Nieuwe rubriek: Let’s talk about ♂ ♀

Ik heb vaak de mond vol van mannen. Liefde en lust. Van flirten, versieren, daten en relaties. Het zijn mijn favoriete onderwerpen om over te praten én om over te schrijven. Als tiener schreef ik mijn dagboeken al vol met overpeinzingen en observaties van onhandige en gênante paringsdansen die ik had aanschouwd. Op het strand bijvoorbeeld. Waarom gooien die jongens een zak paprikachips leeg over het hoofd van dat mooie blonde meisje als ze overduidelijk niets liever willen dan met haar de duinen inkruipen? Of handje-handje liggen, whatsoever. Waarom vallen de meiden in mijn klas allemaal op diezelfde galbak met z’n veel te grote bakkus? En waarom ben ík in hemelsnaam zo dolverliefd op die langharige Arthur met z’n gammele bromfiets? En waarom begrijpt niemand dat behalve mijn moeder?

Tijdens mijn jaar backpacken schreef ik een blog waarin ik mannen en hun versiertactieken uiteenzette aan de hand van hun nationaliteit. Vooruit, dat was een erg generaliserend (!) stukje, maar niet uit de lucht gegrepen. In Backpackistan gelden misschien andere wetten.

a good strong manVrienden weten het. Als de gebruikelijke koetjes en kalfjes en werk- en gezondheidgerelateerde onderwerpen besproken zijn, de wijn rijkelijk vloeit en it all feels right, stuur ik het gesprek behendig de bocht om. Waar ben je naar op zoek? Wat heb je gevonden? Wat verwacht je van de liefde, van een relatie en wat zoek je nu écht in een man of vrouw? Hoe gelukkig ben je? Waar val je op bij hem of haar? Nee, ik neem geen genoegen met ‘zijn mooie ogen’ (dat deden we in de tijd van Take That en zelfs toen niet) of haar ‘leuke lach’ als antwoord. Let’s explore! Trouwens, nu we het er toch over hebben, is de seks nog een beetje naar wens?!

Heb ik de wijsheid in pacht? Ik ben soms geneigd te denken van wel, maar dat is natuurlijk bullshit. Alles wat ik hierover zeg en schrijf is vanuit mezelf en daarmee over mezelf. Ik weet gewoon goed wat ik wil, waar ik voor val en wat voor mij werkt.
“Een man hoeft bij jou maar iets verkeerd te doen en jij knapt op hem af”, zei Eric ooit tegen mij.
Daar moest ik een beetje om lachen, vermoedelijk omdat er een hele kleine ieniemienie kern van waarheid in zit. Daarover later meer!

In plaats van betweterige schrijfsels over liefde en lust te plaatsen moet ik misschien zelf eens wat blootgeven

Gisteren – op zo’n typische luie, nutteloze zondag – kreeg ik een idee. In plaats van doorlopend abstracte en betweterige (!) schrijfsels over de materie te plaatsen moet ik misschien eens wat van mezelf blootgeven. Over mijn ontmoetingen, eerste indrukken, leuke en minder leuke dates, vlinders, gestuntel en awkward moments. Over mannen en versierpogingen. Over dingen die ik gezien en gehoord heb. Die ik meemaakte. Leermomenten. Herinneringen.
Het zijn – denk ik – mijn leukste en beste verhalen.
Misschien moet ik gewoon eens schrijven over De Arabier in Parijs. Over mijn date met de Franse Remy in Australië (die geen woord Engels sprak maar kon zoenen als de beste). Die maffe Braziliaan op de Grand Prix in Melbourne. Over mijn onaardige, onbeleefde maar onvermijdelijke ren- en vluchtgedrag en over hoe manlief Eric mij met geduld en vastberadenheid aan zich wist te binden. Tot het huwelijk aan toe. Over onze date bij Amerone op de Meent en die lul van een ober met zijn ‘ge-jongedame’.

Vooruit, ik zal een klein beetje censuur en anonimiteit toepassen – mijn (schoon)ouders lezen mijn blog immers ook. ;-)

77206-004-A6FEDAF1Wat denken jullie? Leuk? Interesse? Iedere week, of om de week, een blogje in die trant? Misschien is het een idee om af en toe een gastblogger aan het woord te laten! Maar voordat ik echt overstroom van ideeën, ga me eens buigen over deel 1.

Ciao! (bella ;-))

KutAUW!takketr #$@&%*! jedoetutexpres!

Met een verleidelijke beweging zwaai ik mijn been over Eric heen zodat ik in standje lapdance op zijn schoot kom te zitten. Ik vang zijn waarschuwende blik op. Dreigend, bijna. Ongerust ook. Maar ik laat me niet uit het veld slaan.
I have a job to do!

De volgende gaat pijn doen.
“AUHAUUUUUW!!! Godverdegodver, jezus christus, jij vuile valse takketr… Aargh! Die deed echt verschrikkelijk pijn!”
Vermaakt kijk ik naar het boze, van pijn vertrokken gezicht van mijn man. Met wrijvende bewegingen probeert hij de brandende plek tot rust te brengen.
“Je vroeg er zelf om, liefje”, zeg ik met een poeslief stemmetje.
“Ja, nou, jij geniet hier gewoon van, je vindt het veel te leuk”, dient Eric me van repliek. “En volgens mij maak je het expres zo pijnlijk!”
Ik schaterlach nu, hoewel Eric het niet helemaal bij het juiste eind heeft. Ik ben geenszins een sadist. Maar dít is stiekem wel een heel klein beetje leuk. Ik ben getrouwd met een man die me op handen draagt en de wereld over zou reizen voor mijn geluk, maar zo’n vier keer per jaar laat hij een ander geluid horen. En dat is altijd op deze momenten.
KutAUW!takketrutbitchjedoetutexpres in één ademteug. Ik vind dat knap.
“Zullen we dan maar stoppen, schatje?” No way dat we gaan stoppen natuurlijk. Dit is geen echte vraag. Half werk is niet aan mij besteed.
Eric is weer tot bedaren gekomen.
“Nee, ga maar door. Maar in één keer nou, laat ik niet merken dat je weer… AUW! Godver!”
“Die viel mee toch?”
“Pfffoeh…, die ging wel ja.”

