Zondagskind van Zuid

Elf boeken: twee keer de prijs voor het Beste Rotterdamse Boek, een nominatie voor de Gouden Strop én een boekverfilming. We mogen trots zijn op onze Judith Visser (38). “Welnee joh”, zegt ze zelf. “Een medicijn tegen kanker uitvinden, dát is een prestatie. Maar een verhaaltje verzinnen… Get real!” De bescheidenheid zelve. Of is het Rotterdamse nuchterheid? Een openhartig gesprek over opgroeien en leven met Asperger, over de stad en het strand, haar (wolf)honden, boeken én haar moeder.

Tekst: Karin Koolen
Beeld: Petra van der Veer
Verschenen in: Gers! magazine #14

schermafbeelding-2016-10-04-om-20-28-47

Dinsdagochtend, half elf. Het is rustig in Badhotel Rockanje. De serveerster neemt de tafels af waar eerder mensen zaten te ontbijten. De donkerbruine lederen fauteuils rond de knetterende open haard doen winters gezellig aan. Je zou bijna vergeten dat het zomer is. Hier komt Judith Visser graag, schreef ze in de mail. Ze komt net binnen. Haar lange zwarte haren verwaaid na de strandwandeling die ze gemaakt heeft. Stevige wandelschoenen onder een skinny jeans en honden Sandy en Yuriko aan de lijn in haar rechterhand. Jongste telg Adrian, ja, uit de film Rocky, draagt ze in haar armen. “Negeer haar maar’, zegt ze. “Ze moet nog erg wennen aan mensen.” Vooruit, het is veelgevraagd om een pup van een paar weken oud te negeren, maar we doen ons best. We ploffen neer in een hoekje van het restaurant, de grote honden waakzaam naast haar stoel. Judith vraagt een bak water en bestelt voor zichzelf een kop thee.

Leuk, een interview voor Gers!, vond ze, want al woont ze inmiddels al jaren in Rockanje, ze is en blijft die Rotterdamse schrijfster. En daar is ze trots op. “Mijn boeken spelen zich altijd af in Rotterdam, meestal op Zuid. Ik vind het een leuk idee als mensen het Rotterdamse decor echt voor zich zien.”

Waar ben je momenteel mee bezig?

(lacht) “Ik zou nu aan mijn nieuwe boek moeten werken, maar in de praktijk ben ik hele dagen bezig mijn wolf op te voeden. Ik moet 24/7 op Adrian’s lip zitten. Maar mijn volgende boek is een autobiografische roman, over hoe een jong meisje uit Rotterdam-Zuid haar weg vindt in het leven en schrijver wordt.”

Een tipje van de sluier…?

“Ik ben vlakbij Slinge geboren. Mijn moeder was huisvrouw, mijn vader werkte als postbezorger. Ik zat vaak op mijn moeders schoot terwijl ze een boek las en besefte; door naar die kleine tekens te kijken, ontstaat er een verhaal in je hoofd. Dat vond ik zó fascinerend! Zo leerde mijn moeder me lezen en schrijven – ik was toen drie jaar oud. Vanaf dat moment verslond ik de boeken van De Vijf, over vier kinderen en een hond die mysteries oplossen. Eenmaal op de kleuterschool moest ik ineens met blokken spelen. Vreselijk. Mijn moeder gaf me daarom een boek mee, maar de juf pakte het af – ze geloofde niet dat ik kon lezen. Dat hakte erin. Ik was namelijk heel onhandig, kon op mijn achtste pas veters strikken, maar lezen kon ik wél.”

Pas twee jaar geleden werd Judith gediagnosticeerd met Asperger. “Niemand had ooit van Asperger gehoord”, vertelt ze. “Ze dachten dat ik dom was. Tot mijn vierde had ik weerzin om te praten. De kleuterschool was voor mij een verschrikking; lawaaierig, al die kinderen! Op de eerste dag liep ik weg van de herrie. Ik ging op de wc in het wijkgebouw zitten, niet snappende dat iedereen in paniek was. Ik voelde me vaak verkeerd begrepen. Mijn ouders begrepen me wel. Ze wisten niet wat Asperger was, maar ze wisten wel wie Judith was. Ik zat lekker vaak op mijn kamer, met een boek en mijn hond.”

‘Mijn ouders begrepen me wel. Ze wisten niet wat Asperger was, maar ze wisten wel wie Judith was’

Maar het aanpassen in de ‘echte wereld’ was moeilijk, bekent ze. “Je kunt je niet altijd afzonderen. Tijdens de middelbare school zat ik dagen te lezen in de grote bibliotheek. Ik houd van dat gebouw. Zo machtig, met die roltrappen. Ik slaagde trouwens met een 10 voor Engels en Nederlands.”

Waarom nu een autobiografie?

“Wie zit er op te wachten, dacht ik nog. Maar steeds vaker kreeg ik de vraag om mijn eigen verhaal te schrijven. Mensen horen graag hoe iemand met een stoornis in het autismespectrum slaagt iets te bereiken, dromen waar te maken. Ik hoop nu maar dat mensen er iets van kunnen leren. Het gaat ‘Zondagskind’ heten – ik ben op zondag geboren en vertrouw er altijd blind op dat alles goed komt.”

Hoe is het om in je eigen verleden te duiken?

