0

De stoute schoenen van Andrea Santoni

Andrea Santoni (79) staat op van zijn stoel, tilt zijn linkerbeen op en balanceert met verbazingwekkend gemak op het rechter; bruine Santoni’s, double buckle, gemaakt van krokodillenleer. “Dit zijn mijn lievelingsschoenen”, zegt hij trots. Hij mag het stokje dan overgedragen hebben aan zoon Giuseppe, nog altijd wordt elke nieuwe schoen door hemzelf een week lang gedragen en gekeurd.

In opdracht van: berry! Magazine (Van den Assem)

Mensen die van mooie dingen houden: zo vat Andrea Santoni, pater familias en oprichter van het merk, de liefhebbers van de beroemde high-end schoenen kort en krachtig samen. Speciaal voor het Santoni-event, georganiseerd door Van den Assem, vloog hij op 7 oktober jl. naar Nederland. Dat we te maken hebben met een gepassioneerd en bijzonder bekwaam vakman, is geen nieuws. Andrea Santoni blijkt bovenal een warme en geduldige man met een inspirerend ondernemersverhaal. Terwijl de gasten in de naastgelegen ruimte genieten van een hapje en een drankje, geeft hij met behulp van een tolk zijn vierde interview af. Tussendoor komen mensen binnen voor een foto of laten ze hun Santoni-boek persoonlijk signeren.

Nog niet moe, meneer Santoni?
“Welnee. Energie voor tien! Kom maar op met je eerste vraag.”

U begon het bedrijf in 1975. Hoe is het voor u allemaal begonnen?
“Ik groeide op in Corridonia, in de provincie Macerata in Italië. Ik kom uit een traditionele landbouwfamilie. Mijn vader wilde graag dat ik ging studeren, maar ik wilde op mijn zestiende maar een ding: werken! Studeren was overigens de makkelijke weg geweest, gezien de nonnen en monniken lesgaven in ons dorp. Voor mijn werk in de schoenenfabriek liep ik een jaar lang dagelijks zes kilometer heen en zes kilometer terug. Na dat jaar had ik eindelijk genoeg geld gespaard om een fiets te kopen!”

In de dertien jaar die Andrea in de fabriek werkte, leerde hij de kneepjes van het vak. Hij werkte zichzelf op van – naar eigen zeggen – onderste werknemer tot productiemanager van de regio. Op zijn 29e trok hij zelf de stoute schoenen aan en begon, samen met zijn vrouw Rosa, zijn eigen bedrijf. Santoni Shoes® was een feit.

“Voor mijn werk in de schoenenfabriek liep ik een jaar lang dagelijks zes kilometer heen en zes kilometer terug”

“We begonnen zonder startkapitaal. Met slechts één werknemer zaten we in een kleine kelder. Nu hebben we 650 man in dienst en werken we sinds 1989 in een ruimte van 1500 vierkante meter. We hebben in totaal 25 winkels, waarvan 15 in Italië en nog 10 over de rest van de wereld. We zitten trouwens nog steeds in Corridonia. Van ontwerp tot afwerking, alles gebeurt onder dit dak.”

Wat is het geheim geweest?
“Ik houd oprecht van mooie dingen. En ik ben er heilig van overtuigd: als je kwaliteit boven kwantiteit verkiest, dan bereik je na verloop van tijd óók een grote kwantiteit. In de tijd dat ik begon met schoenen maken, was er net een stijgende tendens in het vereenvoudigen en versnellen van productieprocessen – iets wat de kwaliteit niet ten goede komt. Ik ben in de eerste periode mijn hele netwerk langsgegaan. Ik had toen geen rooie cent, maar ik zei tegen mijn contacten: ‘Vertrouw me, ik ga kwaliteit leveren en ik zal jullie betalen.’

“Mijn grote bron van inspiratie was Berluti, een Franse schoenproducent. Ik ging op één avond soms vier keer langs de winkel; zo mooi vond ik die schoenen. Na weer zo’n avond kwam ik thuis, nam ik een heet bad en kreeg het idee: ik moet een schoen maken die nog beter en mooier is.”

En dat is gelukt…?
(lacht) “Ja!”

Het geheim schuilt volgens Andrea in het behoud van traditionele methoden voor schoenmaken. Tot op de dag van vandaag wordt alles met de hand gemaakt. Van het snijden van het leer tot het inkleuren, allemaal handwerk. Alleen het allerbeste is goed genoeg: Santoni-schoenen worden uitsluitend gemaakt van ‘s werelds beste leersoorten, tot aan de inlegzolentoe. Rundleer, paardenleer en allerlei soorten exotische huiden, waaronder padden-, leguanen-, krokodillenhuiden en zelfs huiden van palingen. Andrea: “Dat komt onbewerkt binnen, klaar om te worden behandeld door een vakman. Het leer wordt zorgvuldig en met de hand geverfd. Elke schoen is uniek.”

“Als je kwaliteit boven kwantiteit verkiest, dan bereik je na verloop van tijd óók een grote kwantiteit”

Waar bent u het meest trots op?
“Dat kan ik niet zeggen. Ik ben namelijk elke dag weer trots, op elke lijn en elke schoen die we maken. Ik leg nog altijd de final touch aan alle ontwerpen. Als de schoen gemaakt is, draag ik ze een week lang – ik wil zeker weten dat ze perfect zijn. Dat is al 40 jaar de standaard.”