“Straks heb je een gat en dan is het je eigen schuld”

Ik weet precies welke pijn doen. En welke niet. De kleintjes in het midden zijn prima te doen. Die bij de staart zijn al gevoeliger. En de lange en superdikke in het midden – vaak wit, juist die willen we hebben – zijn het allerergst.
Ik zie er nog een paar. Eigenlijk wil ik ze allemaal voor een perfect resultaat. Je bent een puritein met een obsessie voor perfecte wenkbrauwen of je bent het niet.
Maar ik moet keuzes maken. Er is een limiet aan wat Eric nog doorstaat. Of beter gezegd, wat hij nog toestaat. Waarschijnlijk kan ik nog drie keer trekken voordat hij uit de stoel springt en mij van zijn schoot werpt. En om te voorkomen dat hij straks voor lul loopt met ongelijke wenkbrauwen moet ik mijn aandacht verdelen over links en rechts. Vooruit, aan beide kanten nog één. In mijn haast trek ik er per ongeluk twee tegelijk uit.
“Aaargh! AUW! Klaar nu! Stoppen!”
“Het helpt ook niet dat je zo fronst, Eric, zo kan ik het helemaal niet goed zien! En straks heb je een gat en dan is het je eigen schuld. Ik moet er nog een paar, dus kom op, verman je!” Ik doe mijn best om streng en vastberaden te klinken, maar mijn ogen glimmen van de opkomende slappe lach.
“Nee! Nee, meisje, heb je me gehoord? Ik ben er nu echt helemaal klaar mee.” Eric heeft mijn pols vastgepakt en weerhoudt me ervan het pincet weer naar zijn wenkbrauw te brengen.
“De laatste nog…? Nog één? Ik doe ‘m héél voorzichtig. Echt héééél, héééééééél erg voorzichtig…”

Eric staat niet op. Wellicht door het zuurstoftekort in zijn hoofd. Of door de shock, dat zou ook kunnen. En ik ben nog steeds niet van zijn schoot geduwd. Mijn handen zijn weer vrij.
I’ll take that as a yes.
Snel, voordat hij zich kan bedenken, breng ik het pincet richting een lange dikke haar die als een antenne naar voren steekt. Zo eentje met een wortel ter grootte van een kikkererwt.
Eén, twee… TAK!
“AUW!”
Demonstratief gooi ik mijn tweezerman op tafel en hef mijn lege handen op. Mijn man is een beetje rood aangelopen. Uit ervaring weet ik dat de tranen je in de ogen kunnen schieten bij deze activiteit. Langzaam verschijnt het licht weer in zijn ogen. Snel kus ik hem op beide wenkbrauwen.
“Je ziet er nu wel héél mooi uit hoor.” Ik lach mijn liefste lach.
“Nou, dan is het in ieder geval niet voor niets geweest, jij kleine sadist!”

Mannen.
Mannen met borstelige wenkbrauwen.
Als ik net zo kleinzerig was geweest had ik nooit zulke mooie brows gehad!

bert-unibrow

Happy times on the happy island, …Aruba!

Aruba!
Gisteren kwamen Eric en ik thuis na twee heerlijke weken vakantie. Inmiddels liggen de teenslippers weer achterin de kast, hangen de eerste zongebruinde vellen al aan mijn schouders en decolleté (afblijven! niet aan trekken!), zijn de wasjes weggewerkt en bladdert de tropisch gekleurde nagellak stukje voor stukje van mijn tenen. We zijn weer thuis. En jemig, wat is het hier koud! Om toch een beetje in de Caribische sferen te blijven, en het vakantiegevoel zo lang mogelijk vast te houden, leek het me leuk om een verslagje van onze trip naar The Happy Island te maken.

Lezerswaarschuwing: Hoe ik ook mijn best doe, ik ben simpelweg niet in staat om over een (Caribisch) eiland te vertellen zonder daarbij steeds over Bonaire te beginnen. Dat krijg je er met geen honderdduizend kokosnoten uit. In 2010 verbleef ik voor mijn afstudeeronderzoek vier maanden op Bonaire en ergens tussen Slagbaai en Kralendijk ligt nog altijd een stukje van mijn hart. Soms vraag ik me af waarom we daar niet gewoon wonen. Bonaire heb ik goed leren kennen en ik ben er van gaan houden, om alles wat het is en vooral niet is. Maar dat betekent niet dat ik niet van de andere eilanden kan genieten. En variatie moet er zijn, toch? Na Bonaire, Curaçao en Sint Maarten, vlogen we ditmaal naar het meest linkse (topografisch gezien dan) eilandje van de Benedenwindse eilanden van de Kleine Antillen. Daar een vakantie vol van zon, zee, strand, lekker eten en heerlijke cocktails zich niet goed leent voor een klassiek reisverslag, vertel ik jullie vandaag wat meer over Aruba én deel ik onze favoriete plekjes en to do’s.