“Het zijn interessante wandelgangen waar ik doorheen loop in mijn hoofd. Ik heb geen moeite met dingen die gebeurd zijn, maar vind het soms wél frustrerend om het op te schrijven, omdat ik het nu anders zou doen. Ik ben een herschrijver. Was dit een schriftelijk interview, dan zou ik mijn antwoorden zes keer herschrijven. Maar wat ik nu zeg, is gezegd. In het echte leven kun je niet herschrijven. En voor mijn autobiografie moet ik waarheidsgetrouw blijven. Soms wilde ik weleens dat ik in één keer het juiste zei en deed in het leven. Mij overvalt alles; ik heb niet de rust om dingen eerst te verwerken. Achteraf had ik het altijd anders willen aanpakken.”

Judith kijkt ondertussen naar de hond die binnen komt – gaat het goed? Het gesprek komt via een korte omweg op agressieve honden die een andere hond aanvallen. “Je moet een vinger in de anus van de aanvallende hond steken. Dat klinkt ranzig, maar het werkt echt.”

“Terwijl wij hier zitten te praten, hoor ik de koffiemachine, gerinkel van bestek, mensen lopen in en uit – dat is uitputtend”, bekent Judith. “Ik ben snel overprikkeld en moe en kan niet goed onder de mensen zijn. Na dit interview ga ik thuis twee uurtjes op bed liggen; gordijnen dicht en rusten. Dat vinden mensen weleens raar.”

Joh…

“Geeft niks. Dat plan ik zo.”

Ze wijst op haar Tsjecho-Slowaakse wolfhond Yuriko, die trots en fier naast haar zit. “Zij daarentegen is gek op drukte. Daardoor kan ik er ook beter tegen. Stiekem is ze mijn hulphond – ze gaat mee naar lezingen en feestjes. Dan ben ik er wel, maar gezellig met haar en dat geeft rust. Daardoor kan ik ook wat vaker gaan.”

v1b8227-2

In 2010 ben je van Rotterdam naar Rockanje verhuisd. Voor de rust?

“Ik ben het rare zwarte schaap dat in Rockanje is gaan wonen – haha. Ik kwam hier al mijn hele leven om tot rust te komen. Ik hoopte hier op een dag te wonen, in een vrijstaand huis aan het strand. Dat is gelukt! Weet je wat grappig is? Laatst onderzocht ik mijn stamboom en toen bleken er voorouders van mijn moeders kant uit Rockanje te komen – dat wist niemand.”

Mis je de stad?

“Ik mis de pizza’s van Il Carretto! We rijden er nog steeds voor op en neer. Maar serieus, je mist iets wanneer je iets kwijt bent en ik ben de stad niet kwijt. Ik kom er regelmatig en word nog steeds als Rotterdamse gezien, maar ik ga nooit meer weg uit deze duinen.

‘Ik houd van Rotterdam. Niet van de Lijnbaan op zaterdagmiddag, wél die van dinsdagochtend’

Ik houd van Rotterdam. En dan niet van de Lijnbaan op zaterdagmiddag, wél die van dinsdagochtend. Vijf uur ’s middags Rotterdam CS; wat een gekkenhuis! Ik woonde hiervoor in een flatje op Zuid boven iemand die de hele dag gabber draaide. Stadswachten die snauwden dat mijn honden niet los mochten in het Zuiderpark – allemaal redenen om te gaan. Maar ik loop graag over de Erasmusbrug met Yuriko. Paddy Murphy’s is overdag mijn favoriete stekkie. Lekker aan zo’n tafeltje, beschut en donker; dan voel ik me alleen op de wereld. Zo geniet ik van het stadsgevoel. Al ben ik altijd blij als ik weer thuis ben.”

Waar haal jij de inspiratie vandaan voor je verhalen?

“Vaak zijn het dingen die ik zie of hoor. Die schrijf ik bewust niet op – als een idee niet blijft hangen, is het niet goed. Als ik er na een maand nog steeds aan denk, dán ga ik het serieus nemen. Zo zag ik bij Oprah Winfrey een vrouw die haar haren uittrok; dat verwerkte ik in ‘Stuk’. En in elke klas zit wel een Yvanka zoals in ‘In seizoenen’, zo’n vroegrijpe lolita die op haar twaalfde al relaties heeft met oudere mannen. Ik vond het leuk om vanuit zo’n man te schrijven.”

Het creëren van iets dat begon met een ideetje in jouw hoofd is geweldig, zegt Judith. “Als het af is dan, de fase daarvoor is ruk. Ik doe het nooit meer, denk ik dan. Maar dan is er alweer een nieuw idee ontstaan…”

Wat verwerk je van jezelf in de personages?

“Al mijn hoofdpersonen zijn vegetariër. Ik kan niet schrijven vanuit iemand die een gehaktbal eet. En de ik-persoon heeft altijd een huisdier.”

De ik-persoon raakt ook vaak van het padje…

“Het is toch niet leuk om te schrijven over iemand die keurig binnen de lijntjes blijft? Je kunt heerlijk losgaan in het schrijven over mensen die ontsporen. Ik hou van antihelden, dat je als lezer meeleeft met de ik-persoon en ineens denkt; shit man, wat doet-ie nu? Ik kon vroeger ook erg doorslaan in interesses, zag dingen die er volgens anderen niet waren. Ik heb getwijfeld of ik dit op wilde schrijven in ‘Zondagskind’, maar toen dacht ik; fuck it, waarom niet? Iedereen is wie hij is en heeft dingen gedaan die ze misschien nooit durven zeggen. Zo had ik tot mijn achttiende een imaginary friend waar ik heel ver in ging. Mijn theorie was: elke zondag zitten de kerken vol, is dat geen imaginary friend? Ik ben tenminste origineel.”

‘Elke zondag zitten de kerken vol, is dat geen imaginary friend? Ik ben tenminste origineel’

Hoe is het voor een ‘herschrijver’ om eigen boeken terug te lezen?