   

Hoe zou u uw klanten omschrijven?
“Mensen die van mooie dingen houden, een goede smaak hebben en representatief voor de dag willen komen.”

Even nieuwsgierig… Uw zoon aan het roer, uw vrouw in het atelier; hoe is het om dag in en uit met la famiglia te werken?
“Dat is toch het allermooiste wat er is?

Is het nooit lastig?
“Vroeger soms wel, toen liep alles dwars door elkaar. Op een gegeven moment zei Rosa: ‘Nu is het klaar, vanaf nu geen zaken meer aan de eettafel.’ Sindsdien houden we werk en privé strikt gescheiden. Dat werkt goed. In vijftig jaar tijd hebben Rosa en ik nog nooit ruzie gehad over werk.”

Hoe was het voor u om het stokje door te geven aan uw zoon Giuseppe?
“Dat deed ik met liefde en in het volste vertrouwen, omdat hij er klaar voor was. Ik heb hem alles geleerd en gegeven wat ik kon. Ik kom nog regelmatig op de werkvloer, maar ben ook rustig aan het afbouwen. Mijn zoon heeft Santoni trouwens uitgebreid naar China en Japan. Dat deed hij net zoals ik het vroeger deed: eerst lange tijd alleen maar observeren. Hoe is de cultuur? Wie zijn de klanten en wat willen ze? Inmiddels verkopen we jaarlijks 30.000 paar schoenen in Japan!”

Tot slot, kunt u vast wat verklappen over de wintercollectie van 2017?
“De schoenen worden weer wat robuuster. Ronde neuzen, grotere vormen, dikkere zolen. Back to the classics, dus eigenlijk.”

Op de vraag of de Santoni’s trendsetters zijn, reageert Andrea met een ondeugende glimlach. Op die vraag kan hij zelf geen antwoord geven. Dat mogen wij doen!

0

Zij zijn groot, maar samen zijn we groter

Dat Hester Duursema, algemeen directeur van BLN-Schuttevaer, hart voor haar werk heeft, staat als een paal boven water. Ondanks een fikse verkoudheid stond ze erop het interview door te laten gaan. We ontmoeten elkaar op het hoofdkantoor in Zwijndrecht. Een gesprek over de toekomst van de binnenvaart, de ongepolijste charme van de schipperscultuur en 100 uur per week werken.

Tekst: Karin Koolen
Beeld: Antim
Geschreven in opdracht van: Onze Haven

Het is 2010 als binnenvaartambassadeur Arie Verberk de eerste stap zet richting een branchevereniging voor de binnenvaart. Nederland telt dan al zo’n 3000 varende ondernemers die vertegenwoordigd worden door diverse kleine organisaties, die allemaal met een eigen agenda naar Den Haag gaan. Niet handig, want – zo bleek na een inventarisatie – de gedeelde belangen zijn veel groter dan de verschillen. Samen sta je sterker. In een lang en lastig traject, waarin weerstand moet worden overwonnen en een gezamenlijke visie moet ontstaan, wordt de integratie georganiseerd. Hester Duursema (34) heeft nog geen enkele ervaring in de binnenvaart als zij vanuit Rebel (een consultancybedrijf) als adviseur wordt aangesteld om de transitie te begeleiden. Maar ze doet het goed. Zo goed zelfs, dat ze, nadat de fusie in 2013 beklonken is, gevraagd wordt te blijven als algemeen directeur.

Echt invloed uitoefenen

Ze heeft nog even getwijfeld voor ze ja zei, bekent ze. “Bij mijn vorige werkgever werkte ik voor diverse sectoren. Zou de binnenvaart niet eentonig worden, vroeg ik me af. Maar ik vond het ook leuk om echt invloed te kunnen uitoefenen, in plaats van enkel te adviseren.” Hester werd bovendien geraakt door de complexiteit en authenticiteit van de binnenvaart. “Ik kom uit een expatgezin – mijn vader werkte voor Heineken – en heb veel in diplomatieke sferen verkeerd. Daar trof ik veel aangeleerd gedrag, waar het hier juist heel echt is. Men zegt vaak plompverloren waar het op staat. Dat ongepolijste vind ik charmant. Feedback geven gaat ook even anders dan ik gewend was. Stond ik een presentatie te geven, zei iemand: ‘Joh Hester, al dat Engels hoeft van ons niet.’”

Enorm lucratief

Nu ruim drie jaar verder houdt BLN zich onder andere bezig met het vergroten van het marktaandeel. Want, zo stelt Hester, er is nog veel onbenut potentieel op het water. “Denk aan het fileprobleem; één groot schip kan 166 vrachtwagens van de weg halen. Bedrijven als Heineken, Nutricia en Samsung maken hier al gebruik van. Vaak wordt onterecht gedacht dat de binnenvaart traag of duur is, maar ga je rekenen, dan blijkt het enorm lucratief. Kleinere ladingen kun je met meerdere leveranciers bundelen. Bovendien moet maar twintig procent van het vervoer snel. En denk ook eens aan gevaarlijke stoffen die nu per trein door dichtbevolkte gebieden vervoerd worden.” De organisatie onderzoekt momenteel welke ladingstromen eventueel verlegd kunnen worden.

