0

Let’s talk about ♂ ♀: “Hallo prinses”

Let’s talk about ♂ ♀! In deze rubriek maak ik jullie deelgenoot van mijn belevenissen met mannen door de tijd heen. Deze aflevering: Finn.


Hij was er altijd. Finn. Ik kan me serieus waar geen avond in Baroeg herinneren waarop hij niet bij de bar stond. In mijn beleving was-ie oud, maar vermoedelijk had hij net de veertig gepasseerd. Donkerblonde, haast rossige krullen tot over zijn brede schouders. Een ietwat lodderige blik boven een schaapachtige grijns – vermoedelijk verklaarbaar door het consequente nachtelijke tijdstip van ontmoeten. In zijn zwarte mouwloze shirt van een band-waarvan-ik-de-naam-niet-meer-weet kon je hem uittekenen.

Ik was zijn oogappel. Hij in eerste instantie mijn heil bij verveling op rustige avonden, als ik moe was van het dansen of als het gejammer en gehuppel van de gothics me de keel begon uit te hangen. Ik viel er altijd – op een prettige manier – een beetje tussenin; te nuchter en te eigenwijs om bij de kliek van ‘goths’ te horen, te ijdel en te fladderig voor de echte metalheads.
Finn was een echte metalhead.

Maar altijd hield hij gepaste afstand. Nooit raakte hij me aan, zelfs geen hand op mijn schouder

“Hallo prinses”, zei hij steevast. Ik kreeg immer zijn onverdeelde aandacht. Het maakte niet uit met wie hij in gesprek was; zodra ik me bij hem voegde draaide hij zich om en regelde een drankje voor me. Dan spraken we over mijn examens, over zijn werk in de bouw. Over zijn lieve, oude moeder van wie hij ontiegelijk veel hield, over de bijzondere figuren die onderwijl langsliepen. Giechelende of juist melodramatische mannen in rokken met eyeliner – Finn sloeg ze hoofdschuddend gade. Die moesten toch wel homo zijn?
Het waren in eerste instantie leuke, maar nooit diepe gesprekken. Na een tijdje was ik er weer klaar mee. Dan hoorde ik een leuk nummer, zag ik iemand anders waar ik naartoe wilde of moest ik gewoon weer ‘vrij’ zijn om te paraderen. “Ik ga even naar het toilet”, loog ik dan. Of ik haalde een biertje voor Finn aan de bar – die gaf ik hem dan in het voorbijgaan. Sommige avonden kwam ik helemaal niet. Te druk met andere mensen, was ik dan. Dan lachte ik alleen maar als zijn blik de mijne ving.

Volgens Finn was ik de mooiste vrouw van Baroeg. Hij schroomde niet me dat te vertellen. Zonder te flirten of ‘plat’ te zijn sprak hij zijn bewondering uit over mijn ogen, mijn vrouwelijke vormen, mijn kledingstijl en mijn sensuele dansbewegingen ‘als die van een godin’. Maar altijd op gepaste afstand. Nooit raakte hij me aan, zelfs geen hand op mijn schouder.
Pas jaren later ben ik dit type man gaan herkennen; de aanbidder. Hij is heimelijk – of niet zo heimelijk – verliefd op een vrouw, maar overtuigd van het feit dat zij out of his league is. Hij zal haar daarom nooit proberen te versieren, zal nooit een move maken, omdat hij haar op een torenhoog voetstuk geplaatst heeft. Ondertussen geniet hij – in afwachting van haar initiatief – van het contact met haar. Met de ‘kruimels’ die hij krijgt neemt hij genoegen.

En ik liet het me welgevallen – genoot er stiekem van.
Hoewel Eric me pas vele jaren later liefkozend ‘zijn narcistje’ is gaan noemen, vierde narcistje hier haar hoogtijdagen. Ik herinner me nog heel levendig hoe ik gedurende die eerste jaren Baroeg binnenstapte. Hoe ik liep en keek. Hoe ik lachte en mensen begroette – ik voelde me de koningin van het bal. En als ik me niet zo kon voelen, was de avond ineens een stuk minder geslaagd. Dansen deed ik met mijn blik omlaag of op oneindig, ogenschijnlijk in mezelf gekeerd. Maar ik voelde de ogen prikken en wist altijd precies voor wie ik me bewoog. Iedereen moest me leuk, lief, aardig en vooral godsgruwelijk aantrekkelijk vinden. Ik wilde gewild zijn. Die doorlopende drang naar aandacht en bevestiging was dodelijk vermoeiend en kwam – vanzelfsprekend – voort uit een andersoortige onzekerheid. Maar niemand die het zag. Eric grapt weleens plagend (vooruit, soms zegt-ie het ronduit geïrriteerd ;-)) dat ik het liefst een trompetgeschal zou laten klinken bij binnenkomst op een feestje. Het zat toen niet ver van de waarheid.
Een act was het echter niet; het was thuiskomen. Nooit meer ben ik in een uitgaansgelegenheid zo in mijn element geweest. Zo vrij en zo mezelf. Natuurlijk, ik ging ook weleens naar een van de grotere feesten in Utrecht of Amsterdam, daar gebeurde het immers echt, liet ik me vertellen. Maar nooit was het zoals in mijn geliefde Baroeg, tussen de met graffiti bespoten muren van dat kleine, eenzame gebouw in Rotterdam-Lombardijen.

‘Daar kom jij niet in met die kuiten van je, meid’, sneerde ze tegen me

Finn had wat met laarzen. Lieslaarzen, om precies te zijn. Hij had een mooi paar zien staan bij Silhouette – je weet wel, die vreselijke winkel aan de Karel Doormanstraat waar ze hoerige pumps en laarzen in alle kleuren van de regenboog verkopen – en wilde ze voor me kopen. Ik ben er als tiener trouwens een keer snoeihard beledigd door een onbehouwen boerin van middelbare leeftijd die op mijn verzoek een stel laarzen uit het magazijn haalde. ‘Daar kom jij niet in met die kuiten van je, meid’, sneerde ze terwijl ze de doos in mijn handen duwde. Dat was nogal bizar. Het was namelijk die periode in mijn leven waarin ik leefde op een appel en een cracker en een minimaal hapje avondeten, dagelijks twee uur op de fiets zat en de resterende tijd al joggend of in de sportschool doorbracht. Ik had chronisch spierpijn en was altijd hongerig, maar ik woog 56 kilo en heb er sindsdien nooit meer zo goed uitgezien.
De laars paste. Er ging precies een vinger tussen. Ik nam ze niet.