“Moeilijk! (lacht) Ik heb thuis ook geen enkel boek van mezelf op de plank staan. Ik voel altijd een afkeer van wat ik eerder schreef. Oh mijn god, denk ik dan, dat hebben zoveel mensen gelezen! In mijn hoofd is het verhaal perfect, maar zo krijg je het nooit op papier. Echter heb ik niet de middelen om tien jaar over een boek te doen, dus op een gegeven moment moet het ook gewoon af. Ik wil het verhaal dan ook de wereld in hebben. Maar bijvoorbeeld Tegengif, achteraf heb ik spijt dat ik alle hoerenlopers als vieze, foute types neergezet hebt. Ik zou nu een andere insteek kiezen. Overigens is mijn laatste boek In seizoenen nog heel vers, daar kan ik nog mee leven…”

Dat was ook deels autobiografisch, gebaseerd op jouw moeders strijd tegen kanker.

“Ik heb alleen wat namen veranderd en gebeurtenissen en karakters gewisseld om het beter in een vorm te krijgen. Maar inderdaad, ‘Annabel’ is wel echt mijn moeder ja.”

Knap, die openheid…

“Weet ik niet. Ik schrijf, verder kan ik niks. Ik vind het knap als mensen alles kunnen, of kunnen tekenen. Mijn moeder schilderde huisdieren met olieverf aan de hand van foto’s die ze kreeg. Schitterend! We hebben allemaal een hand en een penseel, maar de één kliedert maar wat en de ander maakt kunst.”

Schrijven ook; je hebt allemaal een toetsenbord en tien vingers.

“O ja.. dat is waar. Ik schrijf trouwens met de hand. Daarna typ ik alles over. Ik kan me niet concentreren achter een laptop – die berg ik, samen met mijn telefoon, op in de keuken. Gordijnen dicht, oordopjes in, kleermakerszit op de bank, kussens op schoot, pen en papier en aan elke kant een hond. Zo zit ik erbij.”

v1b8309

Wat maakt het schrijverschap voor jou mooi?

“Schrijven is een manier om te uiten; je wordt gehoord, je kunt kwijt hoe je naar dingen kijkt. Maar het allerfijnste vind ik het alleen zijn. Dat kan met weinig beroepen. Mijn dagen zijn heel voorspelbaar; ik sta vroeg op, trek een uur uit voor mijn ontbijt, neem een douche en ga wandelen met de honden. We lopen elke ochtend tien à vijftien kilometer, iedere keer een andere route om ze scherp te houden. ’s-Middags lopen we weer zo’n afstand.

Je leeft dus heel solitair. Maar je bent ook – sinds 2010 – getrouwd?

“Ja. Soms best moeilijk voor mijn man. Ik houd ontzettend veel van hem, maar vind het ook elke dag moeilijk als-ie thuiskomt. Dat verstoort de rust. Dat klinkt gemeen – zo bedoel ik het niet, want hij is geweldig. Maar het beeld van de tv, het geluid van zijn telefoon… Ik wil er niet over zeuren, maar ik besef ook dat ik niet niet kan zeuren. Zonder zeuren zou ik er vandoor gaan. Dan trek ik me terug. Als kind zat ik ook alleen op mijn kamer terwijl ik hele lieve ouders had. Als hij er niet was zou ik alleen zijn. Ik heb geen relatie nodig om gelukkig te zijn.”

‘Ik heb geen relatie nodig om gelukkig te zijn’

Wat verbindt jullie?

“Liefde. En humor! We ontmoetten elkaar in 2006 en hebben sindsdien bijna elke dag gelachen. Maar soms gun ik hem een vrouw die makkelijker is. Dat hij vrienden uit kan nodigen thuis, een vrouw die meegaat naar zijn Harley-club. ‘Zou je niet liever…’ ‘Nee’, zegt hij dan. ‘Ik houd van jou.’ Ik geloof hem maar. Hij probeert mij te begrijpen en daar mag ik me gelukkig mee prijzen. En ik pas me ook aan; vroeger werkte ik alleen maar ’s nachts, nu alleen overdag.”

Lees hij jouw boeken?

“Hij leest alleen mijn boeken – daar doet hij dan een maand over. Over In seizoenen deed hij langer. Hij heeft het ziekteproces van mijn moeder van heel dichtbij meegemaakt en vond het moeilijk om alles terug te lezen. Mijn moeder overleed vier jaar geleden, toen ze 59 was. Dat slaat natuurlijk helemaal nergens op.”

In het boek zijn de ouders gescheiden…

“Mijn eigen ouders zijn nooit gescheiden. ‘Sorry pap, in het boek ben je homo en woon je in Spanje’, moest ik zeggen. Hij mist haar erg, maar zorgt wel goed voor zichzelf en het huis. Ik vind het moeilijk om daar te zijn hoor, ik verwacht bijna nog steeds dat ze daar op de bank zit en thee zet. Vroeger zwaaiden mijn vader en moeder ons samen uit, nu staat hij alleen voor het raam. Mijn ouders hadden grote plannen voor hun pensioen; nu is mijn vader met pensioen en hij zit thuis.”

Hoe was de band met jouw moeder?

“Elke dag even bellen. Ik ben in mijn jeugd altijd heel vrij gelaten; ze had echt vertrouwen in me en accepteerde me onvoorwaardelijk. Dat is een bijzondere manier van opvoeden geweest. Daardoor heb ik het gevoel dat alles kan.

Ze kwam hier in Rockanje ook elke maand mijn tuin doen – die heb ik sinds haar overlijden niet meer gedaan. Ook geen ramen gezeemd trouwens… Maar weet je, ergens is iets van haar achtergebleven. Dat voel ik en daardoor kan ik er goed mee omgaan. Ze is niet weg; wij zien haar alleen niet met onze beperkte blik. Wij begrijpen alleen wat we zien en zelfs dat niet altijd.”