Kortom: de binnenvaart staat voor lagere kosten, veiligheid én duurzaamheid. En duurzaamheid wordt alleen maar belangrijker. Hester: “Consumenten zullen er in de toekomst steeds meer om vragen, verladers zien steeds beter in dat ze zich zo kunnen onderscheiden.” Gebruik van waterwegen kan CO2-uitstoot reduceren met maar liefst zeventig procent ten opzichte van het wegvervoer. Het ministerie ziet in de binnenvaart dan ook terecht een antwoord op milieuvraagstukken. Er is echter 150 miljoen euro nodig om de binnenvaart te vergroenen, zegt Hester. “Denk aan nabehandelingstechnieken, alternatieve brandstoffen, hybride systemen. Op dit moment ontbreekt het varende ondernemers aan financiële middelen en ze verdienen zo’n investering ook niet terug. Maar er zijn tig mogelijkheden om emissie-uitstoot te verminderen. Wij zetten dan ook in op ‘meten aan de pijp’: wat stoot je uit terwijl je vaart, aan welke knoppen kun je draaien om dit te verlagen?”

Zelf besluit nemen

“Het is onze missie ondernemers handelingsruimte, inzicht en instrumentarium te geven om zelf een gefundeerd besluit te kunnen nemen”, legt ze uit. Niet alleen op het gebied van milieu, maar ook rondom veiligheid. “De overheid bedenkt allerlei wet- en regelgeving, milieueisen, veiligheidseisen, bemanningseisen. Voor kleine bedrijven in de binnenvaart is het lastig zich met deze materie bezig te houden. Het ontbreekt hen ook aan tijd en middelen. Nu hebben we een gezamenlijke stem die we kunnen laten horen aan de (inter)nationale bestuurders.”

Het is daarbij belangrijk zichtbaar te maken wat BLN doet en gedaan heeft: welke paal is gelegd, wat gebeurt er met die brug die de gemeente wilde verlagen, waar komen nieuwe ligplaatsen en waar kun je huisvuil kwijt? “In 2016 hebben we 140 dergelijke punten gerealiseerd”, vertelt Hester. “Dat spreekt onze leden aan, niet zozeer het subsidieprogramma wat we nu met de EU opzetten, al kan hen dat in de toekomst veel opleveren. We communiceren intensief via een nieuwsbrief, de krant en sociale media, maar toch bereikt niet alle informatie onze leden. Het leven van een schipper is hectisch.”

‘MEN ZEGT VAAK PLOMPVERLOREN WAAR HET OP STAAT. DAT ONGEPOLIJSTE VIND IK CHARMANT’

Daarom gaat BLN ook naar de schepen toe om een vinger aan de pols te houden; wat speelt er, waar lopen varende ondernemers tegenaan? Tijdrovend, maar heel belangrijk. Hester: “We zouden het nog meer moeten doen.”

Ondernemerschap versterken

BLN vertegenwoordigt veelal kleine ondernemers met van oudsher een vrijgevochten, misschien wel conservatief beroep. Frank Put, adviseur van het Havenbedrijf, noemde in een interview eens het ‘calimero’-gedrag ten opzichte van grote organisaties; zij zijn groot en ik ben klein. Hester: “Dat herken ik wel, maar de sector verdient het meer zelfvertrouwen te krijgen. Daar werken we aan door handvatten te bieden waarmee ondernemers hun handelingsruimte kunnen vergroten en meer zicht hebben op de keuzes en mogelijkheden die er zijn. In grote mate betreft dit een versterking van het ondernemerschap in de sector. Varen is een prachtig beroep: je bent eigen baas, geen dag is hetzelfde. Tegelijkertijd wordt het steeds minder ‘hobby’ en meer bedrijf. Sommige ondernemers hebben het schip afbetaald en doen ‘voor de leuk’ een reisje naar Frankrijk, maar de meesten moeten continu varen om überhaupt de hypotheek te kunnen betalen.”

De binnenvaart wordt daarbij steeds complexer, stelt ze. Varende ondernemers moeten de korte termijnnoden combineren met die op de lange termijn. “Het is goed jezelf de vraag te stellen: waar wil ik naartoe? Hoe kan ik me ook op de langere termijn onderscheiden?”

Stabiliteit en evenwichtigheid

Het waterpeil zorgt op dit moment nog voor enorme pieken en dalen. “Als het water zakt kun je minder lading meenemen en zijn klanten bereid meer te betalen, maar op het moment dat het waterpeil hoog is, hebben verladers de keuze uit 3000 varende ondernemers. Die weten van elkaar niet wat hun concurrenten vragen en varen vaak zo goedkoop mogelijk.” Geen toekomstbestendige situatie, aldus Hester. “In het belang van de hele keten moet er veel meer stabiliteit en evenwichtigheid in die marktstructuur komen. Dat lukt alleen als de neuzen dezelfde kant opstaan. Als brancheorganisatie zijn wij onder andere in gesprek met de Rabobank om te zien hoe we hier verandering in kunnen brengen, soortgelijk aan de varkenssector en de melkvee.”