Net als de lieslaarzen van Finn. Die nam ik ook niet, al bood hij op een gegeven moment wekelijks aan ze voor me te kopen. Altijd laat op de avond, als de alcohol rijkelijk gevloeid had. Dat hoefden we niet samen te doen, benadrukte hij. Hij zou me het geld geven en dan kon ik ze zelf gaan halen. Als ik ze maar wel zou dragen, minstens één keer zodat hij ze kon zien. Zijn overtuiging groeide toen ik na een tijdje lak ging dragen naar de gothic-dansavonden. Zo’n nauwsluitend laktopje met kanten vleermuis-mouwen en een bijbehorend minirokje – dat trok ik aan en zo stapte ik ’s avonds laat bij Maashaven op lijn 2 richting Lombardijen. Dat de laarzen zo’n outfit inderdaad af zouden maken, realiseerde ik me. Dat ik officieel op een kinky meesteres zou lijken als ik mijn kisten voor lieslaarzen zou omruilen, realiseerde ik me ook.

Toen ik na mijn reis door Australië en Nieuw-Zeeland in Baroeg terugkeerde, had een nieuwe generatie er zijn intrede gedaan. Finn was er nog steeds. Mijn ego had inmiddels normale vormen aangenomen, evenals mijn ziekelijke obsessie met mijn lichaam. Ik was rustiger en sterker geworden, had ‘op mezelf leren bouwen’, zoals men dat zo mooi zegt. Nu ik geen onstuimige behoefte meer voelde om kortgerokt door Baroeg te paraderen, de dansvloer te domineren en iedereen te laten zien hoe de hiërarchie in deze tent nu écht bepaald was, zat ik soms een halve avond met Finn aan de bar te praten. Zo leerde ik dat hij ooit een relatie had gehad. Hij ging helemaal voor haar, zij vond dat-ie te hard van stapel liep. Het liep uit op niks. Hij vertelde me dat zijn vader lang geleden gestorven was; zijn moeder was inmiddels hulpbehoevend. Hij kwam er zo vaak als kon, vaak direct uit zijn werk, om met haar te eten. Ik vertelde hem over de avonturen tijdens mijn reis en over de zoektocht naar een baan. Soms vertelde ik ook over mijn relatie.

Nu ik geen onstuimige behoefte meer voelde om kortgerokt door Baroeg te paraderen en de dansvloer te domineren, zat ik soms een halve avond met Finn aan de bar te praten

“Weet je waarom ik je altijd prinses noem, Karin?”, vroeg hij op een gegeven ogenblik. Dat was hij namelijk consequent blijven doen. Zijn ogen waren nog lodderiger dan een uur daarvoor en hij sprak met dubbele tong. Zelf was ik ook niet helemaal nuchter meer, maar ik kan me dit gesprek nog levendig herinneren. “Omdat je echt een prinses bent – en volgens mij besef je dat zelf helemaal niet. Niet écht, althans. Niet alleen omdat je een mooie, sexy vrouw bent, maar omdat je een mooi en puur mens bent. En hij… -” Finn gebaarde met zijn hoofd naar mijn toenmalige vriend die een eind verderop stond “- …hij verdient jou niet, want hij ziet niet dat hij een prinses heeft. Jij verdient een man die jou als een godin behandelt, die je op handen draagt. Als je mijn vriendin zou zijn, dan zou ik jou elke seconde van de dag als een godin behandelen.”
Het was de eerste keer dat Finn zich zo uitsprak, zo openhartig werd. Ik had er waarschijnlijk om gelachen – zijn laatste belofte leek me ook knap vermoeiend voor beide partijen – als hij niet zo bloedserieus geweest was. Ik moest ‘m iets plechtig beloven – dat heb ik gedaan. Ik weet alleen niet meer wat het was.
Ik had Finn moeten vertellen dat-ie maar ten dele gelijk had. Dat je een vrouw op handen moet dragen zónder haar te verafgoden. Daar wordt namelijk geen enkele vrouw leuker van en uiteindelijk blijf je als man gedesillusioneerd achter. Dat je met twee stevige benen op de grond moet staan en allereerst uit moet gaan van je eigen kracht, voordat je welke vrouw dan ook kan geven wat ze nodig heeft.
Maar die dingen bedacht ik pas veel later.

Op een gegeven moment sprak Finn over een wandelreis die hij wilde maken. Ergens koud en bergachtig – hij had erover gelezen in de National Geographic. Ongetwijfeld heeft hij me verteld waarheen, maar in de jaren die inmiddels verstreken zijn is het land me ontschoten. Hij moest nog een paar maanden doorsparen en met zijn baas overleggen, maar dan zou-ie gaan. Hij had een paar mensen in gedachten die hem mochten vergezellen, waaronder zijn beste vriend en een collega. Eerlijke mensen, oprecht, die niet over anderen lullen of achter je rug om gaan. Het liefst ook een beetje sportief, want in gejammer onderweg had hij geen zin. Alhoewel hij me niet expliciet uitnodigde, was zijn boodschap helder; ik mocht mee.

Finn heeft de reis nooit gemaakt.

De scheve grijns en glimmende ogen die zijn doorleefde gelaat normaal zo typeerden, ontbraken

Ik hoorde het tijdens de Downward Spiral; mijn favoriete dansavond in de Baroeg bij uitstek. De avonden waarop steevast iedereen er was – en daar ging het uiteindelijk om. De avond was nog jong. Op weg naar de bar voor een drankje schoof ik even aan bij E., een goede bekende en vriend van Finn. De scheve grijns en glimmende ogen die zijn doorleefde gelaat normaal zo typeerden, ontbraken.
“Finn is dood.”
Hij zei het zo plompverloren dat ik hem lange tijd stomverbaasd aankeek.
“Oh… Hoe, eh, wat?!”
“Afgelopen week. Hij kreeg een balk op zijn hoofd toen-ie aan het werk was. In één keer afgelopen.”
Ik geloofde ‘m niet. Of ik kon het niet bevatten. Ik denk eigenlijk dat laatste. Ik herinner me dat ik wegliep, in een poging te dansen. Het was waar, vertelde iemand toen ik het verifieerde in een poging uit deze vreemde droom te ontwaken.
Toen ik terug naar de bar liep was mijn kruk nog vrij. E. schoof een biertje mijn kant op.
“Finn is dood.”
“Dat zei ik toch.”
“Jezus.”
“Zeg dat wel…”

Hij had waarschijnlijk geen pijn gehad, vertelde E. Ik hoopte het maar. Ik dacht aan zijn moeder. Dik in de zeventig, en dan je enige kind verliezen – god, dat arme mens. Aan de reis, die hij zo graag had willen maken. Nu pas ontdekte ik echt hoe geliefd Finn in Baroeg was. Ik dacht aan onze laatste gesprekken. Na mijn reis heb ik hem nog een keer of zes gezien. Ik was blij dat ik hem in die keren beter heb leren kennen, in plaats van enkel langs te hupsen als het mij uitkwam. Dat ik de persoon Finn gezien heb, in plaats van vertroebeld te zijn door mijn eigen noden en behoeften.
Soms verschijnt hij ineens in mijn gedachten, zijn goedlachse gezicht met zijn vriendelijke, lodderige ogen, en dan moet ik bekennen dat ik zijn woorden nooit vergeten ben. Soms beneveld, soms glashelder.
“Hallo prinses.”