Haar moeder was haar grootste fan, vervolgt Judith. “In boekwinkels haalde ze verhaal als mijn boeken er niet lagen. Nu heb ik spijt dat ik dan een beetje boos op haar werd – ik vond het gênant. Dit interview zou ze uitgeknipt hebben. Ik doe dat niet, maar mijn ouders zijn zo trots. In hun ogen is het heel wat als je schrijft en prijzen wint.”

Is het dat niet?

“Nee. Ik hoop dat ik ooit iets bereik en trots kan zijn. Misschien dat wat ik nu schrijf – maar mijn thrillers waren vooral sensatie en voor de lol – nu richt ik me echt op romans. Als iemand een medicijn tegen kanker uitvindt, dat vind ik een prestatie, maar een verhaaltje verzinnen? Get real. Mijn moeder kon heel mooi schilderen, daar maakte ze mensen ook blij mee. Mensen hebben dat aan de muur hangen. Ik ook trouwens. Mijn schilderij van mijn vorige hond en Sandy zou ze van de muur halen en dan zou ze Yuriko en Adrian erbij geschilderd hebben…”

schermafbeelding-2016-10-04-om-20-24-02

Heb je zelf trouwens een kinderwens?

“Nee. Ik zou me helemaal in het moederschap verliezen en nooit meer een boek schrijven. Ik vind kinderen leuk, maar er is een beperkte tijd dat ik ze kan hebben. Om het weekend logeert mijn stiefdochter bij ons en ik doe mijn best een leuke stiefmoeder zijn. Maar ik vind het prima dat het hier ophoudt; ik plant me voort met mijn boeken.”

‘Wil je als volwassene gelukkig zijn, moet je de dingen doen die je als kind gelukkig maakten’

Ben je gelukkig?

“Wil je als volwassene gelukkig zijn, moet je de dingen doen die je als kind gelukkig maakten. In mijn jeugd liep ik al graag met de hond. Als je dat maar onthoudt en blijft doen, dan ben je denk ik gezegend en gelukkig. Veel mensen verliezen zich in hoe het hoort en wat er verwacht wordt.

Ik heb een leven om me heen gebouwd waarin ik heel gelukkig ben en waarin ik heel goed functioneer. Een klein sociaal leven; alles wat daarbuiten valt trek ik slecht. Soms ontkom je echter niet aan de echte wereld – wanneer ik dan toch iets van die echte wereld moet ondergaan, word ik labiel. Maar 90% van de tijd leef ik in die andere wereld – en die is heel prettig.”

En toch schrijf je juist over die echte wereld.

“Die fascineert me en ik heb het allemaal gezien in Rotterdam. Ik ben een observant; in een grote groep zit ik in een hoekje, maar ik hoor en zie alles – eigenlijk net als Juriko. Zo maak je veel meer mee dan wanneer je in massa staat te kletsen. Mensen zijn fascinerend – ieder mens is een personage en als schrijver vergroot je alles uit. Alles wat ik observeer stapelt zich op en vormt zich in een verhaal.”

Wat is nog jouw grote droom?

“Ooit dat ene boek schrijven waar ik echt trots op kan zijn. Waar ik 10 jaar mee bezig ben! Angelas’s Ashes of Uncle Tom’s Cabin zijn mijn favoriete boeken. Als ik me vergelijk met zulke grote schrijvers is wat ik doe kinderspel. Tien jaar geleden kon ik nog leven van mijn schrijfwerk, maar door het illegaal downloaden en het verdwijnen van boekhandels lukt dit niet meer. Nu doe ik vertaalwerk om in mijn inkomen te voorzien. Dat is best fijn, want ik hoef niet langer commercieel te denken. Ik schrijf nu voor mezelf.”


https://gersrotterdam.nl/verhalen/rotterdammers/599/zondagskind-van-zuid

Kwispelen en lebberen in de paskamer

Ik was eigenlijk nooit een hondenmens. Ik vond honden wel leuk, daar niet van, maar opgegroeid met een kater en een poes was ik meer ‘van de katten’. Inmiddels kan ik me geen leven zonder hond meer voorstellen. Of beter gezegd: geen leven zonder Scoop.

De eerste keer dat ik Scoop zag was hij net vier jaar. Ik zat boven achter de computer. Eric had Scoop net opgehaald bij zijn ex-vriendin en het hondje kwam als een dolle naar boven gerend. Al kwispelend en lebberend sprong hij tegen me op. Nice to meet you, girl! Ik gaf hem plichtgetrouw een paar aaitjes, maar ik vond hem vooral een drukteschopper en een handenbinder. Eerlijk is eerlijk, ik moest best even wennen.

Keihard gillen, ‘help’ roepen en zodanig aan Scoops lijn trekken dat hij door de lucht zwierde

Kameraad
Dat wennen ging snel. Scoop kwam steeds vaker bij ons logeren (hij woont hier nu permanent sinds twee jaar) en in de tijd die we samen besteedden groeide er een heuse band. Toen ik hem in één van die eerste weken uitliet, werd hij gegrepen door een grote hond. Onervaren als ik was raakte ik in paniek en deed ik precies het verkeerde: keihard gillen, ‘help’ roepen en zodanig aan Scoops lijn trekken dat hij door de lucht zwierde. De grote hond erachteraan. Toen ik thuiskwam – Scoop was godzijdank ongedeerd – barstte ik in huilen uit. Dat moest dus anders.