Aruba mag dan met 180 km² het kleinste eiland van de ABC (Aruba, Bonaire, Curaçao) zijn en qua oppervlakte vergelijkbaar met Schiermonnikoog, het is tevens het meest dichtstbevolkte eiland. Aruba telt bijna 110 duizend (!) inwoners. Ter vergelijking, Schiermonnikoog telde er vorig jaar 942. In 1986 tekende Aruba een akkoord om uit de Nederlandse Antillen te stappen en sindsdien functioneert zij als een zelfstandig en autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Het is niet verwonderlijk dat Aruba deze mogelijkheid had, want met de parelwitte lange zandstranden, de azuurblauwe zee, het heerlijke klimaat en het natuurschoon boven en onder water, is het een paradijsje voor toeristen. Jaarlijks bezoeken anderhalf miljoen mensen het eiland, waarvan driekwart Amerikaans is. Het vliegveld kent dan ook twee vertrekhallen: USA departures en, je raadt het al, non-USA departures. Jep, als je naar Aruba gaat word je simpelweg geclassificeerd als niet-Amerikaans. Effe wennen wel. Wel weer goed voor het zelfvertrouwen van de gemiddelde Amerikaan.

1504039_893103624085856_4073299351031105058_nIk bleek een beetje naïef. Natuurlijk wist ik dat Aruba toeristisch was, maar zó toeristisch, en op deze manier? Nee, daar had ik geen idee van. Alles is hier erg goed geregeld en het aanbod in zo’n beetje alles is enorm. Dat maakt het eiland ook ‘vol’, in tegenstelling tot de rust en eenvoud die Bonaire zo typeert (en siert).

Het toerisme is voornamelijk geconcentreerd in Oranjestad en aan de westkust van het eiland. Aan de westkust heb je de mooiste stranden, vooral Palm Beach en Eagle Beach zijn enorm populair. Eagle Beach is in 2014 zelfs uitgeroepen tot mooiste strand van de Cariben. Aan dit strand bevindt zich de lowrise, ofwel de laag gebouwde resorts en hotels. Gebouwen met meer dan vier verdiepen noemen ze op Aruba highrise en deze bouw vind je aan Palm Beach. Alle grote hotelketens, maar ook de kleinere en minder luxe accommodatie, zijn vertegenwoordigd en van alle Amerikaanse restaurant- en koffieketens (Wendy’s! Starbucks! O hallo Tony Roma’s steakhouse!) zijn wel een paar filialen te vinden.
Dagelijks meren er twee of drie enorme cruiseboten aan in de haven van Oranjestad om een vracht aan dagjesmensen te lossen. Het eiland staat bol van souvenirwinkels, touroperators en juwelierszaken. Ik vroeg me trouwens al een tijdje af wat de link is tussen cruiseboottoerisme en juwelierszaken, maar volgens mij weet ik het antwoord. Of althans, Eric wist het antwoord. Komt-ie! De klassieke cruiseboottoerist is vaak een gepensioneerde, wat oudere Amerikaan – meestal uit Florida – met teveel geld op de bankrekening en een inkrimpende levensverwachting. Het geld spenderen zij graag aan iets tijdloos, blijvends, wat ze voor een leuke prijs op de kop tikken en door kunnen geven aan (klein)kinderen. Wat denken jullie? Ik bedoel, het stikt echt van de juwelierszaken. Als in, negen zaken op een rij. Ik overdrijf niet.

Wat mij verder opviel was niet alleen de enorme hoeveelheid winkels, maar ook het segment. Van Prada, Gucci en Vuitton tot Furla, Michael Kors en Burberry. En dan lekker met zandvoeten en op je slippers naar binnen.
Eric vergeleek Aruba meer dan eens met Florida en ook ik moest na een paar dagen toegeven dat Aruba op het eerste gezicht weinig vergelijkbaar is met Bonaire of Curaçao. Maar, als je dan vervolgens het binnenland inrijdt met je huurauto is het toch weer een feest der herkenning. De cactussen, de kleuren en geuren, de zenuwachtige geitjes, de huizen met de propvolle veranda’s die feitelijk gewoon als woonkamer gebruikt worden, de houten indiaantjes boven de voordeuren waarmee mensen hun Indiaanse roots tonen, het gezellige Papiaments op straat, de snèks. Vooruit, we zijn echt op de Antillen!

10407209_893103710752514_2665541796887140303_n

Reis
Maar goed, onze reis. Aruba klinkt dan lekker dichtbij, het is een klere-eind weg. Een kleine tien uur vliegen vanaf Schiphol, met meestal een tussenstop op Curaçao. Wij vlogen met Arke Fly, en wel met de Dreamliner. We hadden voor comfort-class gekozen, omdat Eric prijs stelt op net wat meer beenruimte. Dat heb je – de eerlijkheid gebiedt te zeggen – ook wel echt nodig als man van 1.83 meter. €25,- duurder voor acht cm extra: it’s worth it! Prima vlucht. Arke houdt de prijzen relatief laag, maar dit betekent wel dat je overal extra voor moet betalen. Voor het meenemen van je bagage, de mogelijkheid om in te checken, je entertainment systeem en je eten en drinken – op een kleine maaltijd met een glaasje water (?!) na. Dan krijg je wel een hele leuke lichtshow aan boord, als je daar op zit te wachten. Qua luchtvochtigheid schijnt het allemaal echt heel innovatief te zijn, maar ik stapte alsnog gaar uit het toestel. Terug vlogen we trouwens Star-class, een soort business class maar een stuk betaalbaarder dan bij de KLM. Uiteraard is dan wel alles inclusief.
Mwa. Volgende keer toch weer KLM. Nostalgie… Ik houd gewoon heel erg van KLM! :-)