De naam Finn is een pseudoniem.

0

Let’s talk about ♂ ♀: Op date met boze Fred

Let’s talk about ♂ ♀! In deze rubriek maak ik jullie deelgenoot van mijn belevenissen met mannen door de tijd heen. Over ontmoetingen, leuke en minder leuke dates, vlinders, verliefdheid, gestuntel en awkward moments. Deze aflevering: op date met Franse Fred.


Hij staat voor de deur, lees ik in het sms’je. In de drukke meidenbadkamer veeg ik de condens van de spiegel en check nog één keer mijn gezicht. Veel valt er niet te checken. Ik heb gedoucht, mijn benen geschoren, een kwak goedkope dagcrème op mijn gezicht gesmeerd en wat extra mascara opgedaan. Haren geborsteld, afgedragen rokje aan, slippers eronder, klaar. Meer heb ik niet bij me en eigenlijk is het resultaat best oké.

Vreemd, om hier in Australië een ‘date’ te hebben. Met een heuse Fransman nog wel. Une soirée romantique. Chic ook wel, ondanks dat alles uit mijn muffe backpack komt rollen.
Ik heb eigenlijk alleen vage herinneringen aan Fred. Fred – spreek uit Frèdddè – komt uit Parijs, vertelde hij. Gisteravond ontmoette ik hem in de Joint Bar. Daar was ik met mijn collega’s van het Italiaanse restaurant – waar ik sinds een paar weken in de bediening werk – na werktijd een afzakkertje gaan nemen. Fred was naast me komen zitten, had me aan de praat en aan het lachen gekregen en even later stonden we samen op de dansvloer. De herinneringen zijn vanaf dat moment een ietsepietsie onscherp door de nodige biertjes, maar ik weet nog dat we samen naar mijn hostel liepen en dat hij me keurig voor de deur afzette. Een heer, als we die halfslachtige awkward zoen vergeten. Vanmorgen vond ik in mijn broekzak een verfrommeld briefje met een telefoonnummer dat ik gelijk in de vuilnisbak gooide. Maar even later ontving ik een berichtje.

De man die beleefd komt vragen of ik wil dansen, kan een heftig nee-schudden verwachten; hij die me in een vloeiende beweging uit mijn ‘comfort zone’ trekt heeft me misschien de hele avond met de voetjes van de vloer

Ik neem de trap. ‘Ja’ zeggen tegen een date, bedenk ik me onderweg naar beneden, is niks voor mij. Alleen dat pleit al voor deze Fred. Want mij versieren is, in deze fase van mijn leven, knáp lastig. Niet dat ik bot, arrogant of nadrukkelijk afwijzend ben; ik smeer ‘m gewoon. Alcohol maakt de gemoederen wellicht iets losser, maar dan nog is er een aanzienlijke kans aanwezig dat ik na een toiletbezoek ineens nergens meer te bekennen ben – dat heeft al voor een hoop ongemakkelijke situaties gezorgd, daar je elkaar de dag erna in het hostel nog weleens kan tegenkomen. Mannen? Eng, lastig, en O MY dat heerlijke opgeluchte gevoel als ze weer opgehoepeld zijn. Het is de aanhouder die wint. Hij die er gewoon ineens ís en me geen kans tot nadenken of weglopen geeft. De man die beleefd komt vragen of ik wil dansen, kan een heftig nee-schudden verwachten; hij die me in een vloeiende beweging uit mijn ‘comfort zone’ trekt heeft me misschien de hele avond met de voetjes van de vloer. Als je vraagt of ik wat wil drinken zeg ik waarschijnlijk nee; je moet het gewoon gaan halen. Stom? Ja misschien, maar die luchtige brutale vastberadenheid heeft bij mij nu eenmaal de beste kans van slagen. Dus die Fred kan eigenlijk geen verkeerde zijn, toch?

Goddank, ik herken ‘m nog. Hm, valt in eerste instantie toch een beetje tegen. Klein van stuk, kalend. Niet te snel oordelen, Karin, gisteravond was het ook gezellig. Toch? En jij bent altijd degene die het hardst roept verder te kijken dan het uiterlijk en zelfs dan een eerste indruk.
Fred loopt me tegemoet en geeft me twee zoenen.
“Op z’n Frans, zoals het hoort”, zegt-ie.
Hij werpt een goedkeurende blik op mijn outfit. Ik voel me er een beetje ongemakkelijk onder, daar hij nota bene gekleed lijkt te zijn voor een sollicitatiegesprek bij een hip reclamebureau in Melbourne. Strakke jeans, overhemd, mooie bruine instappers. Hoe doen sommige backpackers dat toch, vraag ik me af. Hij slaapt toch ook in hostels? Leeft toch ook uit een rugzak? Worden zijn spullen niet in het laadruim van een overvolle bus gesmeten? Ach, het zal wel met prioriteiten te maken hebben. Of zijn dit zijn date-kleren?
“Dit hostel…”, zegt Fred terwijl hij driftig wijst op de deur waar ik zojuist door naar buiten ben gestapt, “sucks!”
“O”, zeg ik verbaasd. “Ik vind het anders een prima hostel, netjes en gezellig. Elke ochtend gratis ontbijt en in het weekend pannenkoeken – wat wil je als backpacker nog meer?” Ik hoor hoe opgewekt ik klink – gratis dan ook het lievelingswoord van menig backpacker – maar Fred laat zich niet overtuigen.
“Ik heb hier één nacht geslapen, toen ik net aankwam – vreselijk! Droge toast, slecht beleg, kleine kamers – het enige positieve aan deze plek is de locatie.”
Het groepje naast ons luistert geamuseerd mee naar het betoog van de boze Fred. Die gaat onverstoorbaar door: “Nu slaap ik in Base. Dat is al een stuk beter, al deel ik de kamer met twee annoying Duitsers.”