Inmiddels ben ik een hondenmens. Ik houd van alle honden, maar het allermeest van Scoop. Scoop is mijn vriendje, mijn liefie, mijn boefje. Mijn kameraad. Kom je aan hem, dan kom je aan mij. Mensen die niets van Scoop moeten hebben, hebben een streepje tegen. Ik heb hem het liefst altijd bij me. Het is dat Eric niet wil dat Scoop bij ons in bed slaapt, anders lag-ie daar ook.

Maar goed, daar gaat dit verhaal eigenlijk niet over. Ik heb namelijk weer een avontuur voor jullie.

Hondenpoep en galajurken
Een tijdje terug ging ik naar het winkelcentrum in Berkel. Scoop mee. Dat is niet handig nee, en uiteindelijk ook niet gezellig, maar ik doe het iedere keer weer. Ik parkeer de auto, lijn Scoop aan en samen lopen we tig keer heen en weer over het nabijgelegen grasveldje van twee bij twee vierkante meter. Er komt niks. Pas als we middenin het winkelcentrum staan vindt Scoop het tijd om een mooie drol te draaien. Natuurlijk heb ik geen zakjes bij me. Zo zijn er al een paar linnentasjes gesneuveld en nu heb ik niets anders bruikbaars bij me dan een haarband. Nou ja, toch een oud ding.

Hij kijkt me aan met grote ogen, alsof hij niet kan geloven dat ik hem hier moederziel alleen achterlaat

Ik ben trouwens onderweg naar mijn favoriete kledingzaak. Zo’n winkel die eigenlijk veel te duur is, maar waar je wel van die fijne koffie krijgt. Deze week is er uitverkoop. En ik heb vanavond een gala. Soms waait de wind mee.

Ik zet Scoop vast aan een paaltje vlak naast de ingang. Hij kijkt me aan met grote ogen, alsof hij niet kan geloven dat ik hem hier moederziel alleen achterlaat, op deze door godvergeten plek. Ik haast me naar binnen. Scoop is alweer afgeleid door een stukje koek op de grond, waar hij potverdorie net niet bij kan.

Ieniemienie boxertjes
Ik dwaal door de kledingrekken. Mijn oog valt op de perfecte little black dress. Zwart (duh…), kokerrok, soepel vallend bovenstukje, driekwart mouw. Helemaal goed. Op naar de paskamer!
Ik ken het winkelmeisje inmiddels een klein beetje. Ze heeft ook honden. Af en toe schuift ze haar telefoon langs het gordijn de paskamer in om foto’s te laten zien. Twee franse bulldogs. Je kent ze wel, die ieniemienie boxertjes waarvan sommigen vinden dat ze zo’n ‘schattig’ snurkend geluid maken, terwijl ze in feite doorlopend in ademnood verkeren omdat de snuitjes te kort zijn gefokt. Het zogenaamde ‘kortsnuiten-syndroom’, noemen dierenartsen dat. Die van haar hebben daar geen last van, zegt ze.

Ik vertel over Scoop.
“Waar is-ie nu?”, vraagt het meisje, terwijl ze onderwijl een foto van haar hondjes op het logeerbed van haar ouders tevoorschijn haalt.
“Buiten. Hij zit voor de deur.”
Uit de verrukte oh’s en ah’s begrijp ik dat ze naar het raam is gelopen en Scoop ziet zitten.

“Ohhh. Aahh. Hij mag wel naar binnen hoor!”, zegt het meisje.
Dat is natuurlijk altijd goed nieuws.
“Oké, super!”, zeg ik – ik ben altijd blij als dolle dwaze Scoop ergens rond mag rennen. “Haal ‘m maar dan.”

Het winkelmeisje rent met gestrekte armen achter Scoop aan

Het meisje loopt naar buiten. Ik werk me ondertussen uit het zwarte jurkje – dat als gegoten zit en nu al mijn lievelingsjurkje ever is. Ik had misschien even moeten vertellen dat ze Scoop niet zomaar los kan maken, bedenk ik.
Ik roep.
Maar ik ben al te laat.

“Ho, stop! Blijf! Kom hier, hondje! Kom maar!”, hoor ik het meisje roepen.
Ik doe het gordijn opzij en zie Scoop nog net voorbij de ingang rennen. Het meisje rent er met gestrekte armen achteraan. Door dat stukje koek van net heeft Scoop gemist waar ik naar binnen ging, maar hij is vastberaden om me te vinden. En dat gekke mens van zich af te schudden. Altijd zo aandoenlijk als-ie naar me op zoek is. Om te janken zo lief. Ego-strelend ook. Ze zeggen weleens dat hondenmensen, meer dan kattenmensen, behoefte hebben aan waardering en erkenning en genieten van de onverdeelde aandacht en loyaliteit die een hond hen geeft.
Anyway…

Chemie!
“Hij gaat ervandoor.” Er klinkt al lichte paniek in haar stem.
Ik trek mijn little black dress weer omlaag en ren nu ook naar buiten. Scoop is net de naastgelegen winkel voor grote maten ingehold. Dat neem ik hem trouwens nog steeds kwalijk. Waarom zou ik daar in hemelsnaam binnen zijn?
Eenmaal verzekerd van het feit dat ik er niet ben, rent-ie de opticien aan de overkant binnen. Dan de kledingwinkel ernaast. Net als hij zijn snuit in het pashokje steekt, ben ik bij hem. Kwispelend en lebberend springt hij tegen me op. Dolgelukkig is-ie, nu de roedel weer een stukje completer is. Mission accomplished. Go, Scoop!

