1 comment on “De nieuwe armen in de rijke wijken gaan ten onder aan schulden en schaamte”

De nieuwe armen in de rijke wijken gaan ten onder aan schulden en schaamte

Ook in Hillegersberg worden steeds vaker de laatste centen omgedraaid. Mensen met voorheen een goed inkomen raken nu in grote financiële problemen. Deze ‘nieuwe armen’ zijn vaak hoogopgeleide zzp’ers. Verlammende schaamte is het gevolg en schuldsanering meestal onvermijdelijk.

Tekst: Karin Spillenaar-Koolen | Foto’s: Rosanne Dubbeld
(Verschenen op: Vers Beton in het kader van Arm Rotterdam

Vrijdagmiddag, 15.00 uur. Bij de Voedselbank in Hillegersberg-Schiebroek staan de blauwe kratten met boodschappen opgestapeld. Een vaste kern aan bezoekers stroomt binnen. De één met een boodschappenwagentje, een ander met plastic tassen. Sommigen komen hier al jaren. Een moeder met een baby in de buggy krijgt een zakje lolly’s aangereikt van één van de vrijwilligers. “Hier, dit is voor de jongens thuis!” Mannen in trainingspak schudden elkaar lachend de hand.

“Verschrikkelijk”, zegt ze terwijl ze wegkijkt. “Ik vind het echt ver-schri-kke-lijk

Schaamrood
Een blonde vrouw van rond de veertig, op hoge pumps en in een blauwe maxi-rok, stopt gejaagd de boodschappen in twee Albert Heijn tassen. Met haar blik op de grond gericht loopt ze met snelle pas naar de uitgang. Op de vraag of ze tijd heeft voor een kort gesprek slaakt ze een diepe zucht. Even dan. Ze komt nu voor de derde keer bij de Voedselbank. “Verschrikkelijk”, zegt ze terwijl ze wegkijkt. “Ik vind het echt ver-schri-kke-lijk.” Met haar (inmiddels) ex-man en zoontje woonde ze in Nieuw Terbregge. Een scheiding, gevolgd door het faillissement van het bouwbedrijf van haar ex-man, veroorzaakten grote schulden. Het huis werd door de bank verkocht voor ver onder de prijs. Nu woont ze ‘hierachter’. Meer wil ze niet kwijt. Met haar twee gevulde Albert Heijn tassen verdwijnt ze uit zicht.

Terbregse tophypotheken
Aebel van Santen is manager van Stichting VraagWijzer Hillegersberg-Schiebroek. Hier kunnen inwoners uit de deelgemeente terecht met vragen over wonen, welzijn, zorg en inkomen. Van Santen: “Wij merkten, halverwege 2013, dat een groep van hoger opgeleiden zich steeds vaker bij ons meldden met zware financiële problemen. Zulke zware problemen dat sanering veelal niet meer te vermijden was.”

Schaamte is probleem nummer één om uit de schulden te kruipen

VraagWijzer ging monitoren op postcode en kwam tot de conclusie dat het grootste aantal ‘nieuwe armen’ in (Nieuw) Terbregge woont. Dat is niet opmerkelijk, gezien het grote aantal nieuwbouwhuizen en tophypotheken in deze relatief jonge wijk. Inkomstenterugval, bijvoorbeeld door ontslag, het uitblijven van opdrachten of na een scheiding, hakt er dan financieel flink in. Van Santen: “Het is een groep die de crisis hard voelt, maar daar tegelijkertijd niet aan gewend is.” Overigens kwam de nieuwe clientèle ook uit andere delen van Hillegersberg, bijvoorbeeld het Molenlaankwartier, maar doordat huizen hier ouder en soms deels afbetaald zijn, is deze groep kleiner. “Schaamte is voor een bepaalde groep cliënten probleem nummer één om uit de schulden te kruipen”, zegt van Santen. “Je was die succesvolle zzp’er, die gewaardeerde vakman, de techneut die alles kon. Je had altijd een goed leven en een goed inkomen. Nu zit je thuis en doe je voor je gevoel ineens niet meer mee.”

UWV was klant
Pascal*, in de vijftig, ondervond het aan den lijve. Zijn huis in het Molenlaankwartier is net onder voorbehoud verkocht. De klassieke meubels in de woonkamer herinneren aan betere tijden. Tot drie jaar geleden werkte hij als operationeel directeur bij een succesvol bedrijf. “We konden lekker leven, alles doen wat we wilden. Niks te klagen.” Na een langlopend conflict met de directeur-grootaandeelhouder van het bedrijf waar hij werkte, werd besloten om de arbeidsovereenkomst te stoppen. Ontslag met wederzijds goedvinden. “Ik kreeg een overbruggingsregeling. Daar had ik achteraf gezien geen genoegen mee moeten nemen.” Eerder had Pascal zijn kansen positief ingeschat, maar de toekomst bleek weinig rooskleurig. Een ontoereikende overbruggingsregeling en de opgeschroefde pensioenleeftijd naar 67 jaar speelden hem parten.

Vroeger was het UWV een klant waar ik zaken mee deed. Nu zat ik zelf aan het bureau bij Werkplein

Banen liggen niet voor het oprapen. Met zijn eigen bedrijf, dat hij naast zijn loondienst al runde, haalt hij nog weinig opdrachten binnen. “Ons eigen vermogen raakte op en er kwam niks binnen, want ik kwam niet in aanmerking voor een WW-uitkering of bijstand. Tja, dan slaat de stress wel toe.” Pascal lacht. “Vroeger was het UWV een klant waar ik zaken mee deed. Nu zat ik zelf aan het bureau bij Werkplein.”

Schijn hoog houden
Brood eten om die BMW voor de deur te kunnen laten staan? Jarige kinderen ziek melden zodat ze niet hoeven te trakteren? Van Santen is dergelijke scenario’s niet tegengekomen. “Deze groep teert op spaargeld. Ze bezuinigen werkelijk op alles en hopen op betere tijden. Vaak zijn problemen opgestapeld door te lang wachten, dan is hulp onvermijdelijk.” In gesprek gaan met schuldeisers blijkt dan al een gepasseerd station en het spoor leidt linea recta naar de kredietbank en schuldsanering. Van Santen: “Vergis je niet in de schulden. We hebben het hier niet over schulden door teveel shoppen bij Wehkamp, maar schulden die ontstaan door geen enkele inkomsten meer hebben. Je kunt wel stoppen met uitgeven, maar de hypotheek wordt niet minder.”