(…)

“Nou, zullen we dan maar?”, stel ik voor, een beetje beduusd. Subtiel draai ik een paar keer weg van zijn bezitterige hand op mijn rug.
Samen lopen we langs het Italiaanse restaurantje (“Werk je hier?!”) naar St Kilda Road. Ik ben nu dik zeven maanden in Australie, waarvan drie weken in Melbourne, en geniet met volle teugen van alles dat deze Australische metropool te bieden heeft. Fred is minder enthousiast.
“De mensen…”, legt hij ongevraagd uit. Het is een mooi land hoor, daar niet van, maar die Australiërs zijn natuurlijk gewoon lomp en onbehouwen. Vind je niet? Wat? Echt niet?!

Als ik door zo’n botanische tuin huppel op mijn slippers en in mijn stukgedragen spijkerbroekje, immer zwaar belast met de Lonely Planet en een liter water in mijn kleine rugzak, kijk ik soms jaloers naar die stelletjes

Nee, een leuk gesprek komt niet op gang. Ik zit ook niet te wachten op Fred’s negatieve verhandelingen over alles wat ter sprake komt. Waarom heb ik eigenlijk ja gezegd toen hij me mee uitvroeg? Ach, ik weet het best. Omdat ik hier smacht naar een beetje romantiek, dáárom! Mannen genoeg, aan aandacht geen tekort, maar altijd ‘op z’n backpackers’. En Fred heeft stiekem wel een beetje gelijk; veel Australische mannen zijn, evenals de Ieren, Engelsen en Nieuw-Zeelanders die ik tijdens mijn reis steevast op elke hoek tegenkom, wat lomp en makkelijk als het om vrouwen gaat. Proberen elke vrouw te verleiden tot een snelle wip. Dan heb je nog de Zuid-Amerikanen; daar ben ik mentaal nog niet aan toe, vrees ik. Maar als ik dan door zo’n botanische tuin huppel op mijn slippers en in mijn stukgedragen spijkerbroekje, immer zwaar belast met de Lonely Planet en een liter water in mijn kleine rugzak, kijk ik soms jaloers naar die verliefde stelletjes. Misschien moet ik bij thuiskomst ook weer wat serieuzer worden, op zoek gaan naar een leuke man. Settelen. Etentjes bij kaarslicht, goede gesprekken, weekendjes weg. We’ll see. Een date met Fred leek – for the time being – een goed alternatief.
Toegegeven, het heeft ook te maken met het gebeuren in Sydney. Daar ontmoette ik Remy uit Toulouse – als hij Fins en ik op mijn beurt Mandarijns had gesproken, hadden we elkaar evengoed kunnen verstaan als in het Engels – die ik tijdens onze tweede ontmoeting na een gepassioneerde zoenpartij beduusd achterliet in de bar. That’s me. Beetje spijt van. Remy was volgens mij my best shot geweest voor een beetje passie en romantiek Down Under. Vandaar nu mijn focus op die Fransozen. Kijk wat het me gebracht heeft.

Fred is ondertussen bij het eten beland. In Parijs, dáár eet je goed. Op alle andere plekken in de wereld is het eigenlijk gewoon ruk. En probeer hier maar eens een croissant of een goed stuk stokbrood te krijgen! Lukt je niet! En dan denken ze ook nog verstand van wijnen te hebben… Hij bestelt steevast een Franse fles. Mijn trip naar de Barossa Valley? Nou, hij zal me straks even uitleggen wat nu écht goede wijnen zijn. Over eten en drinken gesproken, hij weet een leuk Thais restaurantje.
“Ik trakteer.”

Kijk, dat is dan weer aardig.

We nemen plaats aan een tafeltje bij het raam en bestellen allebei een biertje.
“Het is geen bijzonder tentje hoor”, verontschuldigt Fred zich met een gebaar op de kale witte muren, “Maar het eten is hier best oké – je moet de masamang curry met garnalen nemen, echt, trust me.”
Om te pesten besluit ik voor de groene curry met kip te gaan.
De serveerster verschijnt aan onze tafel.
“Eenmaal de masamang curry met garnalen en eenmaal de groene curry met kip”, zegt Fred, met zwaar Frans accent waar ikzelf nog maar net aan gewend ben geraakt.
“Uhh”, doet de serveerster, wiens Engels overduidelijk al niet haar beste taal is.
Al ogenrollen tikt Fred op de kaart; nummer 13 en nummer 26. Nu snapt ze het.
“Jezus”, zegt hij als ze weg is. Hij kijkt me samenzweerderig aan als hij zegt: “Asians, right… so annoying! But they make good food.”

Ik ben er klaar mee. Met grote happen werk ik mijn rijst en curry naar binnen. Ik verbrand mijn bek, maar who cares?
“Ik moet er vandoor.”
“Nu al?” Fred doet een poging mijn hand over de tafel vast te pakken maar ik moet ineens hoognodig mijn servet opvouwen.
“Ja – ik heb nog een andere afspraak”, lieg ik.
Teleurstelling is in Fred’s ogen te lezen, maar hij herstelt zich snel. Dat mag ik dan weer wel.
“I’ll walk you.”
Shit.
“Hoeft niet”, zeg ik kordaat. “Hé, het was gezellig, dank je wel voor het eten.”
Met twee zoenen – elk ander aantal is immers stupide – nemen we afscheid en ik wandel op eigen houtje terug richting het hostel. Zonder hand in mijn rug.

“Do you like Justin?”, klinkt het plotseling naast me

Een kwartier later plingt mijn telefoon. Fred.

“Hi Karin, thank you for sharing a great time with me! You wanna meet tomorrow? We can chill at the beach. X F.”

Ik sta even stil. Hoe the fuck kan dat? Ik weet dat ik nog weleens het verkeerde signaal uit kan zenden, maar ik heb tijdens het eten nauwelijks een woord gezegd. Fred des te meer. Over zijn problemen met Westpac, over domme, vervelende kamergenoten en over Australische mannen (“They just don’t know how to treat a lady”). Waarom hij zijn geliefde Frankrijk überhaupt verlaten heeft voor een bezoek overseas? Je weet pas dat het in je eigen land beter is, als je andere landen bezocht hebt, zo luidde zijn antwoord.

Ik sta stil en tik een berichtje terug.

“Hi Fred, thanks for dinner. It was nice meeting you yesterday, but after tonight I don’t think you’re my type. Ciao!”

Ik ben aangekomen bij de bar van gisteravond. De Joint Bar. Eén drankje dan. Ik ben er aan toe!
Het is nog rustig en vanaf mijn kruk aan de bar staar ik naar het grote televisiescherm waar op dat moment What Goes Around van Justin Timberlake draait.
“Do you like Justin?”, klinkt het plotseling naast me.
Ik kijk opzij en staar recht in het lachende, brutale gezicht van een blonde Ozzie. Stante pede ben ik vrolijk.
“Well yeah, I mean, he is bringing sexy back, right?” Ik vind het gevat van mezelf.
Een grote grijns verschijnt op het gezicht van Bruce. Hij vindt het ook grappig.
” … and all he wants from me is to be his love! That’s pretty cool, don’t you think?”, vervolg ik daarom maar.
“Well yeah, I work pretty much the same way, babe. Actually I was the one who brought sexy back in the first place. Now tell me, what do you drink?”