Verblijf
Wij verbleven in een Ocean Suite van het Renaissance Resort. Het Renaissance bestaat uit twee delen: de Ocean Suits bevinden zich in het resort gedeelte van het hotel. De kamers hebben een apart slaapvertrek en een balkon met – in ons geval – uitzicht op zee. Heerlijk wakker worden! Beneden liggen twee zwembaden, een lagoon en tal van restaurantjes en winkeltjes. Uiteraard ook een Subway en een Starbucks, wat erg fijn is als je net als ik verslaafd bent aan caramel macchiato’s.
Als je de straat oversteekt kom je in het Marina-gedeelte. Dit hotel is alleen toegankelijk voor volwassenen en de hele ambiance is wat hipper en meer urban. Kleinere kamers zonder balkon, maar wel een ge-wel-dige cocktailbar (Blue), een te gek zwembad met uitzicht op Oranjestad en dat hele sjieke high-end winkelcentrum waar ik net over vertelde op de begane grond. Wij waren erg tevreden met onze Ocean Suite, maar ’s avonds zaten we toch graag aan de Mojito’s aan het zwembad. ;-)

10942324_893103577419194_2438943545424004012_n

Het Renaissance ligt echter niet aan het strand, maar dat deert niet. Het hotel heeft namelijk een privé-eilandje en iedere pakweg zeven minuten vaart er vanaf beide hotellocaties een bootje in vijf minuten naartoe. Het eiland is een heerlijke plek om een middag te vertoeven. Parelwit zand, een heerlijke zee, roze flamingo’s die gezellig tussen de bedjes rondstruinen en pelikanen in de bomen, what else do you need? En ondertussen loopt er personeel rond die af en toe komt vragen of je iets wilt bestellen. Wij zijn een aantal keer op dit eiland geweest. Alleen het boottochtje ernaartoe is al de moeite waard!

Vervoer
Wat waren wij blij met ons huurautootje. Het is echt de moeite waard om een auto te huren en het eiland te verkennen. Laat je vooral niet verleiden om de hele dag in je resort te hangen omdat de zee zo fijn is en daar nu eenmaal de tap vloeit. Eén keer kregen we pech, toen we op zoek waren naar Charlie’s bar (daarover later meer) in San Nicolas en de auto parkeerden voor een Chinese supermarkt om even de kaart te lezen. Na wat geklooi en gebel stond de wegenwacht drie kwartier later voor onze neus om de batterij te fixen (of, nou ja… wat ze ook precies gedaan hebben. We konden in ieder geval weer even rijden en de dag erna kregen we een vervangende auto van Hertz). Als je echt de diepe krochten van het Nationaal Park in wilt heb je een 4×4 nodig, maar in principe voldoet een normale huurauto prima.

10945504_893103597419192_8431251288133985093_n

Stranden
Over het prive-eiland heb ik al één en ander verteld. Dit eiland is alleen toegankelijk voor hotelgasten, maar gelukkig zijn er nog tal van andere stranden. Mijn favoriet was bountystrand Eagle Beach! Dit is een vrij lang strand, maar ons favoriete stuk lag precies voor het Manchebo Beach Resort. Toen we dat resort uitliepen richting zee raakte ik echt betoverd door het prachtige uitzicht. Hier nog geen drukte en hoogbouw, wel rust en één van de mooiste plekjes van het eiland. Ken je dat heerlijke en vrije gevoel van een uitgestrekt strand, de koelte van de blauwe zee, pelikanen die om je heen duiken op zoek naar de sappigste visjes? Nou, dat dus.
Helaas kun je nergens op de stranden gebruik maken van de ligbedden, omdat die bijna allemaal toebehoren aan hotels. Eigen handdoekje meenemen dus.

Palm Beach is het bekendste, meest populaire en daarmee ook verreweg het drukste strand van Aruba. Toch voelt het eigenlijk nergens te druk. Op het strand kun je tal van (water)activiteiten boeken, maar ook hier geldt: nergens is men opdringerig. De eindeloze rij resorts (letterlijk van het RIU tot het Ritz) scheidt het strand van de boulevard aan de andere kant. Overdag vind je het vertier aan het strand en in en op het water, ’s avonds verplaatst de hele meute zich naar de boulevard om te eten, te drinken en te winkelen. Hier vind je ook de typische Amerikaanse winkelcentra, met water- en lichtshows in de fonteinen, Victoria’s Secret (YES!) en dansles op het pleintje. Disneyland, noemen de locals deze regio van het eiland.
Eén van de weinige plekken op Palm Beach die niet aan een resort gekoppeld is, is Moomba, een bar waar je kunt eten en drinken, een strandbedje mag gebruiken en waar op vrijdag en zondagavond een bandje speelt. Moomba werd onze vaste stek op Aruba! Volgens mij hebben we er wel vijf keer gegeten…

Een ander mooi strand is Baby Beach. Dit strand dankt de naam aan het ondiepe water. Kindvriendelijk dus. Je hebt rechts uitzicht op de raffinaderij, maar als je gewoon niet die kant opkijkt is ook dit een fraai stukje Cariben! En ach, het hoort er ook gewoon bij, hoewel de raffinaderij inmiddels al twee jaar stilligt.

Uit eten!
Eten! Wij houden van eten. Van lekker eten, van gezellig tafelen, van een glaasje (of een flesje) wijn, van goede gesprekken en heerlijk natafelen. Laat Aruba zich daar nu fantastisch voor lenen! Wat een culinair genoegen! Het zou te ver gaan om hier alle restaurants te bespreken waar wij geweest zijn, aangezien we moesten ontbijten/lunchen en dineren, maar ik noem een paar van onze favorieten:
Flying Fishbone. Met stip op één. Romantisch en culinair hoogwaardig dineren in een informele ambiance met je voeten in het zand, óf in het water. Er is een soort nisje in het water gecreëerd zodat je niet bij de eerste de beste golf met tafel en al omver wordt geslagen en de garnalen in je schoot drijven. Altijd fijn. Leuke bediening, goed eten (vis en vlees, grote – Amerikaanse – porties!) en een geweldige Sancerre. Nadat we hier voor het eerst gegeten hadden, hebben we gelijk een tafel geboekt om onze laatste avond goed af te sluiten. Die laatste avond zat Eric echt met de voetjes in het water. Het was even schrikken toen er ineens een slang voorbij kwam zwemmen, maar de bediening stelde de geschrokken gasten gerust: “It’s okay, that’s just Susy, she comes her every night.” Oke dan, hallo Susy…
Bij restaurant Barefoot eet je ook met je voeten in het zand. Hier kun je ook lekker eten, maar Fishbone bleef onze favoriet!