Pascal en zijn vrouw draaien elk dubbeltje om. Pascal: “Alle onderhoud aan huis doe ik tegenwoordig zelf – en geloof me, deze oude huizen hebben flink onderhoud nodig. We gaan nu naar Lidl. Abonnementen en sommige verzekeringen zijn opgezegd. En even geen vakanties meer.” Hij wijst naar de auto die op het pad staat. “Die doe ik niet weg, want je moet toch mobiel blijven. Dat hoort voor mij bij het proces van alles weer op de rit krijgen. Maar hij is eigenlijk wel toe aan een beurtje – dat stel ik dan weer uit.”

Ik heb mijn vrienden nooit over onze situatie verteld

Voorheen gingen Pascal en zijn vrouw tweemaal per jaar eten bij een sterrenrestaurant met vrienden. Dat zit er voorlopig niet in. Pascal: “Ik heb mijn vrienden nooit verteld hoe het zit, of ze over onze situatie verteld.” Waarom niet? Pascal moet even nadenken over die vraag. “Ja, toch die schaamte, hè? Gevoelens van falen, dat speelt een grote rol. Maar ik wil ook niet dat zij gaan betalen. Zo wil ik het niet.”

Flyeren op maat
In tegenstelling tot de ‘oude armen’, die vaak uit een omgeving komen waar familieleden en buren ook in de bijstand zitten, zijn de ‘nieuwe armen’ meestal onbekend met instanties. Ze zijn niet gewend om hulp te vragen en schakelen die hulp daardoor te laat in. Van Santen: “Deze mensen zijn vaak zo verrast en geschrokken – ‘wat overkomt ons nu?’ – dat ze niet handelen. Die stilstand is funest, want problemen stapelen zich op. Hoe eerder de hulp komt, hoe beter.”

Om de nieuwe armen vroegtijdig te bereiken en ze zo te behoeden voor een definitieve val, besloot de organisatie te flyeren in de wijken waar veel clientèle vandaan kwam. Terbregge. Er werd een folder op maat gemaakt. Van Santen: “De folder die wij normaal gebruiken, leek ons ongeschikt. De nieuwe armen herkennen zich niet in de doelgroep die daarin aangesproken werd.” Er werd een nieuwe folder ontworpen, met daarin opgenomen het woord zzp’er en een foto van een man met bril en polo.

Eenmaal in de spreekkamer is er ruimte nodig om emoties over de gebeurtenissen en de situatie kwijt te raken, aldus van Santen. “Iemand moet horen ‘dit gebeurt vaker, het kan iedereen overkomen’. Daarna kunnen ze meestal zelfstandig aan de slag. Maar die schroom en schaamte moeten opengebroken worden.”
Kamperen in de woonkamer

Leuk is anders, maar ik red me wel. Veel erger vind ik het voor al die mensen die nog kinderen thuis hebben

Bas* is de ergste schaamte inmiddels voorbij, maar hij herinnert zich de eerste keer bij de Voedselbank nog goed. “Man, ik schaamde me kapot. Het past helemaal niet in mijn aard om mijn handje op te houden. Maar ja, ik moet rondkomen van twintig euro per week, dus ik heb weinig keus.” Hij komt nu al een paar maanden bij de Voedselbank. Voorheen reed hij gevaarlijke stoffen op de vrachtwagen (“Het geld kwam met bakken binnen!”), maar door ziekte raakte hij zijn baan kwijt. Schulden liepen op en Bas eindigt bij de kredietbank. Op een gegeven moment sloot Eneco de energie af. Als fervent kampeerder had Bas nog een paar gasflessen staan waarop hij kon koken. “Ik geef niet echt om materiële spullen. Kijk, ik red het wel zo, leuk is anders, maar ik red me wel. Veel erger vind ik het voor al die mensen die nog kinderen thuis hebben.”

Pascal is nu schuldenvrij, op een lening binnen de familie na. Ondernemend als hij is, besloot hij niet bij de pakken neer te zitten. Bezig blijven, was het motto. Zo is hij brieven aan instanties en schuldeisers gaan schrijven voor lotgenoten. Een bed & breakfast beginnen in Frankrijk, een droom voor na zijn pensioen, zit er niet meer in, maar Pascal treurt niet. “Ik was voorheen eigenlijk altijd met werk bezig, nu ben ik veel meer thuis. Ik word binnenkort opa, dan start er weer een heel nieuw tijdperk.”

Om privacyredenen zijn de namen Bas en Pascal gefingeerd.

Arm in de rijke wijk
In deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek lag het gemiddeld vrij besteedbaar inkomen in 2012 op € 39.000 per huishouden. Dit was fors hoger dan het Rotterdams gemiddelde (€ 29.500). In Schiebroek ligt het gemiddelde besteedbaar inkomen op € 30.000. In het Molenlaankwartier (in Hillegersberg-Noord) op € 57.700. In Terbregge is het € 45.400. Het werkloosheidspercentage in Hillegersberg-Schiebroek was in 2012 6,5 procent.
De deelgemeente telde in 2012 20.106 woningen (47 procent huurwoningen). Het aantal mensen met een uitkering bedroeg 1.202. De rijkste wijk van Rotterdam is Kralingen-Oost. Het gemiddelde vrij besteedbaar inkomen in 2012 was hier € 59.100.
Bron: Beleidsnotitie Toekomst Zorg en Welzijn Hillegersberg-Schiebroek, december 2012

11 comments on “De lotgenotengroep voor ouders die een kind verloren: In gesprek met Willem Vermeijden”

De lotgenotengroep voor ouders die een kind verloren: In gesprek met Willem Vermeijden

Zes maanden geleden verscheen mijn interview met Willem Vermeijden (54) in het Rotterdams Dagblad. Zijn dochter Merel had zichzelf op 23-jarige leeftijd van haar leven beroofd. Vanuit de behoefte om ouders te ontmoeten die ook een kind verloren hebben, richtte Willem een lotgenotengroep op. Hoe gaat het nu met Willem, bijna twee jaar na de zwartste dag uit zijn leven? En hoe staat het met de lotgenotengroep?

Tekst: Karin Spillenaar-Koolen
Foto linksboven: Liesbeth Buijs

Als ik iets geleerd heb van het verhaal van Willem is het wel dat het verdriet en de achtbaan van emoties na het verlies van je kind onvoorstelbaar is voor mensen die dit niet hebben meegemaakt. Misschien juist daarom is lotgenotencontact zo ontzettend belangrijk. Vanuit die gedachte en behoefte is de lotgenotengroep – voor ouders die een kind verloren – ontstaan.

