

Nataly: “We hebben onlangs van alle terminalmanagers van onze locaties wereldwijd de ‘hoofdpijndossiers’ verzameld. Waar liggen ze ’s nachts wakker van? Dat hebben we gematcht met technologie.” Een voorbeeld is de steigerinspectie. “Tijdens een inspectie is een steiger afgesloten. Logischerwijs wil de terminalmanager dat zo kort mogelijk laten duren. Toevallig kwamen wij in PortXL een start-up tegen met een varende drone. Die hebben wij gekoppeld aan een bekende van ons, die een geweldige camera én een handige manier van beeldverwerking heeft.” De tijd dat een inspecteur op een vlot onder de steiger kroop, is binnenkort misschien verleden tijd. In de Botlek is de drone met speciale camera al onder de steiger doorgevaren voor een nauwgezette inspectie. Nataly: “Wie weet kan het straks bij al onze terminals!”

‘ELKE OCHTEND, VOOR DE WERKZAAMHEDEN VAN START GAAN, VERZAMELEN 800 MAN ZICH VOOR EEN YOGASESSIE’

Yoga

Met de tijd meegaan; dat hebben ze bij Vopak goed onder de knie. Maar ook op sociaal en cultureel vlak is er veel veranderd. Dienend leiderschap, een open blik en vooral een open hart voor mens en wereld; bij Vopak vertellen ze er graag over. Uiteraard, Vopak is een bedrijf dat winst wil maken. Jan Bert: “Anders besta je na een tijdje niet meer, maar we kijken ook op de lange termijn en willen iets teruggeven aan de mensen die voor ons werken.” Zo was er laatst een campagne om personeel aan het sporten te krijgen. Ter ere van het 400-jarig jubileum was het streven om 400 Vopakkers aan de start van de Rotterdamse marathon te krijgen. “Dat gaf ontzettend veel plezier en energie in de organisatie.”

Vooruit, nog een laatste voorbeeld. “Bij Vopak in Fujairah, in de Verenigde Arabische Emiraten, hebben we onlangs met onze partners nieuwe tanks gebouwd. We hebben hier al jaren een veiligheidsman; hij gelooft heilig in yoga om de juiste (veiligheids)focus te krijgen. Dus wat gebeurt er? Elke ochtend, voor de werkzaamheden van start gaan, verzamelen 800 man zich voor een yogasessie.”