Dan is er nog West Deck. Een soort geheim van Aruba, maar dan één die inmiddels door iedereen ontdekt is. West Deck wordt gerund door locals en staat niet in de toeristenboekjes. Desondanks zit het er iedere avond stampvol, want het is hier LEUK! Het restaurant zit aan een steiger en wordt ’s avonds verlicht door allemaal lampionnetjes. Heel gezellig. Door het hele restaurant hangen bordjes met teksten, bijvoorbeeld if you’re not barefoot, then you’re overdressed. Je eet hier allemaal kleine gerechtjes en op de kaart staan veel Arubaanse gerechten, zoals kokos garnalen, funchi en gefrituurde vis gemarineerd in het lokale (Balashi) bier. Allemaal even lekker, heerlijk zitten en heel goed betaalbaar!

En vooruit, hij moet genoemd worden: Casa Tua. Volgens mij is het een keten, want ik heb twee filialen gezien. Toen we net uit het vliegtuig rolden en moe en hongerig op zoek gingen naar een snelle hap, kwamen we hier terecht. Ook onze allerlaatste lunch op het eiland nuttigden we hier, weliswaar binnen in de airco omdat we onze reiskleding al aan hadden en een lange spijkerbroek is echt niet te doen op Aruba. Volgens Eric serveren ze hier de beste pizza die hij in lange tijd gegeten heeft. Casa Tua zat in ons resort en iedere ochtend, nog voor de eerste ontbijtgasten arriveerden, zagen we de chef al in de weer met het pizzadeeg. Passie en liefde voor je vak, noemen ze dat. En dat proef je!
Andere toppers: L.G. Smith’s Steak & Chop House, Amore Mio Pizzeria en familierestaurant Papiamento (schijnt, wij zijn er helaas niet geweest omdat het restaurant helemaal vol zat toen we kwamen – echt reserveren dus!)

Activiteiten
Vooruit, tussen de maaltijden door moet er natuurlijk ook wat ondernomen worden. Anders tikken die vakantiekilo’s er wel heel snel aan.
Arikok is het nationaal park van Aruba. Elk Antilliaans eiland heeft wel zo’n park. Arikok neemt een kleine twintig procent van Aruba in beslag en is beschermd natuurgebied. En dat is maar goed ook. Er wordt namelijk nog steeds gebouwd op Aruba en er zijn concrete plannen om een groot resort bij Baby Beach te bouwen, nu nog één van de weinige ongerepte stukjes van het eiland. Jammer! In Arikok vind je de flora en founa van het eiland, een aantal prachtige baaien en grotten met rotsrekeningen van indianen. Wij zijn er met de auto doorheen gereden. Minder mooi als Washington Slagbaai op Bonaire (oeps, doe ik het weer!) maar zeer de moeite waard!

(Wat zit Eric nu te doen met zijn voeten in dat water?! Er zwommen van die knabbelvisjes, ook wel bekend als pedivisjes, in het water. Je weet wel, visjes die dode huidcellen eten. Brr…)

Ook de Vlindertuin (The Butterfly Farm) is een bezoekje waard. De Canadese initiatiefnemer houdt in deze tropische tuin tal van vlinders. Vlindersoorten van over de hele wereld zijn hier te vinden. Het is sowieso een erg mooie tuin om doorheen te wandelen, maar leuker is een rondleiding waarbij je informatie krijgt over het proces van bevruchting tot ontpopping. Als je op tijd bent kunt je zelfs een ontpopping aanschouwen. Dit laatste hebben wij helaas niet kunnen zien (lees: VROEG!), maar het was wel leuk om wat meer te weten te komen over deze beestjes.
Tipje: als je jezelf de vorige avond vol met deet hebt gespoten tegen de muggen, was dat er even af dan…

Charlie’s bar! Zoals ze op Aruba zeggen, een ‘begrip in de Cariben’, misschien wel in de wereld. Charlie’s bar bestaat 77 jaar en was ooit een duikersbar. Later werd het het onderkomen voor personeel van de nabijgelegen raffinaderij, tot het uiteindelijk werd wat het nu is: een beroemde bar. ;-) De hele zaak hangt vol snuisterijen uit alle hoeken van de wereld en menig (internationaal) bekendheid is hier al langs geweest: van Marco van Basten en Rijk de Gooier tot André van Duin en Maxima. En Geert Wilders. Foto’s aan de muren en onder de glasplaten op de tafels vormen het bewijs. Ontzettend leuk bezoekje, heerlijke biertjes!

Zeilen en snorkelen hoort er op Aruba natuurlijk gewoon bij. Wij boekten een vijf uur durende trip met de Tranquilo die ons helemaal naar de Spanish Lagoon bracht. Alle drankjes aan boord waren inbegrepen, ook de rum punch, en als lunch kregen we heerlijke erwtensoep (?). Hondje Buster kregen we op de koop toe. Deze Jack Russel vaart al zes jaar lang met baasje de kapitein mee en krijgt, zodra de zeilen gehesen worden, ook gewoon een reddingsvestje aan. Buster had meer aandacht voor de vissen in het water dan voor ons, maar vaak lag hij ook gewoon lekker te slapen in zijn vaste hoekje.
Bij de lagoon kregen we onze snorkelset en mochten we eindelijk het water in. Ik vind zwemmen en snorkelen altijd leuk, al was de onderwaterwereld toch een stuk minder kleurrijk en indrukwekkend als op Bonaire (ik word nu echt vervelend he?). Maar Bonaire heet dan ook niet voor niets Diver’s Paradise!