Verse bloemen en een kaarsje
De huiskamer in Rotterdam-Crooswijk is nog even gezellig als een paar maanden geleden. Houten meubels op een robuuste houten vloer. Overal staan planten. Het interieur typeert de heer des huizes: warm, gastvrij en vol leven. Aan de muur hangen posters van Ierland – het land waar Willem zijn hart aan verloor en waar hij vaak heen ging met Merel. Een wand in de kamer is gereserveerd voor de platencollectie. In de boekenkast staat een groot aantal boeken over rouw en kindverlies. Op de ‘kast’ van Merel, in de hoek van de kamer, staan foto’s en persoonlijke bezittingen van het meisje. Willem voorziet het hoekje regelmatig van verse bloemen. Er brandt altijd een kaarsje. Terwijl Willem in de keuken een glas wijn voor ons inschenkt, neem ik plaats aan de bekende ronde tafel centraal in de huiskamer. Die staat tegenwoordig standaard in uitgeschoven stand voor de groepsbijeenkomsten die hier om de week op donderdag plaatsvinden.

Nadat het artikel in het Rotterdams Dagblad verscheen ontving Willem zo’n dertig reacties. Mailtjes van lotgenoten die hun steun betuigden of hun eigen verhaal wilden delen, maar ook mensen die zich aanmeldden voor de groep. Een artikel in het NRC (in het kader van de serie Het Nabestaan) veroorzaakte een nieuwe golf aanmeldingen. Het duurde niet lang of de eerste bijeenkomst was een feit.

„Wij als ouders moeten verder. Dat is waar het in de groep om draait”

Bijna alleen vrouwen
Inmiddels bestaat de groep uit twaalf deelnemers. Echter zijn ze niet allemaal bij elke bijeenkomst aanwezig. Willem: „Soms komen er vijf mensen, een andere keer elf. Daar is iedereen vrij in. Soms melden mensen zich af als ze niet kunnen of willen komen, anderen doen dat niet. Alles is goed.” In de groep zit één echtpaar; de andere tien deelnemers – allemaal vrouwen – komen alleen. Bijna alle ouders hebben een kind verloren door zelfdoding. Twee ouders verloren hun kind bij een ongeval. Hoewel dit statistisch gezien verklaarbaar is, benadrukt Willem dat de oorzaak van overlijden niet het belangrijkste is en al helemaal geen criterium voor deelname aan de groep. „Wij als ouders moeten verder. Dat is waar het in de groep om draait. Wat wij ontmoeten in dit proces.”

Het idee om te werken met thema’s uit films en boeken, als ware een vehikel om met elkaar in gesprek te komen, is losgelaten. Wat blijkt: als lotgenoten bij elkaar komen ontstaat er verbinding en saamhorigheid, (h)erkenning en daarmee openheid en dialoog. „Als ik in de keuken koffie zet en ik kom daarmee naar de woonkamer, val ik altijd middenin een gesprek. Dat ontstaat gewoon”, vertelt Willem. „We komen vaak niet toe aan een tweede kopje koffie, zo intensief zijn we met elkaar in gesprek.”

Lachen en huilen
Heeft de groep gebracht waar Willem op hoopte? „Misschien nog wel meer dan dat”, zegt Willem. „Er wordt gelachen en gehuild, maar bovenal gepraat over onze kinderen en over ons zelf – hoe we verder gaan als achtergebleven ouders. Er hoeft niets uitgelegd te worden en zelden wordt er gezegd wat iemand ‘moet’ doen. Er is veel respect voor ieders eigen weg die hij of zij te gaan heeft. Elkaar daarbij tot steun zijn, daar gaat het om. Juist door het niet-therapeutische karakter komen mensen bij hun eigen wijsheid.”

„Ik vind het leven bijzonder, verwonder me vaak. Dan moet ik accepteren dat het overlijden van Merel daar dus ook bij hoort, hoe verschrikkelijk ook”

Het verlies van Merel blijft onwerkelijk. Willem: „Soms denk ik, is dit nu echt gebeurd, in mijn leven? En dan vind ik het ongelooflijk dat ik hier nog gewoon zit. Als iemand me tien jaar geleden had verteld dat dit zou gebeuren had ik gezegd; dan hoeft het voor mij ook niet meer. Maar ik vind het leven bijzonder, ik verwonder mij vaak, en dan moet ik accepteren dat het overlijden van Merel daar dus ook bij hoort. Hoe aan de rand en verschrikkelijk ook. Accepteren is in dit geval buigen.”

Al eerder beschreef Willem de twee stromingen in zijn wereld na het overlijden van zijn dochter. Enerzijds een stroming van verdriet, pijn en verscheurdheid; een ander van opbouw en weer kunnen genieten van kleine dingen, zoals muziek. Bijzonder in deze context zijn de huiskamerconcerten, waarvan er inmiddels drie plaatsgevonden hebben in Willems woonkamer. De intieme concerten, vaak een singer-songwriter, worden bijgewoond door familie en vrienden. Voor Willem staat het in het teken van Merels overlijden. „Muziek als troost, maar ook als teken van leven en verder gaan: nieuwe dingen organiseren.”

Een optreden van Johan Borger tijdens het eerste  huiskamerconcert op 6 april 2013
Een optreden van Johan Borger tijdens het eerste huiskamerconcert op 6 april 2013

Brief
Naar aanleiding van het artikel in NRC werd Willem benaderd door Jolien van der Kooij met de vraag of hij een brief wilde schrijven voor het boek ‘Leven met zelfdoding’. In dit boek schrijven zestig mannen en vrouwen – die in het verleden met zelfdoding in hun directe omgeving te maken hebben gehad – een brief aan een voor hen onbekende lotgenoot. Willems bijdrage verschijnt aanstaande donderdag in de bundel. >> lees meer

„Het zou mooi zijn als elders in het land ook lotgenotengroepen met dezelfde doelgroep en formule zouden ontstaan”

Gezien de reacties en aanvragen van mensen van ver buiten Rotterdam, lijkt het Willem een goed idee als elders in het land ook lotgenotengroepen met dezelfde doelgroep en formule zouden ontstaan. Hij ziet zichzelf dan als een ‘ankerfiguur’, bij wie ouders zich kunnen melden om een lotgenotengroep te starten. „We zouden dan een weekend bij elkaar kunnen komen, zaterdag groep houden en zondag bespreken wat er voor nodig is om een dergelijke groep te beginnen. Contact houden met elkaar en elkaar ondersteunen, bijvoorbeeld door regelmatig intervisiebijeenkomsten te organiseren.”

Een oproep dus, van de initiatiefnemer die zelf nog lang niet aan stoppen denkt. Willem: „Als ik met activiteiten bezig ben die met rouw te maken hebben, dan klopt het met mijn realiteit waarin ik nu leef. Dan ervaar ik op momenten dat het verlies van Merel meer eigen wordt, met mij integreert.”

5 juni as houdt Willem een presentatie in Humanitas Rouwcafé, waarin hij zal vertellen over zijn leven na de dood van Merel.