Twee uur later loop ik van de bar terug naar mijn hostel. Alleen, want Bruce is geen galante Fransoos. Maar ik heb wel gelachen. Ontzettend hard gelachen.

Op mijn telefoon staat een ongelezen berichtje. Van Fred.

“I didn’t ask you to marry me, Karin, I just thought it would be nice to meet again. But hey, I don’t think I like you very much either. So have a good life!”

Met een glimlach stop ik het toestel terug in mijn broekzak.

3

Seks in de kunuku (Let’s talk about ♂ ♀)

Let’s talk about ♂ ♀! In deze rubriek maak ik jullie deelgenoot van mijn belevenissen met mannen door de tijd heen. Deze aflevering: Seks in de kunuku op Bonaire.


Het meisje is ingestapt.
“Hoi”, zeg ik vanaf de achterbank. Een bijna onwaarneembare glimlach is haar respons. Mind your own business. Ze is echter te beleefd om haar niet mis te verstane lichaamstaal verbaal kracht bij te zetten.
“Hoi…”
Het meisje is tenger en heeft haar krullen in een knotje op haar hoofd gebonden. Ik schat haar begin twintig. Iets jonger dan ik. Op haar gezicht is geen spoortje make-up te bekennen en ze draagt een T-shirt van Dia di Rincon, het eilandfeest dat voor de meeste inwoners het absolute hoogtepunt van het jaar vormt.
Jimmy heeft zijn plaats op de bijrijdersstoel afgestaan en ploft nu naast mij neer op de achterbank. M. trapt het gas in en onder luid geronk rijden we de wijk uit. Een grote stofwolk verraadt ons spoor.
Niemand zegt iets.
Ik heb wel honderd vragen.
Ik stel er geen één.

We rijden het land in. Ik ken de weg inmiddels, zelfs als het donker is. M. heeft hier een kunuku. Of eigenlijk, zijn vader heeft hier een kunuku en die heeft het weer van zijn vader die het vermoedelijk van zijn vader heeft. Een paar weken terug kreeg ik een rondleiding. Er staat een schuurtje met wat gereedschap en kookgerei. Er lopen wat geiten. Vast ook hordes leguanen. Het is zo’n typische plek waar mannen zich met mannenzaken bezighouden. Hout hakken, klussen, jagen, slapen – dat werk. En nog wat andere dingen.

Waarom zit ik hier anders tegen middernacht met Jimmy-my-lips-are-sealed in de auto, in de middle of nowhere, terwijl zijn zoveelste neef in de kunuku ligt te wippen met een chica uit Nikiboko

De auto komt tot stilstand en M. zet de motor uit. Uit het handschoenenvakje pakt hij een zaklantaarn.
“Braaf zijn he?”, zegt hij met een tanden-bloot-smile tegen mij voordat hij de deur dichtslaat. “Doe geen dingen die ik ook niet zou doen!”
Ik beloof het plechtig. Het meisje is alvast vooruitgelopen. Haar kordate tred doet vermoeden dat ze hier vaker geweest is.

M. en het meisje verdwijnen uit beeld en ik zie mijn kans schoon.
“Wie is dat meisje, Jimmy?”
“Gewoon, dushi, je weet toch. Een meisje. Uit Nikiboko. M. kent haar goed.” Mijn vriend laat het afrondend klinken, alsof al mijn vragen daarmee beantwoord zijn. Hij zou inmiddels toch beter moeten weten.
“Ja maar, het is niet zijn vriendin toch? En ze leek me ook n…”
“Niet zoveel vragen stellen, Karin”, kapt Jimmy mijn vragenvuur af. Hij heeft zijn aandacht alweer op zijn telefoon gericht. “Je stelt weer teveel vragen. Wij wachten hier gewoon even. Ze zijn zo weer terug.”
Met een zucht laat ik me achterover vallen. Het is een terugkerend riedeltje. Mijn vriendschap met Jimmy heeft me diep in de Bonaireaanse gemeenschap gebracht. Veel dieper dan wanneer ik aan de bar bij City Café was blijven hangen. Hier liggen de antwoorden op mijn onderzoeksvragen. De eyeopeners.
Maar vragen stellen, leerde ik al snel, is niet heel gebruikelijk en wordt ook niet altijd op prijs gesteld. Het wordt soms onbeleefd gevonden, zelfs. Bemoeizuchtig. Verdacht.

“Een hoertje dus”, mompel ik. “Of een by-side…”

Ja, dat is soms lastig. Ik ben van nature nieuwsgierig en als je mij mijn gang laat gaan stel ik gewoon de hele dag door vragen en houd ik het liefst non-stop een gesprek op gang. Dat vond mijn vader vroeger al heel vermoeiend – en hij was niet de enige. Daarbij, ik ben hier om antropologisch onderzoek te doen. Waarom zit ik hier anders tegen middernacht met Jimmy-my-lips-are-sealed in de auto, in de middle of nowhere, terwijl zijn zoveelste neef in de kunuku ligt te wippen met een chica uit – gewoon – Nikiboko die we zojuist hebben opgepikt onderweg naar een party. Eerst het bier, toen het meisje. Reuze leerzaam. Antropologische wegen zijn onvoorspelbaar.
Anderzijds, het leert me ook iets over de samenleving. Niet het wippen-in-de-kunuku-gedeelte (want ik ga er maar vanuit dat dit niet doodnormaal is – laten we wel zijn, het is de eerste keer dat ik dit meemaak), maar het ongemak met bevraagd worden. Het vertelt me iets over omgangsnormen. Over discretie. Over de behoefte aan stilte en privacy in een gemeenschap waar iedereen alles van elkaar weet en waar je elkaar voortdurend tegen het lijf loopt. Tijdens werk, in het weekend, op straat. Misschien vertelt het me wel iets over een gemeenschap waar dingen vanzelfsprekend worden gevonden en dus niet bevraagd hoeven worden. Kijken en luisteren werkt beter dan vraagvuren op mensen afschieten, besef ik. Meestal lukt het me om daar rekening mee te houden.
Soms ook niet.