Domme dingen zeggen

Een jonge vrouw van buiten de binnenvaartwereld. Moest Hester zichzelf extra bewijzen? Ze lacht: “Het geeft ook de vrijheid domme dingen te zeggen. Achteraf hoorde ik weleens dat mensen de kat uit de boom gekeken hadden, maar aangenaam verrast werden. Ik geloof dat je houding bepalend is: openheid en oprechte belangstelling is wat werkt. Ik ben daarbij ook een nerd, verdiep me graag én snel in de inhoud. Dat waarderen mensen. Ik heb trouwens ook mijn aspirant-diploma schipper gehaald. Ik kan geen goede dialoog voeren zonder de materie te kennen.”

Een intensieve baan, studeren én een tweede kindje op komst. Pittig? Hester: “Ik houd van hard werken. Mijn proefschrift schreef ik ook in de avonduren – in die periode leerde ik mijn vriend kennen, dus hij weet niet beter (lacht weer). Ik werk zo’n honderd uur per week. Maar ik vind het allemaal leuk. Zolang het me energie geeft, ga ik ermee door. Die binnenvaart staat immers ook niet stil.”

 

0

De loempia’s van mama Hong

Trots op het verhaal dat gisteren in het Algemeen Dagblad verscheen!


DSC01757

De loempiakramen van Đông Tây zijn sinds 1986 niet meer weg te denken uit het Rotterdamse straatbeeld. De familie Nguyễn bracht de Vietnamese loempia naar Rotterdam. Met zoon Thuân aan het roer kunnen klanten hier binnenkort ook terecht voor authentiek Vietnamees streetfood. Geserveerd vanuit vernieuwde kramen!

Tekst en beeld: Karin Spillenaar-Koolen

“Ben je weleens in Vietnam geweest?”, vraagt Thuân Nguyên (36). Hij nam de leiding in het familiebedrijf in 2007 – na de beroerte van zijn vader – op zich. “Je ziet er overal kraampjes met streetfood. Mensen rijden op scootertjes door de drukke straten en halen onderweg een gerechtje op.” Hij neemt een hap van zijn Bánh mì, een Vietnamese baguette zoals-ie in Vietnam sinds de Franse kolonisatie bereid wordt; een krokante korst, weinig deeg en veel ruimte voor de heerlijke vulling van kip en rauwe groenten. “Zo maakten mijn moeder – mama Hong – het thuis voor ons. Ik dacht; waarom zouden wij het niet maken voor de Rotterdammers?”

Vermoedelijke geen slechte gok, want in Amerika en Australië is de Bánh mì populairder dan de loempia in Nederland. “In Nederland kon je het echter nergens kopen – wij reden er vroeger voor naar Frankrijk! Een mijl op zeven natuurlijk. Toen zijn we het zelf gaan maken.”

Niet alleen de Bánh mì, maar ook de lenterollen met kip of garnalen en de Vietnamese kipspiesjes zullen het menu straks verrijken. Nguyên: “In Nederland eet je dit in restaurants, in Vietnam gewoon aan de straatkant. Toen er steeds meer terugkerende reizigers aan de kramen op de Lijnbaan en de Korte Hoogstraat vroegen om gerechten die ze in Vietnam gegeten hadden, wist ik wat ons te doen stond.”

Met de boot uit Saigon

Hij zet daarmee een stap in een lange familiegeschiedenis. Het is de familie Nguyên die de loempia in de havenstad geïntroduceerd heeft, aldus de familie. “Thuân was 1 jaar oud toen wij de levensgevaarlijke boottocht vanuit Vietnam maakten”, vertelt Nguyễn Thị Hồng – ofwel, mama Hong. De familie vluchtte na de val van Saigon, voor het naoorlogse regime dat het leven van sympathisanten met Amerika onmogelijk maakte. Hong: “We kwamen in Nederland terecht; hartje winter, een vreemd land, een vreemde taal. Mijn man en ik konden geen vast werk vinden maar waren vastberaden hier een bestaan op te bouwen. Ik had in Vietnam ook al een eetkraampje gehad en zodoende besloten we om hier loempia’s aan de man te brengen.”

Het had wat voeten in de aarde om de Rotterdammer kennis te laten maken met die ‘exotische’ loempia. Maar de aanhouder wint en in 1986 kreeg de familie Nguyên twee standplaatsen, precies waar ze nu ook staan. Thuân Nguyên: “Daarna zijn alle Vietnamezen in Nederland elkaar na gaan doen – het liep immers als een trein – en 35 jaar lang serveren we nu loempia’s op straat. Maar er is zoveel meer!”

Nieuwe kraam

image003

De oranje kramen met de – volgens Nguyên – snack-achtige uitstraling passen niet meer bij het nieuwe concept. Ze worden nu omgebouwd; natuurlijke materialen en hopelijk een barretje met krukken als de gemeente akkoord gaat. “We hebben dubbele strandplaatsruimte gekregen en bouwen aan grotere kramen”, zegt Nguyên. “Die ruimte is hard nodig, want we bereiden de nieuwe gerechten ter plekke. Het is geen fast food meer – je bent echt even bezig. We krijgen er ook een kraam bij, aan de Karel Doormanstraat.” En, niet onbelangrijk, de kramen krijgen een nieuwe naam; ‘Mama Hong’, zal op de gevel prijken!