Openingsdia van Willems presentatie
1 comment on “Op studiereis naar Kopenhagen”

Op studiereis naar Kopenhagen

Een groep tweedejaarsstudenten Maatschappelijk Werk en Dienstverlening van de Hogeschool Rotterdam bracht vorige maand een bezoek aan Kopenhagen. Een verslag van een gezellige en leerzame studiereis. Wat blijkt? Wij kunnen een hoop leren van de Denen!

Tekst: Karin Spillenaar-Koolen
Beeld: Cornelis Numan

2014-03-25 08.46.06Vier keer!
Kopenhagen stond als bestemming nooit hoog op mijn travel wishlist. Inmiddels ben ik er, wegens mijn werk voor de Hogeschool Rotterdam, vier keer geweest. Geen straf, want Kopenhagen is een geweldige stad. Ter info: vorig jaar rond dit tijdstip was ik nog in dienst van de Hogeschool Rotterdam. Collega/vriendin Marije Kastelein en ik waren verantwoordelijk voor de voorbereiding en de uitvoering (begeleiding) van de studiereis naar Denemarken. Tijdens het tweede studiejaar van de hbo-opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening is de studiereis een verplicht onderdeel. Studenten kiezen tussen verschillende Europese bestemmingen, zoals Berlijn, Cork, Brugge en dus ook Kopenhagen. In 2013 bezochten Marije en ik de Deense hoofdstad tweemaal: één reis met z’n tweeën waarin alle voorbereidingen getroffen werden en -een paar weken later- de daadwerkelijke reis met studenten. Mijn voormalig werkgever huurde mij dit jaar in als zzp’er. Na wederom een voorbereidingsreis verbleef ik van 24 t/m 28 maart jl., samen met (ex-)collega’s Marije en Cornelis en zeventien studenten, in Kopenhagen. In het kader van het studieproject ‘multiprobleemgezinnen’ bezochten we verschillende colleges en instellingen die zich met vergelijkbare problematiek bezighouden.

11-Denemarken_Eurobolt_0

Over Kopenhagen
Kopenhagen staat, laten we eerlijk zijn, vooral bekend om het beeld van de Kleine Zeemeermin in de haven. Je kent haar wel, ze stond ongetwijfeld op de koektrommel van je oma. De stad is verder rijk aan musea en paleizen en toeristen halen hun hart op in attractiepark Tivoli, op Strøget (de langste winkelstraat van Europa) en in Christiansborg (het parlementsgebouw van Denemarken, bekend van de serie Borgen). En dan is er natuurlijk de ‘hippiewijk’ Christiania, maar daarover later meer.

De kleine zeemeermin stond ongetwijfeld op de koektrommel van je oma

Kopenhagen telde in 2013 559.440 inwoners en is daarmee de grootste stad van Denemarken. Qua oppervlakte is het iets kleiner dan de stad Utrecht, die -ter vergelijking- 328.577 inwoners heeft. Kopenhagen ligt aan de oostkust van het eiland Seeland (Sjælland) en op het eiland Amager. Aan de overzijde van zeestraat de Sont (Øresund) ligt de Zweedse stad Malmö, die sinds 2000 met Kopenhagen is verbonden door de Sontbrug. Vanaf Copenhagen Airport is het centraal station van Malmö dichterbij dan het centraal station van Kopenhagen, zo ontdekten Marije en ik tijdens de voorbereidende reis toen we per ongeluk op een verkeerde trein waren gestapt. Vanuit Malmö dus terug naar ‘Köpenhamn’, in plaats van naar ‘København’. Ik moet zeggen, een lesje topografie om nooit te vergeten. Ik wist voorheen niet dat Kopenhagen zó dicht bij Zweden lag. Anyway…

Off we go!
Maandagochtend. Vandaag is de nucleaire top in Den Haag en iedereen hield rekening met drukte en vertraging onderweg. De drukte bleef uit en dus staan we veel te vroeg op Schiphol. Marije heeft mapjes samengesteld met daarin het e-ticket, de weekplanning en overige informatie en deelt dit uit aan de studenten die in de afgesproken vertrekhal aankomen. Zodra de groep compleet is checken we in en lopen door de controle. Na een vlucht van een uur en twintig minuten komen we aan op Luchthaven Kastrup. Een mooi, goed georganiseerd en ‘duur’ vliegveld: Louis Vuitton en Burberry lachen je tegemoet. Het vliegveld lijkt een voorbode van de stad: stijl en luxe is hier de regel en Denen zijn over het algemeen tot in de puntjes verzorgd en modieus gekleed. Wij nemen de metro naar ons verblijf voor de komende vier nachten: Dan Hostel Downtown. Een gezellig hostel middenin het stadscentrum. Beneden een levendige ontmoetingsruimte met een bar, zitjes, een loungebank en (regelmatig) live muziek. Boven vind je de dorms. Het blijkt nog een hele klus, maar uiteindelijk slagen we erin een werkzame kamerverdeling te maken waar iedereen gelukkig van wordt. Die avond eten we gezamenlijk bij een buffetrestaurant en we proosten op een gezellige en inspirerende week.

Spin in het web
De volgende ochtend nemen we de trein naar Roskilde. We worden opgehaald door Morten Rasmussen, maatschappelijk werker in het Unge- og Familiecenter, ofwel: jeugd- en familiecentrum. Morten brengt ons naar het gemeentehuis van Roskilde, waar we een aantal colleges volgen die speciaal voor ons georganiseerd zijn. Hoe ziet het Deense social work er vandaag de dag uit? En wat kunnen wij hiervan leren? Terwijl we ons in Nederland opmaken voor de decentralisatie van jeugdzorgtaken (vanaf 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdzorg), heeft Denemarken een dergelijke transitie in 2007 al afgerond. De gemeente regelt sindsdien alles ‘wat de burger aangaat’. Zij heeft de verantwoordelijkheid voor het gehele zorgcontinuüm van de basisvoorzieningen (nulde lijn), preventieve ondersteuning (eerste lijn) en de meer specialistische hulp (tweede lijn). In Denemarken zijn alle social workers in dienst van de gemeente. In het geval van jeugdhulpverlening is de gemeente Bureau Jeugdzorg, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en de Raad voor de Kinderbescherming ineen. De maatschappelijk werker, eenmaal toegewezen aan een gezin, is de spin in het web. Hij fungeert als hulpverlener en casemanager en -indien nodig- als gezinsvoogd en raadsonderzoeker. Overzicht en eenvoud! Voor wie meer wil lezen over de decentralisatie van jeugdbeleid en jeugdzorg in Denemarken, is dit verslag van het Nederlands Jeugdinstituut wellicht interessant.

De maatschappelijk werker is hier hulpverlener, casemanager, gezinsvoogd en raadsonderzoeker ineen

Interessant is dat de hulpverlening, en ook de opleiding tot maatschappelijk werker, in Denemarken niet is geordend rondom cliëntgroepen (bijvoorbeeld: ex-gedetineerden of verslaafden), diagnoses (bijvoorbeeld: autisme) of intelligentieniveau van cliënten, maar aan de hand van leeftijdsgroepen. In het geval van Roskilde zijn de doelgroepen: 0-12 jaar, 13-18 jaar, 19-23 jaar en 23+. Binnen dit leeftijdsdomein wordt er meer integraal gewerkt dan we tot dusver in Nederland doen. De focus ligt vooral op preventie en vroegtijdig signaleren. Dwang en uithuisplaatsing wordt wel toegepast, maar -als we de sprekers mogen geloven- in de meeste gevallen komt men tot een constructieve samenwerkingsrelaties met de ouders. Dwang en drang is bovendien geen justitiële aangelegenheid, maar een gemeentelijke.

Tijdens de colleges krijgen we uitleg over het Deense systeem en de methodiek waarmee gewerkt wordt: Safetyplans en Signs of Safety. Dit is een oplossingsgerichte benadering die een veilige (opvoed)situatie voor het kind beoogt te creëren door een samenwerkingsrelatie aan te gaan met de ouders. Na afloop bedanken we de sprekers en overhandigen Marije en ik het ‘presentje’: chocola en stroopwafels. Scheelt ook gelijk weer sjouwen!

2014-03-25 13.51.23Ghetto Æblehaven
Na de lunch staan er twee bezoeken gepland. Eerst brengen we een bezoek aan Roskilde’s social streetwork in de ghetto Æblehaven. De wijk Æblehaven dankt de officiële benaming ‘ghetto’ aan het hoge percentage werkloosheid in de wijk en aan de concentratie niet-westerse migranten. Verder ziet het er allemaal keurig uit, tot teleurstelling van de studenten die zich een spannender tafereel hadden voorgesteld. Kogelwerende vesten zijn niet nodig, helaas. ;-) De stempel van ‘ghetto’ werkt enerzijds stigmatiserend, anderzijds opent het de weg naar subsidies en nuttige projecten voor vooruitgang, legt streetworker Martin tijdens de rondleiding uit. Roskilde’s social streetwork bestaat uit een klein team social workers. Zij zoeken de jongeren op in hun eigen habitat: ontmoeting en contact, vertrouwen en verbinding. Middels tal van activiteiten bestrijden zij overlast en trachten te voorkomen dat jongeren ontsporen. Tijdens dit leuke werkbezoek zaten we niet in een zaaltje, maar gewoon buiten tussen de loodsen in. Helemaal street, zeg maar. Na ons tweede bezoek aan het jeugd- en familiecentrum zit het dagje Roskilde erop.

Christiania: een overblijfsel uit het hippietijdperk
Woensdag. We beginnen de dag met een vrije ochtend. Daar is iedereen gelukkig mee na gisteren. Er wordt uitgeslapen, gewinkeld en gesightseed. ’s Middags staat er een bezoek aan/rondleiding in The Freetown of Christiania gepland: een semi-onafhankelijke enclave middenin Kopenhagen. Christiana ontstond in 1970, toen een groep hippies de verlaten militaire kazerne Bådsmandsstrædes in het stadsdeel Christianshavn kraakte. De gemeente slaagde er niet in om de groep krakers te verwijderen en Christiania mocht, onder het mom van ‘sociaal experiment’, na de jaren zeventig gewoon blijven bestaan. In de jaren erna werden meer kazernes gekraakt en een groter gebied ‘ingenomen’. Vandaag de dag wonen er ongeveer duizend vrijgevochten mensen in Christiana. De meeste van de hippies die in 1970 de kazerne kraakten wonen niet meer in de kazerne zelf, maar in zelfgebouwde huizen in de vrijstad. De inwoners van Christiania volgen hun eigen regels en zijn zo onafhankelijk mogelijk van de Deense overheid. Dat wil zeggen: de Christianianers betalen geen huur en belasting, gebruiken in het openbaar drugs en laten de honden lekker los door hun stad lopen. Christiania heeft bovendien een eigen school, supermarkt en een postkantoor.
’s Avonds eten we bij Spiselopper.

Brokken voor de hond
Donderdag. De laatste dag van het programma is aangebroken en er staan nog twee instellingen op de agenda. ’s Morgens brengen we een bezoek aan Kofoeds Skole. Deze organisatie (1928) helpt mensen met sociale problemen vanuit een onderwijskundige, pedagogische visie. Cliënten worden gezien als leerlingen. Zij worden geholpen om hun eigen kracht, zelfvertrouwen en vaardigheden te ontwikkelen, waarbij de focus ligt op eigen mogelijkheden, belangen en wensen. ‘Leerlingen’ volgen workshops, zoals muziek, techniek, tuinieren en administratiewerk.

Toen ik hoorde dat de straatwerkers altijd brokken bij zich hebben voor de (eventuele) hond van de dak- of thuisloze, was ik verkocht

Het laatste bezoek deze week gaat naar project Udenfor: “a private foundation which combines active social street work with training and research in approaches to homelessness and social marginalisation.” Tijdens het bezoek aan Udenfor vorig jaar heeft de organisatie mij helemaal voor zich gewonnen. Ik heb dan ook een ‘zwak’ voor de doelgroep dak- en thuislozen en Udenfor doet prachtig werk vanuit oprechte, warme betrokkenheid, groot respect en een vrije, ongebonden werkwijze. De straatwerkers zoeken de dak- en thuislozen op en bieden hulp aan. That’s it. Toen ik hoorde dat zij altijd brokken bij zich hebben voor de (eventuele) hond van de dak- of thuisloze, was ik verkocht. Dit jaar waren er helaas geen straatwerkers om ons te woord te staan. We kregen een toespraak van de directiemanager en de oprichter van het project. Interessant, maar hierdoor helaas minder praktijkvoorbeelden dan vorig jaar.

Vrijdag. De week zit erop. Koffers en tassen worden gepakt en we nemen de metro terug naar het vliegveld. Ik denk dat we allemaal terug kunnen kijken op een leuke, leerzame en inspirerende studiereis. Evenals vorig jaar waren de Denen zeer gastvrij en hartelijk. Tijd noch moeite werd gespaard om onze groep tegemoet te komen en de bezoeken tot een succes te maken.

Helaas heeft het managementteam van de Hogeschool Rotterdam -om voor mij onbekende redenen overigens- besloten om de buitenlandse studiereizen te schrappen. En dat is erg jammer. Zoals jullie ongetwijfeld weten ben ik een groot voorstander van reiservaring en internationale uitwisseling. In een tijd waarin de opleiding, het beroep ‘social work’ en eigenlijk de hele wereld ‘internationaliseert’, is het een must om over eigen grenzen heen te leren kijken en het blikveld te verbreden. In het werkveld kampen we veelal met soortgelijke vragen en uitdagingen en het is dan interessant om te zien wat elders werkt, en wat niet. Natuurlijk, internationalisering krijgt vorm op verschillende manieren en we hoeven ons heus niet altijd fysiek te verplaatsen. Maar als je het mij vraagt: een internationale studiereis in een vroegtijdige fase van de opleiding, ‘ander voer’ voorgeschoteld krijgen, zien, horen en voelen… Onmisbaar! Het draagt bij aan de maatschappelijk werkers zoals we die willen voor de toekomst: zelfstandig en met twee benen in de wereld van vandaag.

Alle foto’s van deze reis bekijken?

>>> Dit artikel is wat aan de lange kant (zie het maar als een naslagwerk van de studiereis!), maar omvat slechts een deel van alles wat er te vertellen is over Kopenhagen, Roskilde en sociaal werk in Denemarken. Heb je een vraag, of verzoek? Wil je ergens meer over weten? Vertel het me in een reactie hieronder en wie weet duik ik er dieper in!

3 comments on “Samen praten over je allergrootste nachtmerrie”

Samen praten over je allergrootste nachtmerrie

Je kind verliezen. Het is de grootste nachtmerrie van elke ouder. Voor Willem Vermeijden (53) werd deze nachtmerrie op 10 mei 2012 werkelijkheid. Zijn dochter Merel beroofde zichzelf, na een periode van vage psychische klachten, op 23-jarige leeftijd van haar leven. Willem kwam terecht in een achtbaan van emoties, gedachten en gevoelens. Zijn wereld stortte in. Nu start hij een lotgenotengroep voor ouders die een kind verloren hebben.

ouder-lotgenoten WillemKlik hier om het (ingekorte) artikel in het Rotterdams Dagblad te bekijken, of lees verder.

Lotgenotengroep
“Een kind krijgen is het mooiste dat er is, maar daar staat tegenover dat een kind verliezen het ergste is dat er is”, vertelt Willem. “Na het overlijden van Merel voelde ik wanhoop, verdriet, pijn, eenzaamheid en verwarring – alles tegelijk. Maar ook schuldgevoelens naar Merel. Ik had het niet goed gedaan, zo oordeelde ik. Ik schaamde me naar de buitenwereld. Het was en is een heel pijnlijk proces om daar uit te komen.”

“De eerste periode na het overlijden vond ik veel steun bij familie en dierbaren”, vertelt Willem. “Echter na een tijdje vond ik het moeilijk hen weer te belasten met mijn verdriet. Zij konden hun leven na verloop van tijd weer oppakken, maar voor mij werd het verdriet om het gemis van mijn dochter alleen maar groter. En daarmee ook de behoefte om te delen.”

“Ik vond het moeilijk om mijn omgeving telkens weer te belasten met mijn verdriet, terwijl het verdriet alleen maar groter werd”

Vanuit de behoefte om ouders te ontmoeten die ook een kind verloren hebben, is Willem op zoek gegaan naar een ouder-lotgenotengroep. Zonder succes. “Er bleken wel verenigingen te bestaan, maar deze organiseren slechts één ouderweekend per jaar. Het verbaasde mij dat er geen groep bestond die elkaar vaker treft, zeker omdat de actualiteit zoveel aandacht besteedt aan kindverlies.” Daarop besloot Willem om zelf een ouder-lotgenotengroep op te richten.

2013-08-19-17-34-48.terschelling augustus 2013Rond-de-tafel gesprekken
Middenin Willem’s gezellige huiskamer staat een houten ronde tafel. Hier wil Willem straks (twee keer per maand) de bijeenkomsten houden. De bedoeling is om persoonlijke verhalen, gedachten en gevoelens met elkaar te delen. Herkenning en support zijn hierbij de sleutelwoorden. Willem: “Iedere ouder doorloopt zijn eigen unieke rouwproces en hoewel iedereen dit zelf moet doen, hoeft dit niet alleen. Wat ik persoonlijk ervaren heb is dat anderen bijvoorbeeld op het juiste tijdstip moeten zeggen dat je als ouder alles gedaan hebt dat je kon. Eigen schuldgevoelens kunnen zo’n aanname blokkeren.”

Omdat Willem geen ouders ontmoette die zelf een kind verloren hebben, is hij boeken gaan lezen van schrijvers die dit hebben meegemaakt en hierover verhalen. Willem: “Het frappeerde mij wat ik allemaal herkende, ondanks dat onze kinderen op heel verschillende manieren om het leven zijn gekomen. Het lezen van de boeken is echt een hele grote steun voor mij.” Het bracht Willem op het idee om boeken een belangrijke rol te laten spelen in de groepsbijeenkomsten. Een bijzondere boekenkring dus.

Thema’s
Tijdens de groepsbijeenkomsten zal er gewerkt worden met thema’s, zoals schuld- en schaamtegevoelens, zingeving of het oppakken van het dagelijks leven, zoals werk. Het is volgens Willem belangrijk om met thema’s te werken in een groep. “Dit vormt een vehikel om met elkaar in gesprek te raken. Je kunt niet om tafel gaan zitten en de vraag stellen waar we het over zullen hebben.” De thema’s haalt de groep uit de boeken van schrijvers die over het verlies van hun kind schrijven. De deelnemende ouders lezen voorafgaand aan de bijeenkomst één of meerdere hoofdstukken uit een boek dat door de groep geselecteerd is en dat wordt vervolgens besproken. Willem: “Wat heeft ons geraakt? Wat herkenden we, of juist niet? Hoe zijn wij hier mee omgegaan? Zulke vragen komen aan de orde.” Ook films, krantenartikelen of muziek kunnen overigens als inspiratiebron dienen. “Denk bijvoorbeeld aan de muziek die gedraaid werd bij de uitvaart, of een andere muziekstuk dat troost geboden heeft. Iedereen kan iets inbrengen wat hij belangrijk vindt om te bespreken met elkaar.”

“Ik geloof dat de doodsoorzaak niet het belangrijkste is. Het basale gevoel is dat je als ouder je kind had moeten beschermen”

Geen therapie. Wel saamhorigheid
Willem, Gestalttherapeut en docent Maatschappelijk Werk aan de Hogeschool Rotterdam, benadrukt dat de lotgenotengroep pertinent geen therapiegroep is. “Ik ben zelf deelnemer. Als therapeut zet ik me in voor mensen die het moeilijk hebben, terwijl ik in het contact met lotgenoten juist saamhorigheid en gelijkheid beleef. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje en juist die gelijke positie is essentieel voor de groep.

De lotgenotengroep maakt geen onderscheid in de wijze waarop een kind is overleden. “Ik geloof dat de oorzaak niet het belangrijkste is”, legt Willem uit. “Het basale gevoel is dat je als ouder je kind had moeten beschermen en dat je daarin hebt gefaald. Na het verlies is er alleen maar pijn en verdriet. Alles is anders en niets is meer vanzelfsprekend. Ouders staan voor de opgave om hun leven opnieuw richting en betekenis te geven. Dit vormt de rode draad.”

In het contact met anderen voelde Willem zich lange tijd ‘die vader van het overleden kind’. Willem: “Ik vond het moeilijk om me in het bijzijn van andere mensen een houding te geven. Daardoor ben ik ook gaan beseffen hoe belangrijk lotgenotencontact is. Lotgenoten kunnen elkaar de kracht geven om het verlies te dragen en elkaar helpen weer richting te geven in het leven.”

2013-08-19-17-21-09.logo rouwgesprekken 1Het verdriet is nog onmiskenbaar aanwezig, maar recentelijk ervaart Willem ook een kracht waar hij zich niet eerder bewust van was. “Vanuit die energie is het plan voor de lotgenotengroep ten uitvoer gebracht. Ik voel de behoefte om het overlijden van Merel en mijn leven samen te laten komen. Ik heb me erbij neergelegd dat het verlies van mijn dochter mij de rest van mijn leven bezig zal houden.”

(Belangstellenden kunnen zich aanmelden via de website http://rouwgesprekken.nl. Er zijn geen kosten aan deelname verbonden.)

2 comments on “Aan tafel bij ‘Hotspot Hutspot’”

Aan tafel bij ‘Hotspot Hutspot’

[Dit artikel is ook geplaatst op Vers Beton, in de categorie: De makers van Rotterdam.]

IMG_2613Hotspot Hutspot: een ‘hotspot’ voor tieners en ‘hutspot’ voor de gasten!

Tieners die na schooltijd en in het weekend vrijwillig komen koken en bedienen in een restaurant? Bob Richters kreeg het voor elkaar. Met zijn project Hotspot Hutspot zet hij zich in om tieners (10-15) en buurtbewoners in de Rotterdamse wijken Lombardijen en Schiebroek actief te betrekken bij stadslandbouw en om gezonde voeding binnen hun bereik te brengen. Braakliggende terreinen in de wijken worden moestuinen; leegstaande panden worden omgetoverd tot restaurants. Tieners lopen hier na schooltijd gewoon binnen. Niet om te chillen of om tafelvoetbal te spelen, maar om te koken en een hapje mee te eten.

Een groot succes, zo blijkt onder meer uit het feit dat de restaurants vaak tot de nok toe gevuld zitten. Met zijn project Hotspot Hutspot bemachtigde Bob 30 september (2013) een plaats in de finale van de landelijke competitie Groen en Doen, een competitie voor projecten die natuur, landschapsbeheer en ‘groen in de stad’ bevorderen. Bob mag zijn projectplan voor Hotspot Hutspot ter beoordeling indienen bij een deskundige jury en maakt daarmee kans op €25.000,-.

Alishya

Met een stralende glimlach verschijnt de 11-jarige Alishya aan onze tafel. “Heeft het u allemaal gesmaakt?”, vraagt ze beleefd, maar ook nieuwsgierig. Ze heeft immers zelf de laatste hand gelegd aan het voorgerecht. Na een volmondig ‘ja’, neemt Alishya de borden van tafel en verdwijnt richting keuken.  Dit mag, hoewel Bob eigenlijk pas net aan zijn soep begint. Hij heeft dan ook de hele tijd zitten kletsen. Met in elke hand een bord begeeft het meisje zich naar de keuken. Onderweg loopt ze kok Melvin tegen het lijf. “Je mag pas vragen of je de borden mee kan nemen als iedereen klaar is met eten”, legt hij haar vriendelijk uit. Snel worden de borden terug op tafel gezet en met een klein pruillipje staat Alishya even later in de keuken. Melvin slaat haar bemoedigend op de schouder. “Geeft toch helemaal niks, meid, dat moeten we allemaal leren.”

Problemen thuis en op school

IMG_2616‘Lomba’ en ‘Skibroek’, worden de locaties in respectievelijk Lombardijen en Schiebroek genoemd. Dit jaar komen daar nog twee locaties bij: een restaurant in Heijplaat en één in Crooswijk. Niet de beste wijken van Rotterdam dus. Deze wijken kenmerken zich door hoge werkloosheid, armoede en een gebrek aan sociale cohesie en buurtbinding. “Na schooltijd is hier eigenlijk niets te doen voor de kinderen”, stelt Bob. “Ze hangen dus maar thuis op de bank, kijken de hele middag televisie. Of nog erger, ze hangen rond op straat en zorgen daarmee voor overlast.”

Veel van de tieners hebben problemen thuis of op school en kampen met een laag zelfbeeld. Bob: “Er leven hier veel kinderen die eigenlijk geen kind meer kunnen zijn. Ze moeten op jonge leeftijd al zelfredzaam zijn en opdraven voor de zorg van jonge broertjes en zusjes. Hierdoor verharden ze, krijgen een grote mond en proberen zichzelf op die manier te beschermen.” Hoewel Bob niet graag in problemen denkt, erkent hij dat problemen wel degelijk bestaan. “Je hoort hier verhalen van kinderen die gepest worden, of die elkaar tijdens het eten vertellen hoe zij vroeger geslagen werden. Ik wil die kinderen hier een veilige en gelukkige plek bieden, zodat ze hun zorgen even kunnen vergeten en een succeservaring mee mogen maken. Het uitserveren van een maaltijd waarbij je zelf de producten hebt mogen telen en bereiden, geeft voldoening.”

Een andere zorg van Bob is het eetgedrag in de wijken. “Veel gezinnen eten erg ongezond. ’s Avonds laat nog even naar de snackbar en een frietje of een frikadel scoren is voor sommigen de normaalste zaak van de wereld. Veel van de tieners komen uit eenoudergezinnen waar weinig geld is en een fatsoenlijke maaltijd ontbreekt. Kennis over gezonde voeding hebben ze vaak niet.”

Hotspot Hutspot haalt de tieners van straat en biedt hen in de eerste plaats een leuke, zinvolle tijdbesteding. Ze maken kennis met stadslandbouw en leren over het telen en bereiden van gezond en biologisch eten. Bob: “Ze leren dat aardappelen niet aan een boom groeien.” Dertig procent van alle producten haalt het restaurant uit de eigen tuin. Het brood komt uit eigen keuken. De overige producten worden uit de buurt gehaald, bijvoorbeeld bij de lokale zorgboerderij. Terug in de keuken van het restaurant bereiden de tieners de zelfgeteelde groente, onder begeleiding van een vrijwilliger en een kok, tot culinaire gerechten. Deze gerechten worden vervolgens uitgeserveerd aan de gasten: een driegangenmenu kost €7,-.

Bij Hotspot Hutspot krijgen de kinderen gelegenheid om hun talenten te ontwikkelingen, werkervaring op te doen en te werken aan hun arbeidsvaardigheden. Bob werkte zelf als docent handvaardigheid op het LBO en in het praktijkonderwijs. “Onderwijs betekent voor mij talent versterken, doen wat je leuk vind en daar steeds beter in worden”, zegt hij. “Hier ontdekken de kinderen ze waar ze goed in zijn en wat ze leuk vinden. Je ziet ze soms enorm groeien als ze hun plekje eenmaal gevonden hebben. Ze bloeien op, krijgen meer zelfvertrouwen. Dat is geweldig om te zien!”

Pompoen!

IMG_2620Het restaurant maakt dagelijks ruimte voor zeven tieners in de keuken. Daarnaast zijn er acht vrijwilligers werkzaam (in de moestuinen en in het restaurant) en stelt het project acht plaatsen voor re-integratiejongeren beschikbaar. Laatstgenoemden kunnen eventueel doorstromen naar de ‘payroll’, stelt Bob. Per wijk is er ruimte voor vier betaalde krachten.

Genoeg man aan boord om de boel draaiende te houden! Elke week serveert het restaurant een ander menu. Deze week staat alles in het teken van pompoen. “Drie gangen met pompoen is culinair natuurlijk heel onverantwoord”, zegt Bob, “maar daarom juist zo leuk!”
Om 15u30 staan er zeven meiden voor de deur aan de Dumasstraat. Zij komen vandaag koken. Het restaurant kan dagelijks ruimte maken voor zeven tieners in de keuken. Eerst wordt de boel mise en place gemaakt. Hoewel geen van de meiden het een leuk klusje vindt (“mijn ogen gaan altijd zo tranen!”), worden er talloze uien gesnipperd. Voordat de eerste gasten arriveren eten de chefs gezamenlijk een gezonde maaltijd volgens de schijf van vijf. Zelfs het brood komt uit eigen keuken. Laat die gasten nu maar komen!

Het voorgerecht bestaat uit pompoensoep. Hierna volgt de pompoengnocchi met kabeljauw en garnaaltjes en we eindigen het weldadige menu met pompoentaart. De taart is het werk van Nakeesha. Eerder deze week, tijdens het proefkoken, kwam de taart te dik en machtig uit de oven. Nu is hij perfect. Ik complimenteer Nakeesha met het overheerlijke dessert. Verlegen kijkt ze de andere kant op. Een kleine glimlach verschijnt op haar gezicht en verdwijnt dan weer. “Dank u wel”, zegt ze en snel gaat ze verder met haar bezigheid.

Voor de duidelijkheid: de tieners zijn volledig vrij om te komen en gaan wanneer zij willen. Vrijheid blijheid en geen enkele druk dus. Pas om half vier wordt voor de kok en de vrijwilliger duidelijk wie er vandaag komen koken. “In de praktijk kan het dus voorkomen dat er niemand komt, maar dat gebeurt eigenlijk zelden”, stelt Bob.

Supergezellig

IMG_2624De tieners zijn volledig vrij om te komen en gaan wanneer zij willen. Pas om half vier wordt voor de kok en de vrijwilliger duidelijk wie er vandaag komen koken. “In de praktijk kan het dus voorkomen dat er niemand verschijnt, maar dat gebeurt eigenlijk zelden”, stelt Bob.

Hoe krijg je tienermeiden zover om na schooltijd en in het weekend te komen koken en bedienen? Nou, door het héél erg leuk te maken. “Het is hier altijd supergezellig”, zeggen Fatima en Tomomi in koor. Fatima vindt het leuk om producten te leren eten en bereiden die ze daarvoor nog niet kende. “Daar leer je ook veel van!”, legt ze uit. Ook Nani mengt zich in het gesprek: “Soms heb ik wel eens geen zin om te komen”, bekent ze. “Bijvoorbeeld op vrijdagmiddag of op zondag, maar dan ga ik toch maar, want ik weet dat het leuk wordt.”

Blik op de toekomst

Het project werkt samen met woningcorporaties Havensteder en Vestia, die terreinen en panden ter beschikking stellen. Op dit moment ontvangt Hotspot Hutspot voor de locatie in Lombardijen maandelijks subsidie, maar dit bouwt wel af. Voor de locatie in Schiebroek wordt helemaal geen subsidie toegekend. Uiteraard hoopt Bob op het prijzengeld. Met dit geldbedrag kan hij investeren in gereedschappen om zijn 2.000 m2 aan moestuinen productiever en efficiënter te benutten. Er zal meer geteeld gaan worden in kisten en hiervoor zijn vruchtbare aarde en kruidenplanten benodigd. Ook zou het project gebaat zijn bij een elektrische grasmaaier en een vorkheftruck. Alles met als doel om zelfvoorzienend te worden. Dit is hard nodig om het project voort te laten bestaan. Op dit moment is Hotspot Hutspot deelnemer in de competitie Groen Dichterbij, van het Oranjefonds. Hiermee kan nog eens een bedrag van 20.000 euro gewonnen worden. Dit geld zou goed gebruikt kunnen worden in zonnepanelen en wandisolatie.

Bidden voor elke gang

Een keuken vol tieners met verschillende culturele achtergronden zorgt soms voor verrassende situaties. Bob: “We zaten hier een keer met een groep Kaapverdische en Antilliaanse meiden. Die begonnen te bidden voor de eerste gang, te bidden voor de tweede gang en … ja, ook te bidden voor het toetje. Ze hadden nog nooit eerder meer dan één gang gegeten. En Marokkaanse jongens zijn vaak niet gewend om met mes en vork te eten. Dat leren wij ze ook.”

Bob heeft er vanaf het begin voor gekozen om meiden en jongens gescheiden te houden. In de praktijk betekent dat aparte kookdagen voor meiden en kookdagen voor jongens. “Marokkaanse jongens en Antilliaanse/Kaapverdische meiden, dat gaat over het algemeen niet goed samen. Daarom houden we dat gescheiden, kunnen de meiden ook lekker over meidenzaken praten.”