“Ik wilde zeggen, ze leek me ook niet erg gelukkig, of denk jij daar anders over?”
“Ik wéét het niet, Karin! Hoe moet ik nou weten hoe zij zich voelt?” Jimmy kijkt nog steeds op zijn telefoon. In het licht van de display kan ik nog net zijn lange dreads onderscheiden. Zijn opgekrulde mondhoek verraadt dat zijn verontwaardiging grotendeels gespeeld is.
“Of is ze een prostituee?”
Ai ai ai, mamí!” Jimmy doet zijn best om geïrriteerd te klinken maar ik hoor de lach in zijn stem. “Jij houdt niet op, he?”

Ik geef het op. De man die alle antwoorden heeft wil ze niet geven. Ik slaak nog eens nadrukkelijk een zucht en tuur uit het raam de duisternis in. In de verte balkt een ezel.
“Een hoertje dus, ik wist het…”, mompel ik. “Of een by-side…”
Jimmy’s schaterlach scandeert door de auto terwijl hij het volume van de radio omhoog draait. De hoofdpijn-reggaeton van Daddy Yankee klinkt ineens luid en duidelijk door de speakers.


>> deel 2

0

Khal Drogo en zijn gesteven overhemd (Let’s talk about ♂ ♀)

Let’s talk about ♂ ♀! In deze rubriek maak ik jullie deelgenoot van mijn belevenissen met mannen door de tijd heen. Over ontmoetingen, leuke en minder leuke dates, vlinders, verliefdheid, gestuntel en awkward moments. Deze aflevering: Khal Drogo en zijn gesteven witte overhemd.


Zo, ik zit. Laat mijn vriendin het Louvre maar bekijken, ik zit hier prima bij die piramide. Allemaal leuk en aardig, die Parijse bezienswaardigheden, maar ik blijf een antropoloog. En daarmee is gezegd dat het observeren van mensen en straattaferelen mijn grootste genoegen is. Gelijk een goed excuus om mijn benen even te rusten te leggen na een hele dag slenteren.
Er was een tijd dat ik op een dag als vandaag mijn teva sandalen had aangetrokken, bedenk ik terwijl ik me uit mijn charmante maar ondertussen pijnlijke schoenen wurm. Dat was toen ik nog verstandig en praktisch was. Maar Parijs is de stad van de mode, van elegantie, van zien en gezien worden en…

Shit. Over zien en gezien worden gesproken… Ik ben gespot. Ik kijk recht in het gezicht van een man. Arabisch uiterlijk. Sophisticated. Niet eentje van drie hoog achter in de Tarwewijk, eerder type duizend-en-één nacht. Type Khal Drogo eigenlijk, maar dan piekfijn aangekleed. Strakke kaaklijn, pikzwart haar in een staartje gebonden. Een jaar of 45. Zijn zware laarzen onder die zwarte broek lijken me veel te warm voor vandaag. Maar goed, echte mannen gaan natuurlijk gelaarsd door het leven. Het kraakwit gesteven overhemd is halfopen zodat er wat borsthaar zichtbaar is. Khal heeft één been opgetrokken en leunt ontspannen achterover.
En hij kijkt. Naar mij. Onafgebroken. Strak, zonder humor of ook maar een spoortje van een vriendelijke glimlach om de gemoederen te sussen. En ik maar denken dat alleen Jason Statham die kunst beheerste. Nu we het toch over filmsterren hebben; Khal heeft het intimiderende zelfvertrouwen van Marlo Brando in The Godfather en het sexappeal van…, eh… nou ja, van Khal Drogo dus. Anyway, you get the picture. En zo niet…

Als je dán nog drie keer terugkijkt zeg je: ‘Je intimideert me fucking mateloos’

Shit. Niet nu. Hier heb ik geen zin in. Hier ben ik ook he-le-maal niet op voorbereid. Ik zit ook ineens niet lekker meer.

Ik weet precies hoe het werkt hoor, dat oogcontact. Even kort glimlachen en dan wegkijken, dat is vriendelijkheid. Niks aan de hand. Zeker als je glimlacht zoals je dat ook tegen een winkelmeisje doet. Als je het daarbij laat kun je weer gewoon overgaan tot de orde van de dag. Kijk je vervolgens nog een keer, ja dán is er een grote kans aanwezig dat je aan het flirten bent. Of gewoon rete-nieuwsgierig bent.
Ogen rollen en dan wegkijken, die ken ik ook. Fuck off, heet dat. Dat doe je alleen bij hele nare, seksistische, opdringerige mannetjes. Of mannen die via jou indruk op elkaar willen maken maar helaas nét die gunfactor missen waardoor jij ze voor het oog van de hele groep wilt dissen. Dán (strak) terugkijken is uitdagen. Provoceren, misschien wel.
Je ogen neerslaan betekent voor veel mannen beet. Hoe zuidelijker, hoe sterker die overtuiging, weet ik. ‘Je maakt me verlegen’, zeg je daarmee. Als je dán terugkijkt en dat nog drie keer doet zeg je: ‘Je intimideert me fucking mateloos en ik weet niet meer waar ik moet kijken.’

Ik heb het nu al zes keer gedaan. Dat laatste. Ik kan er niks aan doen. Sinds Khal Drogo met zijn gesteven overhemd tegenover me zit ben ik nergens anders meer mee bezig. Hij ook niet trouwens. Er is nog steeds geen spoortje warmte te bekennen in zijn blik. Misschien doet-ie dat spelletje, wie het eerst wegkijkt die… Ja, die wat eigenlijk? Die heeft verloren, vermoed ik.
Nou, in dat geval ga ik hier af als een gieter.

Khal Drogo is óf een pinkjesknipper óf een gigolo

Ik richt mijn aandacht nadrukkelijk op een Engels-Indiaas gezin dat naast me is komen zitten. Baby krijgt de fles. Zoonlief speelt handjeklap met zijn vader. Happy family bezoekt Parijs. Het scenario had niet onschuldiger kunnen zijn.
Misplaatst eigenlijk, die Khal Drogo voor het Louvre. Hij zou beter tot zijn recht komen in een schimmige loods, waar hij dan verveeld en quasi-ongeïnteresseerd achter zijn bureau zit en zijn boy met een bijna onwaarneembare hoofdknik sommeert een pinkje af te knippen van die mogelijke spion die informatie doorspeelt. Of hij ís de pinkjesknipper, en kijkt er dan net zo strak en intimiderend bij als nu. Of zou hij uitbater van een club zijn? Zo’n hele louche. Misschien is het wel een gigolo. Of zit hij hier ook gewoon te wachten op zijn vrouw en kind…
Die laatste gedachte wuif ik weg. Khal Drogo is óf een pinkjesknipper óf een gigolo. Misschien is hij de leider van het grootste maffia-netwerk van Frankrijk, dat kan ook nog. Maar een toerist die hier zit te wachten op vrouw en kind… Nee. Dat kan met geen mogelijkheid het geval zijn.