Ik reken het jurkje af (niet vijftig, maar zeventig procent korting. Yeah!) en wandel nog even richting Albert Heijn. “Jullie staan zo goed bij elkaar”, zegt een oudere vrouw die langsloopt. Ze voorziet Scoop van de nodige hondenkoekjes, die hij uiteraard met smaak opeet. “Jullie hebben echt een chemie, het past helemaal bij elkaar.”
Die steek ik in mijn zak. Daar kan geen jurkje tegenop!

Scoop lust ze rauw

Scoop is te dik. En hij stinkt. Althans, dat zegt mijn vader. Ik vind natuurlijk van niet. Scoop is volslank en hij ruikt naar bosviooltjes. Maar, toegegeven, onze Engelse cockerspaniël – blauwschimmel met tan – mag best wat fitter worden. Met die gedachte stapte ik vanmiddag, na een twee uur durende boswandeling, met Scoop de dierenwinkel in. Mijn missie: Scoop aan het vers vleesvoer!

Met brok- en blikvoer doe je je viervoeter tekort, zo stelt de vers vleesvoermaffia. En daar zit natuurlijk wat in, want vers vleesvoer bevat veel goede bacteriën, ‘verzuurt’ het maagzuur en is minder belastend voor de organen. Soms geef ik Scoop rauwe kipfilet, of een halve runderlap. Vaak meer noodzaak dan overtuiging. Nu is het tijd voor het echte werk.

Een meisje met een zwarte paardenstaart gaat me voor naar de vriezer achterin de winkel. “Ik zou beginnen met de hamburgers”, adviseert ze me, terwijl ze een pak lamb and rice uit de bak haalt. Op de doos staat een Berner sennen, blakend van gezondheid. “Het is, zeg maar, één hamburger per vijf kilo gewicht.” Ze kijkt naar Scoop. “Hoeveel weegt hij?” “Zestien kilo.” “Nou, dan mag hij dus drie hamburgers.” “Per dag?” “Per dag.” “Hij eet ’s morgens en ’s avonds.” “Dat is dus ’s morgens anderhalf en ’s avonds anderhalf.” Duh. Het meisje, zelf baasje van een Golden Retriever die alleen maar rauw eet, raakt op dreef. Ik krijg een stortvloed aan informatie, tips en voedingsprotocollen over me heen. Godzijdank is er google.

Niet te versmaden kippennekken, kippenmaagjes en gedroogde vissenhuiden

Dit is wat ik ervan onthouden heb: Nooit ontdooien in de magnetron – “Je hele keuken gaat er van stinken.” Gewoon voor het slapen gaan de porties voor de volgende dag uit de vriezer halen en op een bordje in de koelkast leggen. Om Scoops darmen te laten wennen aan het rauwe voedsel is het verstandig om de hamburgers de eerste dagen (of waren het weken?) te overgieten met kokend water om de bacteriën te doden (die waren toch juist goed? Of komt dat pas later?). Niet schrikken als het maaltje hap slik weg is, er hoeft nu eenmaal minder gekauwd te worden. Na een actieve dag (lees: veel rennen in het bos en spelen met andere honden) mag ik de maaltijd aanvullen met gekookte of gepureerde groenten, bijvoorbeeld sperziebonen of bloemkool. Nooit ui, knoflook of prei en liever ook geen tomaat, paprika, champignons of aubergine. Af en toe een rauw ei is een perfecte aanvulling op het hondendieet, evenals éénmaal per week vette vis. Ben je eenmaal met vers voer begonnen, wees dan voorzichtig met brokken. ’s Morgens vers, dan ook ’s avonds vers – en vice versa -, anders kan je hond maag-darmklachten krijgen. “Er moet minimaal acht uur tussen vlees en brok zitten”, zegt het meisje. Ik bedenk me dat er gemiddeld elf uur tussen Scoops ontbijt (07.00 uur) en zijn avondmaal (18.00 uur) zit, maar geloof het verder wel. Het advies is voorlopig: vrijdag, zaterdag, maandag en woensdag vlees. De rest van de week schaft de pot brokken. Zo blijft het ook een beetje betaalbaar. Want vijftien euro voor een pak lijkt mee te vallen, tot je beseft dat je daar – mits dagelijks gebruikt – net een week mee doet.

Ik loop de deur uit met een paar pakken Prins TotalCare Hond, een sample van een nieuw soort brok (“Als je dan brokken geeft, geef dan deze – graanvrij”) en een handvol gezonde ‘lekkernijen’; kippennekken, kippenmaagjes en de niet te versmaden gedroogde vissenhuiden.

Nooit geweten dat hondenvoer een wetenschap was. En dan stel ik het voer nog niet eens zelf samen. De vriezer ligt vol, Scoops avondmaal (met gepureerde sperziebonen) staat op het aanrecht te ontdooien en een stuk vissenhuid ligt hier naast me te stinken. Meneer had er halverwege genoeg van. Ach ja, alles voor het hondje, hè?

image

Scoop op het strand van Kijkduin: to the rescue!

Af en toe post ik een blog in de rubriek ‘avonturen met Scoop’. Deze aflevering: Scoop op het strand van Kijkduin. Geen water is hem te diep!

Donderdagochtend, 09.15 uur. Ik parkeer mijn auto bij strandslag 2 en open het portier. Er waait een pittig windje en de temperatuur is net een paar graden boven nul. Niet verwonderlijk, op 16 januari. Het weerhield mij niet van een dagje strand. Soms moet een mens gewoon even richting zee en Scoop vergezelt me maar al te graag. Ik rits mijn jas dicht en laat mijn hondje uit de auto. Hij kent de weg en huppelt al snuffelend de duinen in.

1601232_672656646130556_1079436771_nHet is eb, en de waterlijn is nog maar nauwelijks zichtbaar. Recht voor ons ligt een enorme plas water die de weg naar zee verspert. Een hindernis die we moeten overkomen, want een strandwandeling zonder langs de zee te lopen, is eigenlijk geen strandwandeling. Scoop en ik hebben de hele dag voor ons en maken ons op voor een flinke wandeling. Waar ik normaliter rechtdoor naar de waterlijn zou lopen, loop ik nu naar links om aan de overkant van de plas te komen.

Scoop kwispelt nog steeds, maar is inmiddels ook gefrustreerd aan het piepen

Het is nog een hele tocht door het zachte zand. Als we een half uur later bij zee aankomen, bereikt ook Scoops blijdschap een hoogtepunt. Hij blaft, springt en rent, om vervolgens als een dolle stier rondjes om zijn eigen as te draaien. Zo lopen we samen verder, tot we halverwege de plas zijn. En daar begint ons avontuur. Aan de overkant van de plas, op de plek waar wij het strand op kwamen, lopen een man en een vrouw met drie hondjes. Leuke hondjes – dat zie ik zelfs van deze afstand. Speelse terriërs. Scoop ziet ze ook. Stokstijf kijkt hij uit over de plas, zijn voorpootjes al in het natte zand. Alleen zijn staart zwaait van links naar rechts. “Kom maarrr, jongen!”, roep ik, terwijl ik doorloop. Geen reactie. Ik draai me om. Scoop staat nog op dezelfde plaats. Hij kwispelt nog steeds, maar is inmiddels ook gefrustreerd aan het piepen. Voorzichtig zet hij zijn rechterpoot in het water. “Scoop, hier!”, roep ik nog een keer. Hij zal toch niet het water ingaan? Maar ik ben al te laat. Dappere Scoop, bepaald geen waterratje, trotseert de kou en is nu helemaal in het water. Hij zwemt en zwemt, en zijn oren drijven op het wateroppervlak. De plas is op dit punt een meter of zes breed. Terwijl Scoop aan de andere kant uitstapt en het water van zich af schudt, sta ik even perplex.

Ik aan de ene kant van de plas, Scoop aan de andere. Foute boel, dringt het tot me door. De terriërs kunnen de stunt wel op prijs stellen en het viertal speelt alsof het de laatste keer is. Rennen en stoeien, en onderwijl probeert Scoop zijn nieuwe speelkameraadjes te berijden – waar hij wonderwel in slaagt. Wat zijn mijn opties? Om de plas heenlopen naar het punt waar Scoop is kost me zeker twintig minuten. Voor de vorm roep ik nog wat in de trant van ‘Scoop’, ‘hierrr’ en ‘kom maarrr’, maar het is zinloos. Als Scoop al terug wil komen, betwijfel ik of hij weer de oversteek maakt. Ik probeer contact te krijgen met het stel aan de andere kant van de plas -misschien kunnen ze Scoop een zetje in het water geven?-, maar ze negeren me. Bij de puppycursus leer je om ‘lelijk’ te doen tegen andermans honden die zojuist de benen genomen hebben. Zo help je het baasje te hond terug te krijgen. Dit tweetal doet niet lelijk tegen Scoop, ze negeren ‘m gewoon. Goed, wat nu? Krijg ik Scoop zover om met me op te lopen, ik aan deze kant van de plas en hij aan de overkant? Hij werpt me af en toe een blik toe, waarmee hij lijkt te zeggen: “maak je niet druk joh, ik ben gewoon hier. Ik vermaak me uitstekend!” Hoe diep zou die plas eigenlijk zijn?

‘STOP!’, roep ik onderweg naar het stel, die de ernst van de zaak nu pas op lijkt te merken

Veel tijd om hierover na te denken krijg ik niet. Het stel aan de overkant lijkt een einde aan hun strandwandeling te willen maken en loopt richting de duinen. En Scoop, nog lang niet uitgespeeld, gaat erachteraan. Wil ik vanavond weer met mijn hondje op de bank liggen, moet ik nu wat ondernemen. Zonder er verder over na te denken stap ik de plas in. Met grote passen banjer ik door het water. “STOP!”, roep ik onderweg naar het stel, die de ernst van de zaak nu pas op lijkt te merken. Het water komt tot mijn liezen en door de wind is het nog best even aanpoten. Eenmaal op het droge sprint ik naar Scoop toe. Die blijft gelukkig staan, zodat ik hem snel aan de lijn kan doen.

Nat, koud en opgelucht loop ik richting de boulevard. In mijn Uggs zit zoveel water dat ik verbaasd ben dat er überhaupt nog een plas over is. Ik wil een kop koffie, en eigenlijk heb ik ook wel een pannenkoek verdiend. “Wauw zeg, wat ben jij stoer!”, klinkt het ineens achter me. Een oudere man klapt verrukt in zijn handen. “We zagen je al staan, daarzo. Ik zeg tegen mijn man ‘nou, dat wordt nog lachen’. En daar ging je hoor. Prach-tíg, was het!” Zijn man valt hem bij. “Je ging echt als zo’n prinses door het water. Een hele stoere prinses die haar hondje kwam redden!”

“Je ging echt als zo’n prinses door het water”

Blij met het compliment en curieus naar de link tussen mij(n actie) en een prinses, zit ik even later aan de koffie. Scoop krijgt een bak water en een handvol hondenkoekjes van de serveerster. Hij heeft er immers een halve hondentriatlon opzitten. Via het fietspad lopen we terug naar de auto. Het is inmiddels gaan stormen en de regen valt met bakken uit de lucht. Maar ja, wat kan ons het schelen. Eén ding is zeker: never a dull moment met ons lieve, ondeugende, eigenzinnige en knotsgekke vriendje!

In het holst van de nacht…

Een moment word ik overvallen door blinde paniek. Op handen en knieën woel ik door het natte gras, intens hopend dat ik geen hondendrol te pakken krijg. Ondertussen verdwijnt Scoop steeds verder uit het zicht en hij lijkt doof te zijn voor mijn geroep. Ik kan mezelf wel voor de kop slaan. Hoe kon ik nou zo stom zijn?

Het leek juist goed te gaan. Eric zit voor zaken in Las Vegas en ik heb het dag- en nachtritme in huis op de schop genomen. Om pakweg 01.00 uur loop ik het laatste rondje met Scoop. Zodoende kan ik ’s morgens een beetje uitslapen voordat hij weer begint te piepen. Na middernacht zijn de straten uitgestorven, vrij van verkeer. En dus besloot ik om Scoop los van de riem te laten. Dat ging al een paar dagen goed. Verrast was ‘ie, toen zijn riem ineens losgemaakt werd halverwege de wandeling. We waren immers niet in het bos. Hij maakte wel wat omwegen, maar als ik riep bleef hij prompt stilstaan. De dag erna liep hij zonder riem de voordeur uit. Ging perfect! Geen getrek en gesjor aan de riem meer. Scoop blij, ik blij. Ik keek er al naar uit om Eric het blijde nieuws te vertellen: Kijk eens baas, zonder riem!

Vandaag ben ik zo vol vertrouwen dat ik de riem aan de kapstok laat hangen. Dat dat iets te voorbarig was, blijkt al snel. Scoop is inmiddels gewend aan de verworven vrijheid en trekt vannacht zijn eigen plan. Ik voel de bui hangen als hij de planten en kliko’s in een paar voortuinen inspecteert en niet terugkomt als ik hem roep. Het probleem van de nacht is ook gewoon dat je niet hard kan gaan staan roepen, of zomaar iemands voortuin in kan lopen om je hond uit het perk te sleuren. Ik sta daar dus wat te sissen. “Sssssscoop! Hierrrr!”

Scoop onderzoekt duidelijk zijn grenzen. Af en toe uitdagend omkijkend loopt ‘ie steeds harder van me weg. Ik zet een stevige pas in en zie hem plotseling langs een (uitgestorven) autoweg lopen. Shit. Via een omweg haal ik ‘m in, maar nu heeft Scoop er echt lol in. Als een dolle begint hij te rennen, steeds harder, vastberaden om onontdekt gebied te verkennen en mij van zich af te schudden. Ergens in de hondenhandleiding staat volgens mij dat je nooit achter je hond aan moet rennen, maar ik ren inmiddels de benen uit mijn lijf. Hoewel Scoop overduidelijk niet gefokt is op zijn atletische kwaliteiten, kan ik hem met geen mogelijkheid bijhouden. Ik herinner me iets van de puppytraining en gooi mijn sleutelbos -met daaraan mijn huis- en autosleutel- zijn kant op. Ik raak een linkerbil, maar Scoop rent onverstoord door.

IMG_0084Ik besef dat ik iets doms gedaan heb zodra ik het gras oploop om mijn sleutel te pakken. Ik zie geen moer in het donkere gras en heb geen idee waar de sleutel terecht is gekomen. Ondertussen rent Scoop steeds verder richting het spoor en lijkt met de noorderzon te willen vertrekken. Echt, ik houd vreselijk veel van dat hondje, maar op dit moment vervloek ik hem in honderd talen. Ik prent de dichtstbijzijnde lantaarnpaal in mijn geheugen om straks nog een referentiepunt te hebben en zet de jacht op Scoop in. Die scharrelt gelukkig een stuk verderop in het gras. Als hij mij in het vizier krijgt begint hij weer te rennen. Met een laatste sprong krijg ik een stuk vacht te pakken en samen rollen we over de grond. “Pas op hè!”, bries ik tegen mijn hondje die me aankijkt alsof hij wil zeggen: je had toch kunnen weten dat we dit spelletje vroeg of laat zouden spelen?

Met spijt als haren op mijn hoofd dat ik de riem thuis liet, sleep ik Scoop aan zijn halsband mee naar het grasveld. Ik zoek me een ongeluk, hij snuffelt vrolijk mee. In gedachten maak ik de buurvrouw van nummer 24 op dit verdorven tijdstip wakker om mijn reservesleutel te vragen. In een nog pessimistischer gedachte lopen Scoop en ik tot in de vroege uurtjes door de straten van Bergschenhoek. Mijn hart maakt een sprongetje als ik de rode autosleutel zie liggen. Godzijdank!

Ik wandel richting huis. Scoop heb ik inmiddels weer losgelaten, want vasthouden aan zo’n halsband is geen doen. Hij geniet wederom van zijn vrijheid en huppelt alle kanten op. Regelmatig verdwijnt hij achter auto’s of in struiken. Bij de hoek van de straat slaat de paniek bij mij weer toe. Geen spoor van het hondje te bekennen. Ik ren de straat door en ineens zie ik hem zitten. Keurig voor het tuinpad, alsof hij wil zeggen: Het was dan wel heel dom van je om me los te laten, maar ik loop nooit weg en ik vind altijd de weg naar huis.

Nu lig hij prinsheerlijk aan het voeteneind van het bed. Mijn keel doet pijn van het rennen en roepen. Eén ding weet ik zeker: morgenavond gaat Scoop weer gewoon aan de riem. Hij mag pas weer los als hij oud is en strompelt.

IMG_0112
Scoop in rustige tijden

IMG_0513