Fort Zeezout, een klein museum in Oranjestad, zat letterlijk om de hoek van ons hotel. Leuk om even binnen te wippen en wat meer te weten te komen over de geschiedenis van Aruba.
En natuurlijk zijn er tal van andere dingen te doen (maar wij waren ook erg druk met strandhangen en het uitproberen van alle restaurantjes, he?). Zo is er een Donkey Sanctuary, een vogelreservaat en meer dan genoeg mooie natuur om te bekijken. De Natural Bridge is in 2005 ingestort en sindsdien pronkt het eiland met de ruines of the natural bridge. Ook leuk is een tochtje naar het lighthouse en het kapelletje Alto Vista.

Uitgaan
Tja. Voorafgaand aan mijn bezoek aan Aruba had ik gehoopt, misschien wel gerekend, op zwoele zomeravonden, dansen met mijn lief op blote voeten in het rulle zand op de klanken van opzwepende Merengue en Bachata. Socializing with the locals. Maar daar lijkt Aruba het eiland niet voor te zijn, of misschien moet je daarvoor zodanig ingewijd worden dat je de weg weet naar de kleine Chinese barretjes waar de ‘echte’ Arubanen de heupen los gooien en zich te buiten gaan aan Polar. De meeste barretjes en restaurants zetten liever de Amerikaanse sportkanalen aan, met als resultaat geen muziek maar wel een hoop schreeuwende Amerikanen die hun favoriete club aanmoedigen. Wij hadden al onze hoop gevestigd op Moomba waar vrijdag en zondag livemuziek geprogrammeerd wordt. Het was even een desillusie toen deze bandjes alleen maar Sting, Pink Floyd en Eric Clapton bleken te spelen. Niet dat we helemaal niet gedanst hebben hoor. Eén keer is het gelukt, bij een Nederlandse kroeg nota bene. Maar het typische Caribische vertier hebben wij niet gevonden. Meestal dronken we ’s avonds cocktails in de bar van het Marina – uiteraard helemaal niet verkeerd.

Toch kon ik me soms niet aan het gevoel onttrekken dat Aruba haar ziel verkocht heeft aan het Amerikaans toerisme. Voor veel Bonaireanen is Aruba het schrikbeeld – ‘zó moet Bonaire vooral niet worden!’, zeggen ze daar –, hoewel ze daar weinig te vrezen hebben dankzij het ontbreken van zandstranden. Het stemde me soms verdrietig, te zien hoe het eiland zich inzet om het de Amerikaanse toeristen zo prettig mogelijk te maken. Anderzijds realiseer ik me ook dat Aruba het meest welvarende land is in de Cariben, met nauwelijks werkloosheid en het hoogste inkomen per hoofd van de bevolking. Juist dankzij het toerisme eet iedereen op het eiland een goede boterham. De mensen lijken gelukkig, zijn innemend, vrolijk en aller- allervriendelijkst. De kreet One Happy Island gaat echt op. Misschien ben ik er ook wel te kort geweest om er echt over te kunnen meepraten. Misschien heb ik een erg romantisch beeld van het ‘echte’ Caribische leven en vind ik het gewoon een naar idee dat zoiets verloren gaat.

10934073_893103644085854_5997321460249699039_n

Het eiland nemen zoals het is, namen we ons voor, en genieten van wat Aruba te bieden heeft. En dat is gelukt! We hebben een heerlijke vakantie gehad, vol van zon, zee, strand, heerlijk (!) eten en fijne (!!) cocktails. Dus mocht je er naar toe gaan, je zult je ongetwijfeld meer dan prima vermaken. En mijn ABC is eindelijk compleet!

10929015_893104344085784_146094845456013305_n

Kwispelen en lebberen in de paskamer

Ik was eigenlijk nooit een hondenmens. Ik vond honden wel leuk, daar niet van, maar opgegroeid met een kater en een poes was ik meer ‘van de katten’. Inmiddels kan ik me geen leven zonder hond meer voorstellen. Of beter gezegd: geen leven zonder Scoop.

De eerste keer dat ik Scoop zag was hij net vier jaar. Ik zat boven achter de computer. Eric had Scoop net opgehaald bij zijn ex-vriendin en het hondje kwam als een dolle naar boven gerend. Al kwispelend en lebberend sprong hij tegen me op. Nice to meet you, girl! Ik gaf hem plichtgetrouw een paar aaitjes, maar ik vond hem vooral een drukteschopper en een handenbinder. Eerlijk is eerlijk, ik moest best even wennen.

Keihard gillen, ‘help’ roepen en zodanig aan Scoops lijn trekken dat hij door de lucht zwierde

Kameraad
Dat wennen ging snel. Scoop kwam steeds vaker bij ons logeren (hij woont hier nu permanent sinds twee jaar) en in de tijd die we samen besteedden groeide er een heuse band. Toen ik hem in één van die eerste weken uitliet, werd hij gegrepen door een grote hond. Onervaren als ik was raakte ik in paniek en deed ik precies het verkeerde: keihard gillen, ‘help’ roepen en zodanig aan Scoops lijn trekken dat hij door de lucht zwierde. De grote hond erachteraan. Toen ik thuiskwam – Scoop was godzijdank ongedeerd – barstte ik in huilen uit. Dat moest dus anders.

Inmiddels ben ik een hondenmens. Ik houd van alle honden, maar het allermeest van Scoop. Scoop is mijn vriendje, mijn liefie, mijn boefje. Mijn kameraad. Kom je aan hem, dan kom je aan mij. Mensen die niets van Scoop moeten hebben, hebben een streepje tegen. Ik heb hem het liefst altijd bij me. Het is dat Eric niet wil dat Scoop bij ons in bed slaapt, anders lag-ie daar ook.

Maar goed, daar gaat dit verhaal eigenlijk niet over. Ik heb namelijk weer een avontuur voor jullie.

Hondenpoep en galajurken
Een tijdje terug ging ik naar het winkelcentrum in Berkel. Scoop mee. Dat is niet handig nee, en uiteindelijk ook niet gezellig, maar ik doe het iedere keer weer. Ik parkeer de auto, lijn Scoop aan en samen lopen we tig keer heen en weer over het nabijgelegen grasveldje van twee bij twee vierkante meter. Er komt niks. Pas als we middenin het winkelcentrum staan vindt Scoop het tijd om een mooie drol te draaien. Natuurlijk heb ik geen zakjes bij me. Zo zijn er al een paar linnentasjes gesneuveld en nu heb ik niets anders bruikbaars bij me dan een haarband. Nou ja, toch een oud ding.

Hij kijkt me aan met grote ogen, alsof hij niet kan geloven dat ik hem hier moederziel alleen achterlaat

Ik ben trouwens onderweg naar mijn favoriete kledingzaak. Zo’n winkel die eigenlijk veel te duur is, maar waar je wel van die fijne koffie krijgt. Deze week is er uitverkoop. En ik heb vanavond een gala. Soms waait de wind mee.

Ik zet Scoop vast aan een paaltje vlak naast de ingang. Hij kijkt me aan met grote ogen, alsof hij niet kan geloven dat ik hem hier moederziel alleen achterlaat, op deze door godvergeten plek. Ik haast me naar binnen. Scoop is alweer afgeleid door een stukje koek op de grond, waar hij potverdorie net niet bij kan.

Ieniemienie boxertjes
Ik dwaal door de kledingrekken. Mijn oog valt op de perfecte little black dress. Zwart (duh…), kokerrok, soepel vallend bovenstukje, driekwart mouw. Helemaal goed. Op naar de paskamer!
Ik ken het winkelmeisje inmiddels een klein beetje. Ze heeft ook honden. Af en toe schuift ze haar telefoon langs het gordijn de paskamer in om foto’s te laten zien. Twee franse bulldogs. Je kent ze wel, die ieniemienie boxertjes waarvan sommigen vinden dat ze zo’n ‘schattig’ snurkend geluid maken, terwijl ze in feite doorlopend in ademnood verkeren omdat de snuitjes te kort zijn gefokt. Het zogenaamde ‘kortsnuiten-syndroom’, noemen dierenartsen dat. Die van haar hebben daar geen last van, zegt ze.

Ik vertel over Scoop.
“Waar is-ie nu?”, vraagt het meisje, terwijl ze onderwijl een foto van haar hondjes op het logeerbed van haar ouders tevoorschijn haalt.
“Buiten. Hij zit voor de deur.”
Uit de verrukte oh’s en ah’s begrijp ik dat ze naar het raam is gelopen en Scoop ziet zitten.

“Ohhh. Aahh. Hij mag wel naar binnen hoor!”, zegt het meisje.
Dat is natuurlijk altijd goed nieuws.
“Oké, super!”, zeg ik – ik ben altijd blij als dolle dwaze Scoop ergens rond mag rennen. “Haal ‘m maar dan.”

Het winkelmeisje rent met gestrekte armen achter Scoop aan

Het meisje loopt naar buiten. Ik werk me ondertussen uit het zwarte jurkje – dat als gegoten zit en nu al mijn lievelingsjurkje ever is. Ik had misschien even moeten vertellen dat ze Scoop niet zomaar los kan maken, bedenk ik.
Ik roep.
Maar ik ben al te laat.

“Ho, stop! Blijf! Kom hier, hondje! Kom maar!”, hoor ik het meisje roepen.
Ik doe het gordijn opzij en zie Scoop nog net voorbij de ingang rennen. Het meisje rent er met gestrekte armen achteraan. Door dat stukje koek van net heeft Scoop gemist waar ik naar binnen ging, maar hij is vastberaden om me te vinden. En dat gekke mens van zich af te schudden. Altijd zo aandoenlijk als-ie naar me op zoek is. Om te janken zo lief. Ego-strelend ook. Ze zeggen weleens dat hondenmensen, meer dan kattenmensen, behoefte hebben aan waardering en erkenning en genieten van de onverdeelde aandacht en loyaliteit die een hond hen geeft.
Anyway…

Chemie!
“Hij gaat ervandoor.” Er klinkt al lichte paniek in haar stem.
Ik trek mijn little black dress weer omlaag en ren nu ook naar buiten. Scoop is net de naastgelegen winkel voor grote maten ingehold. Dat neem ik hem trouwens nog steeds kwalijk. Waarom zou ik daar in hemelsnaam binnen zijn?
Eenmaal verzekerd van het feit dat ik er niet ben, rent-ie de opticien aan de overkant binnen. Dan de kledingwinkel ernaast. Net als hij zijn snuit in het pashokje steekt, ben ik bij hem. Kwispelend en lebberend springt hij tegen me op. Dolgelukkig is-ie, nu de roedel weer een stukje completer is. Mission accomplished. Go, Scoop!

Ik reken het jurkje af (niet vijftig, maar zeventig procent korting. Yeah!) en wandel nog even richting Albert Heijn. “Jullie staan zo goed bij elkaar”, zegt een oudere vrouw die langsloopt. Ze voorziet Scoop van de nodige hondenkoekjes, die hij uiteraard met smaak opeet. “Jullie hebben echt een chemie, het past helemaal bij elkaar.”
Die steek ik in mijn zak. Daar kan geen jurkje tegenop!

Gezocht: ♥ Relaties met leeftijdverschil

“Pap, ik moet je wat vertellen. Ik heb iemand ontmoet, maar je gaat denk ik wel schrikken.”
Ik zit op de hocker in het ouderlijk huis. Mijn vader hangt net zijn jas aan de kapstok en kijkt me verontrust aan. Eenmaal verzekerd van het feit dat het om een gezonde, valide man met Nederlands paspoort en zonder strafblad gaat, zijn de grootste zorgen weggenomen. Maar de spanning stijgt.

“Hij is een stuk ouder dan ik. Twintig jaar ouder, eigenlijk.”
Volgens mij mompel ik dat laatste stukje, want mijn vader verstaat me verkeerd.
“Jeetje Kaar, je bent toch wel wijs?” Hoofdschuddend loopt hij door de woonkamer.
“Een vent van veertig jaar…”
“Ehm nee, geen veertig. Hij is twintig jaar ouder dan ik, pap.”
“47!?”
(Vooruit, als je uit de kast komt moet je het goed doen.)
“49, om precies te zijn.”
“…”

Cougars en toyboys, mannen in een midlifecrisis, golddiggers en een jonge vrouw als statussymbool

Relaties met leeftijdverschil. Iedereen kent wel een stel en iedereen heeft er wel een gevoel bij. Soms zijn dat vooroordelen over cougars en toyboys, mannen in een midlifecrisis, vader- of moedercomplexen, golddiggers of een jonge vrouw als statussymbool. Maar over het algemeen lijkt leeftijdsverschil steeds meer geaccepteerd te worden. We voelen ons vandaag de dag vrijer om ons leven vorm te geven zoals we dat willen. Leeftijd wordt steeds meer een ‘getal’ in plaats van het ijkpunt dat bepaalt hoe je leven er op dit punt uit moet zien. Onder moderne credo’s als ‘je bent zo oud als je je voelt’, ‘liefde is blind’ en ‘leef en laat leven’, worden alle mogelijke bezwaren en beren op de weg weggewuifd.

Als ik mensen vertel dat Eric pakweg twintig jaar ouder is dan ik, is de eerste reactie die ik krijg meestal een variatie op ‘zo hé!’ of ‘wow!’ Daarna halen mijn gesprekspartners de schouders op: leeftijd zegt niks, dus wat maakt het uit? En je ziet er ook helemaal níks van. Bovendien, relaties sneuvelen en één op de drie huwelijken strandt. Leef in het NU, luidt het motto (je weet niet wat de toekomst brengt) en zorg dat je gelukkig bent. Of zo’n liberale en taboedoorbrekende reactie altijd oprecht is, is natuurlijk de vraag. Het lijkt echter wel het ‘juiste’ om te zeggen.

Zoals met alles ligt de werkelijkheid genuanceerder. Natuurlijk, leeftijd is slechts één van de factoren in een relatie, maar desalniettemin een belangrijke. En nee, niets in het leven is zeker, maar je kop in het zand steken voor de toekomst is niet de manier om daar mee om te gaan.

Toen Eric dertig was, stond Genesis nog in de Top 40

“We merken helemaal niets van het leeftijdverschil tussen ons.” Ik was vaak de eerste om dat te roepen. Maar het zou natuurlijk raar zijn als je er helemaal niks van merkt, of er nooit mee bezig bent. Met vijfentwintig jaar werkervaring kent Eric het klappen van de zweep. Ik begin net. Toen Eric dertig was, stond Genesis nog in de Top 40. Als Eric mij vraagt ‘herinner je je nog…?’ en het gaat vervolgens over M.A.S.H. of de hoogtijdagen van Maradona, Bo Derek en ZZ Top, herinner ik hem aan mijn geboortejaar. Ik stuiter door het leven, hij zet alles in perspectief. We delen genoeg. Een passie voor reizen en lekker eten. ‘Doorzakken’, thuis, op een terras of in de kroeg. Eindeloos series kijken. De liefde en de lust voor elkaar en voor het leven. Gelijktijdig realiseer ik me dat Eric 70 is als ik 49 ben. Het aangaan van een relatie met iemand die veel ouder of jonger is heeft consequenties en op den duur waarschijnlijk een prijs. (Het was daarom ook niet gek dat mijn ouders zich in eerste instantie een hoedje schrokken en even aan het idee moesten wennen – het was vreemder geweest als ze gelijk hadden staan juichen.) Maar de aantrekkingskracht en de liefde is zo sterk, dat je die prijs voor lief neemt.

Oproep!
Ik deel bovenstaand verhaal niet voor niks met jullie. Nee, ik heb jullie hulp nodig!
Voor een artikel ben ik op zoek naar stellen met een leeftijdverschil van minimaal twintig jaar, die echt voor elkaar gegaan zijn. Vereist is dat ze een serieuze relatie hebben én zielsveel van elkaar houden. Planning on staying together till the end, zeg maar.
♥ Hoe hebben ze elkaar ontmoet? De liefde voor elkaar.
♥ Welke weg is afgelegd om samen te komen? Wat kwamen ze onderweg tegen?
♥ Welke rol speelt het leeftijdsverschil in hun leven? Het geluk en de liefde, maar ook de frustraties en de onzekerheid.
♥ Hoe kijken ze naar de toekomst?

Ik – ervaringsdeskundige! – kom graag in contact met deze stellen voor een diepte-interview rondom bovenstaande thema’s, bij voorkeur aangevuld met een mooie fotoserie.
Ben of ken jij zo’n stel? Of wil je op een andere manier je verhaal of mening kwijt? Vertel het me!