Kiezen voor Rotterdam

Het nieuwe concept past helemaal binnen de huidige foodtrends van authentiek multicultureel eten en weten wat je eet, stelt Nguyên. “Sommige mensen denken dat wij kant en klaar inkopen, maar alles komt uit onze eigen keuken in Berkel; van het deeg tot de sauzen. Dat was zo en dat blijft zo.”

Ook Rotterdam is gebaat bij Đông Tây 2.0, gelooft hij. “Veel van mijn vrienden gaan tegenwoordig liever naar Zoetermeer dan naar Rotterdam; gratis parkeren, dezelfde winkels, alles dicht op elkaar. De Rotterdamse binnenstad wordt minder druk. Geef mensen een reden om te kiezen voor Rotterdam! Dit is een taak van de gemeente, winkeliers en kleine ondernemers zoals wij. De meerwaarde van de stad zit ‘m in recreëren. Wij hopen daar met ons nieuwe concept aan bij te dragen.”

Overigens hoeven de ‘ouderwetse’ loempialiefhebbers zich geen zorgen te maken; die blijven ook gewoon op het menu!

0

Ossip van Duivenbode: “Ik ga nooit over de top”

Vers Beton interviewt in samenwerking met Rotterdamse Nieuwe jonge beeldbepalende en bijzondere ondernemers in Rotterdam. Wie zijn ze, wat doen ze en waarom kozen ze voor Rotterdam? Vandaag: Architectuurfotograaf Ossip van Duivenbode.

Tekst: Karin Koolen
Beeld: Richard Beukelaar

Het zijn drukke tijden voor Ossip van Duivenbode (34). Hij heeft diverse fotografieprojecten lopen in binnen- en buitenland, speelt deze week (11 december red.) een belangrijke rol bij de opening van het Timmerhuis aan de Meent en als klap op de vuurpijl is hij net verhuisd. Desondanks maakt hij graag tijd vrij voor een interview. We treffen elkaar in De Huiskamer op het Centraal Station.

Gelijk maar een brutale vraag; klopt het dat jij in het nieuwe Timmerhuis woont?

“Ja! De afgelopen 2 ½ jaar heb ik het bouwproces nauwgezet gevolgd en vastgelegd. Het project sprak me meteen aan. Ik ben dan ook een echte binnenstadbewoner – ik woonde hiervoor aan Hofplein. In het Timmerhuis zitten mijn vriendin, zoontje (2) en ik weer middenin de stad, maar nu op 12 hoog met een spectaculair uitzicht. Door de bouwstijl is het meer een apenrots dan een woontoren – elke woning is uniek. Ik heb een hele serie foto’s gemaakt voor de pers. Tijdens de officiële opening houdt ik voor hen open huis – best spannend!

Een groot voordeel is het licht in huis! Als fotograaf ben ik altijd bezig met licht. Als ik wakker word kan ik gelijk inschatten wat voor weer het wordt; waar komen de wolken vandaan? Hoe heiig of hoe helder is het? Ik merk nu al dat dat invloed heeft op de planning van de dag.”

En hoe was het weer vanmorgen?

“Laat ik het zo zeggen; het is een perfecte dag om met jou af te spreken en straks wat werk binnenshuis te doen.”

Jij bent architectuurfotograaf. Hoe is dat zo ontstaan?

“Ik studeerde architectuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. In 2007, het Architectuurjaar in Rotterdam, kreeg ik een stageplek bij AIR. Ik heb toen meegewerkt aan een publicatie over 30 jaar architectuur in Rotterdam en trok de rol van beeldredacteur naar me toe. Daarvoor dook ik regelmatig het archief in op zoek naar foto’s van gebouwen. Omdat ik een deel van die foto’s niet goed genoeg vond, besloot ik ze zelf te maken. Wat bleek? Die waren zo goed dat ze gebruikt konden worden in het uiteindelijke boek! Daarna heb ik nog jaren voor AIR gewerkt in verschillende projecten, maar het werken met beeld sprak me meest aan. Ik kreeg gaandeweg steeds meer fotografieopdrachten. In 2010 schreef ik me in bij de Kamer van Koophandel en sinds 2012 is dit mijn fulltime baan.”

Heb je een fotografieopleiding gevolgd?

“Nee, op een cursus bij de SKVR na. Technisch heb je dit vak snel onder de knie, zeker nu bijna alles digitaal gaat. Ik ben ook blij dat ik geen fotografieopleiding genoten heb. Fotografie is namelijk niet de drijfveer voor mijn foto’s; architectuur is dat wel.

Om goed te worden moet je je vol overgave specialiseren. Als je teveel wilt, of jezelf teveel verbreedt, kom je moeilijk aan opdrachten. Door je te specialiseren creëer je op een gegeven moment een netwerk dat je verder helpt. Een sportfotograaf heeft een heel ander netwerk, spreekt een andere taal, vindt andere dingen leuk. Ik geniet van stedenbouw en stadsarchitectuur!”

Hoe helpt jouw studieachtergrond je in dit werk?

“Tijdens de studie leerde ik architectuur begrijpen, er naar te kijken, en ontwikkelde ik een kritisch vermogen; het goede van het minder goede onderscheiden. Wat is interessant? Waar wil ik mee bezig zijn? Ik gebruik mijn studie dus elke dag!”