Khal Drogo kijkt eindelijk even de andere kant op. Ik maak van de gelegenheid gebruik om hem eens goed te bekijken. Eigenlijk is-ie niet bijzonder knap. Harde lijnen, sporen van acne op zijn gezicht. Niet heel breedgeschouderd ook. Maar toch. Een man hoeft niet knap te zijn. Een man moet goed uit zijn ogen kijken en zoveel zelfvertrouwen uitstralen dat je geen lijn of imperfectie meer ziet.
Dit is nou echt zo’n type dat ineens, als je nét even met je ogen knippert, weg is. En dan plots naast je staat, zijn hand toereikt. Come, zegt hij dan. En dat jij dan met spaghettibenen omhoog komt en er als een mak schaap achteraan loopt. Hup naar de slachtbank. Of dat-ie helemaal niets zegt en wegloopt en jij er als vanzelf achteraan waggelt omdat je begrijpt dat dat de bedoeling is.
Dat zou theoretisch goed kunnen gaan. Je gaat samen picknicken langs het water waar hij je druiven en slokjes Franse wijn voert. Op de rug van Khal Drogo bereik je de top van de Eiffeltoren en samen geniet je van een weergaloos uitzicht over de stad van de liefde. Daarna eet je escargot en gaat een gepassioneerde avond in Parijs tegemoet. Zonder woorden, zonder lachen, want daar doet Khal niet aan. Na een paar uur weet je al niet meer wie je nu eigenlijk was en waar jij ook alweer voor stond in het leven. Maar dat maakt niet uit, want Khal Drogo leidt de weg. Eigen identiteit en zelfbeschikking zijn ontzettend overschat. Samen leef je nog ellenlang en hysterisch gelukkig.

En dan is maar te hopen dat papa op tijd arriveert bij de Seine om jou van die boot te trekken en te voorkomen dat je een toekomst als seksslavin tegemoet gaat

Maar evengoed eindig je in je ondergoed op een draaischijf in een veilinghuis, waar vrouwenhandelaren vrij op je kunnen bieden. En dan is maar te hopen dat papa op tijd arriveert bij de Seine om jou van die boot te trekken en daarmee te voorkomen dat je een toekomst als seksslavin van één of andere oliesjeik tegemoet gaat. Kan ook. Net zo makkelijk. En aangezien de meeste papa’s geen über-bekwame en meedogenloze ex-agenten zijn zoals vechtersbaas Liam Neeson, is de kans groot dat dit horrorscenario werkelijkheid wordt.

T-026

Nou, als hij hier naar toe komt ga ik mooi niet mee. Hij zoekt het maar uit met zijn gesteven overhemd en die stoere laarzen van ‘m.

Khal Drogo kijkt terug. Plotseling. Ineens. Zo krachtig en priemend nu dat hij mijn blik vastpint in de zijne. Ik kijk met grote hertenogen terug en voel mijn ledematen verstijven. Daar ga ik. Zeg maar dag tegen het onbezorgde leven. Oliesjeik, here I come. Maar voordat ik mijn lot in zijn handen leg en mijn vrije leventje vaarwel zeg wil ik naar de Eiffeltoren. Helemaal naar boven. Op zijn rug. En misschien nog even mijn moeder bellen om afscheid te nemen.
Khal houdt zijn hoofd tikje schuin. Alsof-ie zegt: je krijgt nog héél even meisje en dan gaan we dit volgens mijn wetten spelen. Warempel zie ik zijn mondhoek iets omhoog gaan.

“Kaar, je ziet een beetje pips.”
Mijn hart maakt een opgelucht sprongetje als ik de stem van mijn vriendin naast me hoor. Snel trek ik mijn sandaaltjes weer aan.
“O joh echt? Ik voel me anders prima. Zullen we gaan?”
Met spaghettibenen sta ik op en zet een stevige pas in. Pas als we bijna het plein af zijn kijk ik om.
Khal Drogo is niet meer alleen. Naast hem staan een jochie van een jaar of vijf en een mooie vrouw met een kleurrijke hoofddoek. Khal trekt een lachende grimas naar het babytje in zijn armen.

Inwendig lachend steek ik mijn arm door die van mijn vriendin. “Nou, ik ben wel toe aan een wijntje, en jij?”

image

1

Let’s talk about ♂ ♀: Enrique, de Colombiaanse dansgod (slot)

Let’s talk about ♂ ♀! In deze rubriek maak ik jullie deelgenoot van mijn belevenissen met mannen door de tijd heen. Over ontmoetingen, leuke en minder leuke dates, vlinders, verliefdheid, gestuntel en awkward moments. Deze aflevering: de Colombiaanse dansgod Enrique (slot).


Klik hier voor deel 1 en 2 | Ik ga er vanuit dat iedereen Dirty Dancing gezien heeft. Minimaal 38 keer. Mijn favoriete dans scene is niet de toch wat truttige slotscene met Johnny en Baby. Ook niet de scene in het water en zelfs niet de scene dat Baby gesandwicht wordt tussen Johnny en Penny. Nee, deze beelden staan op mijn netvlies:


(Oeh, vanaf minuut 4.16… Dat gebaar! God, have mercy on (t)his Damn Hot Soul ;-))

Ik zit ondertussen met mijn Patrick Swayze aan de bar in Mambo Beachclub. Nou ja, Enrique is niet helemaal een Patrick Swayze. Of eigenlijk, helemaal niet. Als dat het geval was geweest had deze avond er heel anders uitgezien.

“Please, Karin, drink a beer with me!”
We zijn weer bij af. Ik schud kordaat van nee.
“Come on, why not? Just one beer. Let’s share one, alright? One glass for sharing?”
Nee, want na één bier komt de volgende leert de ervaring. Dan heb ik één vinger gegeven en… Anyway. Ik ben het hier al een beetje aan het verliezen van mezelf dus laat dat bier maar zitten. Alcohol doet grenzen vervagen.
“I’ll have a coke.”
Enrique werpt me een beteuterde blik toe en bestelt een cola en een biertje bij de barman.

Dansen is drugs, zonne-energie en seks tegelijk

Zo rustig als het was toen we (op een vroeg tijdstip) de club binnenkwamen, zo druk is het een uur later. Er draait een DJ en de zaal is gevuld met macho mannen en opgedirkte en hooggehakte meiden. Daar sta ik dan in mijn korte jeans en op – ondertussen – blote voeten. Je bent in een Beachclub of je bent het niet.
Enrique pakt mijn hand en dirigeert me naar het midden van de dansvloer. Daar sla ik mijn armen om zijn nek en laat hem mijn lichaam dicht tegen zich aan trekken. Merengue. Vast niet de goede danshouding, maar het kan ons niet schelen. Colombianen dansen ‘vrij’ en ik doe graag mee.
We trekken alle aandacht, besef ik al snel. Vuile blikken van de hooggehakte bitch brigade. Blijkbaar mag je hier als ‘Makamba’ alleen meedansen als je je als een houten trekpop over de dansvloer voortbeweegt. Zonder tegen anderen aan te stoten. Dat laatste vind ik lastig.