Welke rol speelde fotografie in jouw jeugd?

“Geen, eigenlijk. Als kind was ik goed in tekenen. Ik zie fotograferen als een soort verlengstuk daarvan; ik kon niet creëren vanuit niks, maar als ik iets bekeken had kon ik dat heel precies natekenen. Als fotograaf doe ik hetzelfde; heel goed kijken, alle tijd en rust nemen, de omgeving observeren. Als een bezetene tussen mensen door rennen op een event is dan ook niks voor mij. Geef mij een onderwerp waar ik over na moet denken; standpunten uitproberen, statief neerzetten en dan uren bezig zijn met die ene foto. Die foto moet worden zoals ik die plek of dat gebouw ervaar. De foto is dan een hulpstuk om bezig te kunnen zijn met die architectuur.

Allebei mijn ouders zijn architect. Ik ben opgegroeid in de stad en geïndoctrineerd door stedentripjes (lacht). Een tijd geleden was ik in New York. Ik vind het zo fascinerend dat zo’n stad door mensenhanden gebouwd is en dat in slechts een paar honderd jaar. Ook in Rotterdam heb ik dat gevoel; waarom ziet de stad eruit zoals ze eruit ziet? Zo’n vraag houdt mij bezig.”

Hoe Rotterdams is jouw werk?

“Ik werk over de hele wereld maar ik woon hier. Ik ken de stad ook om mijn duimpje. Veel van mijn opdrachtgevers zijn in de stad gevestigd. Rotterdam is altijd in ontwikkeling – dat fascineert mij. Hier tref je een bepaald soort lelijkheid die ik – misschien daardoor – mooi vind. Als je architectuur gaat begrijpen, ga je anders kijken en het anders waarderen. Kijk bijvoorbeeld naar het Groothandelsgebouw; in de jaren ’90 vonden veel mensen dat een lelijk gebouw. Net als Central Post – goddank is dat niet afgebroken maar gerenoveerd. Het heeft een andere functie gekregen en een nieuwe rol ingenomen naast het gloednieuwe Centraal Station – daardoor gaat men het anders waarderen. Maar ook flatgebouwen nabij de Lijnbaan; ‘dat zou leuk staan in Meppel’, hoor ik weleens, maar ik zie er mooie details in.”

Hoe zou je jouw stijl als architectuurfotograaf beschrijven?

“Strak en recht, zodat er rust in foto’s komt. Ik kader mijn foto’s zorgvuldig uit. Ik streef ernaar om het gebouw zo helder en compleet mogelijk in beeld te krijgen. Ik houd van mooi licht – zon, schemer – maar ik ga nooit over de top. Geen fratsen met filters en HDR technieken. Ik werk trouwens altijd met Tilt-shift; daarmee kun je de horizon precies plaatsen waar jij ‘m wilt.”

Op welke foto ben je het meest trots?

“Eigenlijk is dat een fotoserie; Flat(s). Flats omdat het foto’s van flatgebouwen waren, maar ook omdat het hele platte beelden waren; close-ups van een gebouwen. Het resultaat waren foto’s met strakke lijnen, precies recht gekaderd, maar doorbroken door kleine interventies; door menselijk handelen. Bijvoorbeeld een glazenwasser die kerstverlichting aan het weghalen is. Puur levenloze gebouwen kan ik ook prima fotograferen, maar juist zo’n onderbreking waardoor het minder afstandelijk wordt geeft het contrast. En dát maakt het interessant!”

Ossip-8509-1280x853

Wat is als freelancende ondernemer jouw beste zet geweest?

“In het diepe springen. Dat is wel een cliché he?”

Een beetje wel ja…

“Kijk, je wordt natuurlijk steeds beter in je communicatie met opdrachtgevers. En zakelijker. Noodgedwongen ook – op een gegeven moment kreeg ik zoveel werk dat het simpel werd; het kost wat het kost en anders maar geen opdracht. Daarmee straal je ook professionaliteit uit.

Een fout die ik – en veel freelancers met mij – heb gemaakt was teveel werk aannemen. Ook opdrachten die niet in mijn straat paste. Dat doe ik niet meer. Als het niet mijn type fotografie is zeg ik ‘nee’ en raad ik iemand anders aan die het beter kan en leuker vindt. Ook al is het het meest toonaangevende en prestigieuze bureau. ‘Maar als je wel iets hebt in mijn straatje weet je me te vinden’, zeg ik dan. Zo creëer je duidelijkheid over waarvoor mensen jou moeten benaderen.”

Soms hebben freelancers het gevoel dat zich geen ‘nee’ kunnen veroorloven. Ken jij dat?

“Dat herken ik ook wel hoor. Ik vind het nog steeds moeilijk om op vakantie te gaan. Dit jaar ben ik slechts een weekje weggeweest en dat was nota bene voor een bruiloft in Spanje. En dan check ik dagelijks mijn mail en sleep ik mijn laptop en harde schrijf mee om eventueel foto’s te kunnen versturen. Je bent toch bang dat je iets mist.”

Of dat iemand er van doorgaat met jouw klus!

Ossip lacht. “Het voelt soms als een wedstrijd, ja. Dat is ook leuk, want je stijgt boven jezelf uit. Als ik weet dat een andere fotograaf eenzelfde project fotografeert, dan ga ik nóg harder mijn best doen.”

Er hangt een spreuk op de Erasmus Universiteit; ‘De enige manier om beter te worden is door je eigen werk af te keuren.’

“Daar ben ik het wel mee eens. Blijf altijd kritisch op jezelf. Als ik foto’s zie ik uit 2012 denk ik soms; die zou ik nu anders maken. En dat is maar goed ook! Het zou treurig zijn als je in al die jaren niet groeit.

Er zijn ook grote verschillen tussen wat opdrachtgevers willen en mooi vinden; smaken verschillen. Soms schiet ik voor mijn gevoel een architectuurfoto met een net te heftig perspectief; dat staat de opdrachtgever te juichen. Of andersom. De kunst van het aanvoelen wat de opdrachtgever mooi vindt; die moet je gaan verstaan.

Ik streef er ook naar om niet te lang voor dezelfde opdrachtgever te werken. Elk nieuw begin vereist namelijk frisheid en energie om opnieuw na te denken en er compleet voor te gaan. Je moet je weer bewijzen! Afwisseling is goed – dat gebeurt in mijn werk volop.”

Tot slot; waar gaan jouw ambities naar uit?

“Het lijkt me leuk om nog meer onderzoekend en verhalen te fotograferen, in opdracht van uitgeverijen of magazines. Dus niet alleen sexy fotografie voor een designmagazine of voor promotiedoeleinde, maar echt verhalen vertellen. Bijvoorbeeld het in beeld brengen van het veranderende landschap van de Noordoostpolder. Of conciërgewoningen fotograferen; hoe werden ze gebruikt? Wat bleef over? Ik zou het mooi vinden om daar archieffoto’s bij te gebruiken als dat het verhaal ondersteunt. En dan zijn we eigenlijk weer terug bij mijn studieachtergrond; als architectuurhistoricus ben ik opgeleid om archieven in te duiken en onderzoek te doen. Het lijkt me mooi als ik dat met fotografie kan combineren!”

0

Kirsten Spuijbroek: “Het is zó persoonlijk. Ergens wil ik het niet verkopen”

Vers Beton interviewt in samenwerking met Rotterdamse Nieuwe jonge beeldbepalende en bijzondere ondernemers in Rotterdam. Wie zijn ze, wat doen ze en waarom kozen ze voor Rotterdam? Ik interviewde drie ondernemers in de creatieve maakindustrie. Kirsten Spuijbroek, sieradenontwerpster, bijt het spits af. 

“Ik kom eraan hoor,” roept Kirsten (34) opgewekt door de telefoon. “Ik moest nog even melk halen voor de koffie.” Een moment later komt de goedlachse brunette aangefietst – rood gestifte lippen, een grote boodschappentas aan het stuur en een stuk speelgoed-op-stok in de hand. “Die is voor mijn zoontje Wolf – hij is drie.” In haar appartement op de Mathenesserweg zet ze koffie en thee en stelt voor om het gesprek boven in haar atelier voort te zetten.

Kirsten Spruijbroek, portret, R'damse Nieuwe
Beeld: Max van Dongen

Vertel, Kirsten. Wie ben jij?

“Ik woon sinds 2009 in Rotterdam. Ik kom uit Sprang-Capelle, een protestants gereformeerd dorpje in katholiek Brabant. Na wat omzwervingen begon ik op mijn 21e aan de studie tot ambachtelijk meubelmaker in Amsterdam. Hier in Rotterdam heb je een vergelijkbare opleiding, maar die is meer gericht op interieurbouw. Wij leerden echt met hout werken; zwaluwstaartjes steken, doeklatten maken en haaks schaven. Een supermooi vak, maar ik miste de brede materiaalkennis – ik wilde echt meubels ontwerpen en (met de hand) maken! Dus na mijn afstuderen koos ik voor de kunstacademie in Arnhem – productdesign. In mijn tweede jaar besloot ik me vanaf dan volledig te focussen op sieraden.”

Want je was een sieradenfanaat?

“Totaal niet! Ik droeg het ook nooit. Nu draag ik mijn eigen werk of dat van collega’s. Het is door mijn werk moeilijk om iets moois te zien. Bijvoorbeeld de sieraden in winkelketens; betaalbaar en soms best mooi, maar ik kan het niet kopen omdat ik weet dat ze hun inspiratie zoeken bij jonge goede ontwerpers. Kopietjes! Dat is enerzijds onvermijdelijk als je draagbare sieraden wil maken – alles heeft immers een referentie, daar kun je niet aan ontsnappen. Maar soms is het té duidelijk. Ik draag zelf trouwens nooit armbanden of overdadig veel sieraden. Ik houd juist van dat ene stuk waarmee je een mooi statement maakt.”

Hoe ben jij begonnen als ondernemer?

“Eigenlijk direct na de kunstacademie. Het was altijd al duidelijk dat ik nooit in loondienst zou werken. Ik kom uit een heel ondernemende familie. Mijn moeder had een naaiatelier. Mijn oma, overgrootmoeder en tal van ooms en tantes hadden ook eigen bedrijven. Op mijn dertiende liep ik in een winkelcentrum, toen ik me plotsklaps realiseerde dat de vrouwen in de winkels niet de eigenaren waren. Zij werken voor een baas! Ik dacht altijd dat alle volwassen mensen een bedrijf hadden!”

“Ik ben opgegroeid met hele zelfstandige vrouwen om me heen. Ik heb mijn oma nog nooit zien koken of stofzuigen; voor haar was het altijd vanzelfsprekend om te werken en het huishouden uit te besteden. Ik heb ook betere dingen te doen dat poetsen en – no offense – vier kinderen te baren. Dat deden zij trouwens wel; ik snap nog steeds niet hoe! Maar ik zie het mezelf niet doen.”

Wie zijn jouw klanten?

“Mensen met een voorliefde voor bijzondere dingen. Mijn sieraden liggen bij Groos en Olga Korstanje, maar ook bij prachtige winkels in Utrecht en Berlijn. En ik heb een galerie in Antwerpen.”

Waar haal jij inspiratie vandaan?

“Ik heb onlangs een hele draagbare en betaalbare collectie gemaakt. Geïnspireerd op het speelgoed van mijn zoontje en de blokkendoos. Speelgoed heeft veel symbolische waarde; als kind speel je ermee maar op een gegeven moment word je te oud en laat je het liggen. Daarmee staat het symbool voor geforceerd volwassen worden. Ik heb speelgoed uit elkaar getrokken en materiaal bekeken. Dat bleek veelal kunststof, dus daar zijn de sieraden ook van gemaakt. Nu ben ik er van af aan het stappen – ik wil alleen nog maar vrij werk maken. Ik ga niet meer nadenken over of ik iets wel of niet aan winkel kan verkopen.”

Hoe breng je de waar aan de man, dan?

“Vroeger dus echt door winkels af te struinen, en met succes. Maar ik ben geen verkoper. Althans, niet voor mezelf.”

Is dat bescheidenheid?

“Ja, dat houdt me wel tegen. Plus: ik kan de tijd beter besteden. Het minst leuke aan zelfstandig zijn is ondernemen, haha!Wat ik bedoel: voor mij is het zo persoonlijk – ontwerpen is persoonlijk. Wat je ontwerpt komt uit jou en dat ben jij. En dat moet je naar buiten brengen. Afwijzing en kritiek daarop wordt dan heel persoonlijk. Dat is het misschien niet, maar zo voelt het wel. Dat maakt het ook moeilijk om een waarde – als in geld – aan ontwerpen te geven.”

Je hebt rouwsieraden gemaakt. Dat klinkt erg persoonlijk.

“Dat was mijn afstudeerproject van de kunstacademie. Mijn zus overleed twaalf jaar geleden – en dat motiveerde mij. Het is lang geleden maar zo voelt het niet. Het verbaast me dat mensen ervanuit gaan dat een rouwproces op een gegeven moment ophoudt. Het houdt nooit op. Verdriet slijt niet; maar je weet het wel een plek te geven. Vanuit die gedachte ben ik met rouwsieraden begonnen. Tot 100 jaar geleden waren rouwsieraden overigens heel gebruikelijk. Tegenwoordig moet alles in het leven zo snel: ook voor rouw staat maar een beperkte tijd.”

“Ik maakte een tijd geleden een ketting van ebbenhout en porselein. Daar was ik maanden mee bezig. Ergens wil ik dat ook niet verkopen, of ik moet iemand er echt blij mee maken. Er zit enorm veel liefde en tijd in. Nu maak ik ook sieraden met as van de overledene in giethars. Uit dat werk haal ik zoveel voldoening.”

We weten nu dat je ondernemer tegen wil en dank bent, maar je hebt vast ook iets goeds gedaan op dat vlak.

“Gaandeweg leer je een hoop. Natuurlijk maak je fouten en die blijf je maken. Daar kun je moedeloos en chagrijnig van worden, maar besef dat je ervan leert. Ik ben in 2009 voor mezelf begonnen. Als ik nu terugkijk ben ik zo enorm gegroeid. Ik had eens een grote miscommunicatie met een galerie – met alle gevolgen van dien – daar ben ik toen kapot van geweest. Op dat moment was het zo heftig…je kent de etiquette nog niet. Maar juist door ervaring leert men. Voor mij werkt het bijvoorbeeld het beste om dingen uit te besteden. Schoenmaker blijf bij je leest! Mijn boekhouding en mijn schrijfwerk besteed ik uit – het kost mij onevenredig veel tijd en die tijd gebruik ik liever om te ontwerpen en te creëren.”

Tot besluit: mogen we jou nou een echt Rotterdamse maker noemen?

“Nou, aanvakelijk was Rotterdam niet mijn eerste keus, haha! Ik wilde eerst dolgraag naar Utrecht. Maar ik ben enorm van de stad gaan houden en wil hier niet meer weg. Mijn werk past ook goed in Rotterdam. Utrecht is pittoresk, historisch, kitsch. Mijn werk is eerder minimaal, groots en strak. Je kunt veel zeggen over Rotterdam maar kitsch is het allerminst. Hier wordt hard gewerkt. Een indrukwekkend CV, belangrijke opdrachtgevers of een prestigieuze galerie? Boeie! Hier win je respect door hard te werken!”