Tja, what can I say? We dansen. De hele avond, de hele nacht, met af en toe een kleine pauze bij de bar of zithoek. Merengue en Bachata. De salsa slaan we over, want daar kan ik geen hout van. We raken doorweekt van het zweet en de endorfine verhindert dat de pijn in mijn voeten en kuiten me teveel wordt. Mijn hemel, wat kan Enrique dansen. Dansen is drugs, zonne-energie en seks tegelijk. Seks, ja. En het beste surrogaat voor alcohol. Misschien wel net zo gevaarlijk. Als je het goed doet.
Naarmate de avond vordert vervagen de grenzen. Geef ik, wat ze zo mooi zeggen, ‘hoop’.

“There is so much passion between you and me, Karin. Can you only imagine what would happen if we had sex?”
Oeps.

Ik wil zijn hand in mijn nek, op mijn heupen en in mijn haar terwijl de muziek onze bewegingen dirigeert en aanmoedigt

Laat ik op dit punt de hand even in eigen boezem steken. Wat ik wil is doodsimpel maar net zo onmogelijk. Ik wil dansen. Dansen alsof het onze laatste avond op aarde is. Dansen met onze lichamen verstrengeld en onze blikken op standje hartstochtelijke passie-die-pijn-doet. Voorhoofd tegen voorhoofd. Ik wil zijn hand in mijn nek, op mijn heupen en in mijn haar terwijl de muziek onze bewegingen dirigeert en aanmoedigt. Zoals in Dirty Dancing dus, maar dan Curaçaos. De wereld die verdwijnt.
Ja, dat wil ik.
Maar als we een drankje bestellen aan de bar moet die hand weg. Dan doen we weer gewoon normaal. En ik snap heus wel dat dat, nou ja, verwarrend is. Voor een man. Voor Enrique. En dat ik daarmee mixed signals afgeef. Dat ik ‘m opgeil. Weten jullie dat dit trouwens precies de reden is dat ik vroeger zo graag naar Gay Palace ging? Opzwepende Reggaeton, ongegeneerd dansen en gay mannen die graag gepassioneerd aan je trekken en met je smijten maar toch liever met die fijne boy aan de bar mee naar huis willen.

“No kissing!” Ik zeg het nu voor de derde keer.
Misschien moeten we die bankjes in de zithoek ook even helemaal mijden.

Vanaf het moment dat Enrique en ik elkaar tegenkwamen bij de Pontjesbrug heeft hij zich als een heer gedragen. Het stikt hier van de bloedmooie vrouwen, maar hij heeft alleen nog maar oog voor mij gehad. Ik gedraag me nogal, ehm…, dubieus. Bitchy, misschien zelfs wel. Maar hij laat zich niet uit het veld slaan. Wellicht ben ik nog steeds easier to handle dan menig vrouw uit zijn eigen kring, bedenk ik. Maar nu heeft hij een overtuiging, een doel, en trekt hij alle registers open.

“There is so much passion between you and me, Karin. Can you only imagine what would happen if we had sex?”
De waarheid? Nee, eigenlijk niet. Of nou ja, ergens wel, maar het idee spreekt me niet aan. Feit is dat ik totaal niet op Enrique val als we niet dansen. Enrique ziet het anders. Samen kunnen dansen is een garantie voor de verf van het plafond laten spatten tijdens weergaloze seks. Het behang van de muren. Seks waar je je kleinkinderen later over vertelt, ware het niet dat dat zeer ongepast zou zijn. Daarbij, het is meant to be. Wat denk ik daarvan?
“Please, spend the night with me.”

no sex, just cuddling

Het is nu echt tijd om te gaan. Het dansen is niet meer hetzelfde nu Enrique officieel de jacht geopend heeft. Hij onderhandelt zelfs een beetje: no sex, just cuddling. Ehm. Ok. Wie niet waagt wie niet wint. Ik mag dat wel.
Ik wil weg.
“Let’s go, I’m tired.”
“Really? Are you sure, babe? I’ll just have one last drink – then we go, ok?”
“Ok.”

Zo gaat het een tijdje door. Eén drankje, één nummer en nog één dansje. Oeh, I love this song.
Maar uiteindelijk krijg ik Enrique mee. Samen uit, samen th… eh, samen in de taxi! Na mijn vijfde ‘let’s go’ stappen we op.
Natuurlijk trekt hij nog één keer alle registers open. Het was schokkender geweest als-ie dat niet gedaan had. Maar ik stap uit. Ik geef hem een warme knuffel als afscheid en druk het geld voor de taxi in zijn hand. Hij drukt het weer net zo hard terug.
“Go, mi dushi amiga!”, zegt hij lachend als een boer met kiespijn. “Get out of my sight, ‘cause you’re making me crazy. At least dream about me!”
“Sleep tight, Enrique. I’ve had a great time! Thanks for the dance.”

Het is tegen half 6. Ik loop het kleine hotel binnen en steek mijn keycard in het slot van de kamer. Ik ben blij en opgelucht. Blij na een fantastische leuke dag met meer dan aangenaam gezelschap, opgelucht dat mijn aangename gezelschap nu weg is.
Wat een dag, wat een avond, wat een nacht. Met het ritme van de bachata nog in mijn hoofd, de soepelste heupgewrichten die er zijn en vermoedelijk drie kilo lichter plof ik vies en bezweet op bed. Nagenietend staar ik nog een tijdje naar het plafond. Zou Enrique zich nu net zo goed voelen als ik of ligt hij zichzelf nu gefrustreerd… eh, nou ja. Anyway.

Ik denk er nog weleens aan terug. Aan Curaçao, het terras, Mambo, het dansen en aan hem. Er gaat niks boven spontane ontmoetingen, dagen zonder plan. ’s Middags geen idee hebben waar je ’s avonds zult zijn en met wie, en jezelf dan terugvinden in een strandclub met een Colombiaanse dansgod.
Altijd als ik bachata hoor of dans denk ik aan Enrique. Eerlijk is eerlijk, hij was een beetje, …ehm, intens. Volhardend en bij tijd en wijle wat opdringerig. Maar dansen kon-ie als geen ander!


Vooruit, de foto’s: