0 comments on “Zondagskind van Zuid”

Zondagskind van Zuid

Elf boeken: twee keer de prijs voor het Beste Rotterdamse Boek, een nominatie voor de Gouden Strop én een boekverfilming. We mogen trots zijn op onze Judith Visser (38). “Welnee joh”, zegt ze zelf. “Een medicijn tegen kanker uitvinden, dát is een prestatie. Maar een verhaaltje verzinnen… Get real!” De bescheidenheid zelve. Of is het Rotterdamse nuchterheid? Een openhartig gesprek over opgroeien en leven met Asperger, over de stad en het strand, haar (wolf)honden, boeken én haar moeder.

Tekst: Karin Koolen
Beeld: Petra van der Veer
Verschenen in: Gers! magazine #14

schermafbeelding-2016-10-04-om-20-28-47

Dinsdagochtend, half elf. Het is rustig in Badhotel Rockanje. De serveerster neemt de tafels af waar eerder mensen zaten te ontbijten. De donkerbruine lederen fauteuils rond de knetterende open haard doen winters gezellig aan. Je zou bijna vergeten dat het zomer is. Hier komt Judith Visser graag, schreef ze in de mail. Ze komt net binnen. Haar lange zwarte haren verwaaid na de strandwandeling die ze gemaakt heeft. Stevige wandelschoenen onder een skinny jeans en honden Sandy en Yuriko aan de lijn in haar rechterhand. Jongste telg Adrian, ja, uit de film Rocky, draagt ze in haar armen. “Negeer haar maar’, zegt ze. “Ze moet nog erg wennen aan mensen.” Vooruit, het is veelgevraagd om een pup van een paar weken oud te negeren, maar we doen ons best. We ploffen neer in een hoekje van het restaurant, de grote honden waakzaam naast haar stoel. Judith vraagt een bak water en bestelt voor zichzelf een kop thee.

Leuk, een interview voor Gers!, vond ze, want al woont ze inmiddels al jaren in Rockanje, ze is en blijft die Rotterdamse schrijfster. En daar is ze trots op. “Mijn boeken spelen zich altijd af in Rotterdam, meestal op Zuid. Ik vind het een leuk idee als mensen het Rotterdamse decor echt voor zich zien.”

Waar ben je momenteel mee bezig?

(lacht) “Ik zou nu aan mijn nieuwe boek moeten werken, maar in de praktijk ben ik hele dagen bezig mijn wolf op te voeden. Ik moet 24/7 op Adrian’s lip zitten. Maar mijn volgende boek is een autobiografische roman, over hoe een jong meisje uit Rotterdam-Zuid haar weg vindt in het leven en schrijver wordt.”

Een tipje van de sluier…?

“Ik ben vlakbij Slinge geboren. Mijn moeder was huisvrouw, mijn vader werkte als postbezorger. Ik zat vaak op mijn moeders schoot terwijl ze een boek las en besefte; door naar die kleine tekens te kijken, ontstaat er een verhaal in je hoofd. Dat vond ik zó fascinerend! Zo leerde mijn moeder me lezen en schrijven – ik was toen drie jaar oud. Vanaf dat moment verslond ik de boeken van De Vijf, over vier kinderen en een hond die mysteries oplossen. Eenmaal op de kleuterschool moest ik ineens met blokken spelen. Vreselijk. Mijn moeder gaf me daarom een boek mee, maar de juf pakte het af – ze geloofde niet dat ik kon lezen. Dat hakte erin. Ik was namelijk heel onhandig, kon op mijn achtste pas veters strikken, maar lezen kon ik wél.”

Pas twee jaar geleden werd Judith gediagnosticeerd met Asperger. “Niemand had ooit van Asperger gehoord”, vertelt ze. “Ze dachten dat ik dom was. Tot mijn vierde had ik weerzin om te praten. De kleuterschool was voor mij een verschrikking; lawaaierig, al die kinderen! Op de eerste dag liep ik weg van de herrie. Ik ging op de wc in het wijkgebouw zitten, niet snappende dat iedereen in paniek was. Ik voelde me vaak verkeerd begrepen. Mijn ouders begrepen me wel. Ze wisten niet wat Asperger was, maar ze wisten wel wie Judith was. Ik zat lekker vaak op mijn kamer, met een boek en mijn hond.”

‘Mijn ouders begrepen me wel. Ze wisten niet wat Asperger was, maar ze wisten wel wie Judith was’

Maar het aanpassen in de ‘echte wereld’ was moeilijk, bekent ze. “Je kunt je niet altijd afzonderen. Tijdens de middelbare school zat ik dagen te lezen in de grote bibliotheek. Ik houd van dat gebouw. Zo machtig, met die roltrappen. Ik slaagde trouwens met een 10 voor Engels en Nederlands.”

Waarom nu een autobiografie?

“Wie zit er op te wachten, dacht ik nog. Maar steeds vaker kreeg ik de vraag om mijn eigen verhaal te schrijven. Mensen horen graag hoe iemand met een stoornis in het autismespectrum slaagt iets te bereiken, dromen waar te maken. Ik hoop nu maar dat mensen er iets van kunnen leren. Het gaat ‘Zondagskind’ heten – ik ben op zondag geboren en vertrouw er altijd blind op dat alles goed komt.”

Hoe is het om in je eigen verleden te duiken?

“Het zijn interessante wandelgangen waar ik doorheen loop in mijn hoofd. Ik heb geen moeite met dingen die gebeurd zijn, maar vind het soms wél frustrerend om het op te schrijven, omdat ik het nu anders zou doen. Ik ben een herschrijver. Was dit een schriftelijk interview, dan zou ik mijn antwoorden zes keer herschrijven. Maar wat ik nu zeg, is gezegd. In het echte leven kun je niet herschrijven. En voor mijn autobiografie moet ik waarheidsgetrouw blijven. Soms wilde ik weleens dat ik in één keer het juiste zei en deed in het leven. Mij overvalt alles; ik heb niet de rust om dingen eerst te verwerken. Achteraf had ik het altijd anders willen aanpakken.”

Judith kijkt ondertussen naar de hond die binnen komt – gaat het goed? Het gesprek komt via een korte omweg op agressieve honden die een andere hond aanvallen. “Je moet een vinger in de anus van de aanvallende hond steken. Dat klinkt ranzig, maar het werkt echt.”

“Terwijl wij hier zitten te praten, hoor ik de koffiemachine, gerinkel van bestek, mensen lopen in en uit – dat is uitputtend”, bekent Judith. “Ik ben snel overprikkeld en moe en kan niet goed onder de mensen zijn. Na dit interview ga ik thuis twee uurtjes op bed liggen; gordijnen dicht en rusten. Dat vinden mensen weleens raar.”

Joh…

“Geeft niks. Dat plan ik zo.”

Ze wijst op haar Tsjecho-Slowaakse wolfhond Yuriko, die trots en fier naast haar zit. “Zij daarentegen is gek op drukte. Daardoor kan ik er ook beter tegen. Stiekem is ze mijn hulphond – ze gaat mee naar lezingen en feestjes. Dan ben ik er wel, maar gezellig met haar en dat geeft rust. Daardoor kan ik ook wat vaker gaan.”

v1b8227-2

In 2010 ben je van Rotterdam naar Rockanje verhuisd. Voor de rust?

“Ik ben het rare zwarte schaap dat in Rockanje is gaan wonen – haha. Ik kwam hier al mijn hele leven om tot rust te komen. Ik hoopte hier op een dag te wonen, in een vrijstaand huis aan het strand. Dat is gelukt! Weet je wat grappig is? Laatst onderzocht ik mijn stamboom en toen bleken er voorouders van mijn moeders kant uit Rockanje te komen – dat wist niemand.”

Mis je de stad?

“Ik mis de pizza’s van Il Carretto! We rijden er nog steeds voor op en neer. Maar serieus, je mist iets wanneer je iets kwijt bent en ik ben de stad niet kwijt. Ik kom er regelmatig en word nog steeds als Rotterdamse gezien, maar ik ga nooit meer weg uit deze duinen.

‘Ik houd van Rotterdam. Niet van de Lijnbaan op zaterdagmiddag, wél die van dinsdagochtend’

Ik houd van Rotterdam. En dan niet van de Lijnbaan op zaterdagmiddag, wél die van dinsdagochtend. Vijf uur ’s middags Rotterdam CS; wat een gekkenhuis! Ik woonde hiervoor in een flatje op Zuid boven iemand die de hele dag gabber draaide. Stadswachten die snauwden dat mijn honden niet los mochten in het Zuiderpark – allemaal redenen om te gaan. Maar ik loop graag over de Erasmusbrug met Yuriko. Paddy Murphy’s is overdag mijn favoriete stekkie. Lekker aan zo’n tafeltje, beschut en donker; dan voel ik me alleen op de wereld. Zo geniet ik van het stadsgevoel. Al ben ik altijd blij als ik weer thuis ben.”

Waar haal jij de inspiratie vandaan voor je verhalen?

“Vaak zijn het dingen die ik zie of hoor. Die schrijf ik bewust niet op – als een idee niet blijft hangen, is het niet goed. Als ik er na een maand nog steeds aan denk, dán ga ik het serieus nemen. Zo zag ik bij Oprah Winfrey een vrouw die haar haren uittrok; dat verwerkte ik in ‘Stuk’. En in elke klas zit wel een Yvanka zoals in ‘In seizoenen’, zo’n vroegrijpe lolita die op haar twaalfde al relaties heeft met oudere mannen. Ik vond het leuk om vanuit zo’n man te schrijven.”

Het creëren van iets dat begon met een ideetje in jouw hoofd is geweldig, zegt Judith. “Als het af is dan, de fase daarvoor is ruk. Ik doe het nooit meer, denk ik dan. Maar dan is er alweer een nieuw idee ontstaan…”

Wat verwerk je van jezelf in de personages?

“Al mijn hoofdpersonen zijn vegetariër. Ik kan niet schrijven vanuit iemand die een gehaktbal eet. En de ik-persoon heeft altijd een huisdier.”

De ik-persoon raakt ook vaak van het padje…

“Het is toch niet leuk om te schrijven over iemand die keurig binnen de lijntjes blijft? Je kunt heerlijk losgaan in het schrijven over mensen die ontsporen. Ik hou van antihelden, dat je als lezer meeleeft met de ik-persoon en ineens denkt; shit man, wat doet-ie nu? Ik kon vroeger ook erg doorslaan in interesses, zag dingen die er volgens anderen niet waren. Ik heb getwijfeld of ik dit op wilde schrijven in ‘Zondagskind’, maar toen dacht ik; fuck it, waarom niet? Iedereen is wie hij is en heeft dingen gedaan die ze misschien nooit durven zeggen. Zo had ik tot mijn achttiende een imaginary friend waar ik heel ver in ging. Mijn theorie was: elke zondag zitten de kerken vol, is dat geen imaginary friend? Ik ben tenminste origineel.”

‘Elke zondag zitten de kerken vol, is dat geen imaginary friend? Ik ben tenminste origineel’

Hoe is het voor een ‘herschrijver’ om eigen boeken terug te lezen?

“Moeilijk! (lacht) Ik heb thuis ook geen enkel boek van mezelf op de plank staan. Ik voel altijd een afkeer van wat ik eerder schreef. Oh mijn god, denk ik dan, dat hebben zoveel mensen gelezen! In mijn hoofd is het verhaal perfect, maar zo krijg je het nooit op papier. Echter heb ik niet de middelen om tien jaar over een boek te doen, dus op een gegeven moment moet het ook gewoon af. Ik wil het verhaal dan ook de wereld in hebben. Maar bijvoorbeeld Tegengif, achteraf heb ik spijt dat ik alle hoerenlopers als vieze, foute types neergezet hebt. Ik zou nu een andere insteek kiezen. Overigens is mijn laatste boek In seizoenen nog heel vers, daar kan ik nog mee leven…”

Dat was ook deels autobiografisch, gebaseerd op jouw moeders strijd tegen kanker.

“Ik heb alleen wat namen veranderd en gebeurtenissen en karakters gewisseld om het beter in een vorm te krijgen. Maar inderdaad, ‘Annabel’ is wel echt mijn moeder ja.”

Knap, die openheid…

“Weet ik niet. Ik schrijf, verder kan ik niks. Ik vind het knap als mensen alles kunnen, of kunnen tekenen. Mijn moeder schilderde huisdieren met olieverf aan de hand van foto’s die ze kreeg. Schitterend! We hebben allemaal een hand en een penseel, maar de één kliedert maar wat en de ander maakt kunst.”

Schrijven ook; je hebt allemaal een toetsenbord en tien vingers.

“O ja.. dat is waar. Ik schrijf trouwens met de hand. Daarna typ ik alles over. Ik kan me niet concentreren achter een laptop – die berg ik, samen met mijn telefoon, op in de keuken. Gordijnen dicht, oordopjes in, kleermakerszit op de bank, kussens op schoot, pen en papier en aan elke kant een hond. Zo zit ik erbij.”

v1b8309

Wat maakt het schrijverschap voor jou mooi?

“Schrijven is een manier om te uiten; je wordt gehoord, je kunt kwijt hoe je naar dingen kijkt. Maar het allerfijnste vind ik het alleen zijn. Dat kan met weinig beroepen. Mijn dagen zijn heel voorspelbaar; ik sta vroeg op, trek een uur uit voor mijn ontbijt, neem een douche en ga wandelen met de honden. We lopen elke ochtend tien à vijftien kilometer, iedere keer een andere route om ze scherp te houden. ’s-Middags lopen we weer zo’n afstand.

Je leeft dus heel solitair. Maar je bent ook – sinds 2010 – getrouwd?

“Ja. Soms best moeilijk voor mijn man. Ik houd ontzettend veel van hem, maar vind het ook elke dag moeilijk als-ie thuiskomt. Dat verstoort de rust. Dat klinkt gemeen – zo bedoel ik het niet, want hij is geweldig. Maar het beeld van de tv, het geluid van zijn telefoon… Ik wil er niet over zeuren, maar ik besef ook dat ik niet niet kan zeuren. Zonder zeuren zou ik er vandoor gaan. Dan trek ik me terug. Als kind zat ik ook alleen op mijn kamer terwijl ik hele lieve ouders had. Als hij er niet was zou ik alleen zijn. Ik heb geen relatie nodig om gelukkig te zijn.”

‘Ik heb geen relatie nodig om gelukkig te zijn’

Wat verbindt jullie?

“Liefde. En humor! We ontmoetten elkaar in 2006 en hebben sindsdien bijna elke dag gelachen. Maar soms gun ik hem een vrouw die makkelijker is. Dat hij vrienden uit kan nodigen thuis, een vrouw die meegaat naar zijn Harley-club. ‘Zou je niet liever…’ ‘Nee’, zegt hij dan. ‘Ik houd van jou.’ Ik geloof hem maar. Hij probeert mij te begrijpen en daar mag ik me gelukkig mee prijzen. En ik pas me ook aan; vroeger werkte ik alleen maar ’s nachts, nu alleen overdag.”

Lees hij jouw boeken?

“Hij leest alleen mijn boeken – daar doet hij dan een maand over. Over In seizoenen deed hij langer. Hij heeft het ziekteproces van mijn moeder van heel dichtbij meegemaakt en vond het moeilijk om alles terug te lezen. Mijn moeder overleed vier jaar geleden, toen ze 59 was. Dat slaat natuurlijk helemaal nergens op.”

In het boek zijn de ouders gescheiden…

“Mijn eigen ouders zijn nooit gescheiden. ‘Sorry pap, in het boek ben je homo en woon je in Spanje’, moest ik zeggen. Hij mist haar erg, maar zorgt wel goed voor zichzelf en het huis. Ik vind het moeilijk om daar te zijn hoor, ik verwacht bijna nog steeds dat ze daar op de bank zit en thee zet. Vroeger zwaaiden mijn vader en moeder ons samen uit, nu staat hij alleen voor het raam. Mijn ouders hadden grote plannen voor hun pensioen; nu is mijn vader met pensioen en hij zit thuis.”

Hoe was de band met jouw moeder?

“Elke dag even bellen. Ik ben in mijn jeugd altijd heel vrij gelaten; ze had echt vertrouwen in me en accepteerde me onvoorwaardelijk. Dat is een bijzondere manier van opvoeden geweest. Daardoor heb ik het gevoel dat alles kan.

Ze kwam hier in Rockanje ook elke maand mijn tuin doen – die heb ik sinds haar overlijden niet meer gedaan. Ook geen ramen gezeemd trouwens… Maar weet je, ergens is iets van haar achtergebleven. Dat voel ik en daardoor kan ik er goed mee omgaan. Ze is niet weg; wij zien haar alleen niet met onze beperkte blik. Wij begrijpen alleen wat we zien en zelfs dat niet altijd.”

Haar moeder was haar grootste fan, vervolgt Judith. “In boekwinkels haalde ze verhaal als mijn boeken er niet lagen. Nu heb ik spijt dat ik dan een beetje boos op haar werd – ik vond het gênant. Dit interview zou ze uitgeknipt hebben. Ik doe dat niet, maar mijn ouders zijn zo trots. In hun ogen is het heel wat als je schrijft en prijzen wint.”

Is het dat niet?

“Nee. Ik hoop dat ik ooit iets bereik en trots kan zijn. Misschien dat wat ik nu schrijf – maar mijn thrillers waren vooral sensatie en voor de lol – nu richt ik me echt op romans. Als iemand een medicijn tegen kanker uitvindt, dat vind ik een prestatie, maar een verhaaltje verzinnen? Get real. Mijn moeder kon heel mooi schilderen, daar maakte ze mensen ook blij mee. Mensen hebben dat aan de muur hangen. Ik ook trouwens. Mijn schilderij van mijn vorige hond en Sandy zou ze van de muur halen en dan zou ze Yuriko en Adrian erbij geschilderd hebben…”

schermafbeelding-2016-10-04-om-20-24-02

Heb je zelf trouwens een kinderwens?

“Nee. Ik zou me helemaal in het moederschap verliezen en nooit meer een boek schrijven. Ik vind kinderen leuk, maar er is een beperkte tijd dat ik ze kan hebben. Om het weekend logeert mijn stiefdochter bij ons en ik doe mijn best een leuke stiefmoeder zijn. Maar ik vind het prima dat het hier ophoudt; ik plant me voort met mijn boeken.”

‘Wil je als volwassene gelukkig zijn, moet je de dingen doen die je als kind gelukkig maakten’

Ben je gelukkig?

“Wil je als volwassene gelukkig zijn, moet je de dingen doen die je als kind gelukkig maakten. In mijn jeugd liep ik al graag met de hond. Als je dat maar onthoudt en blijft doen, dan ben je denk ik gezegend en gelukkig. Veel mensen verliezen zich in hoe het hoort en wat er verwacht wordt.

Ik heb een leven om me heen gebouwd waarin ik heel gelukkig ben en waarin ik heel goed functioneer. Een klein sociaal leven; alles wat daarbuiten valt trek ik slecht. Soms ontkom je echter niet aan de echte wereld – wanneer ik dan toch iets van die echte wereld moet ondergaan, word ik labiel. Maar 90% van de tijd leef ik in die andere wereld – en die is heel prettig.”

En toch schrijf je juist over die echte wereld.

“Die fascineert me en ik heb het allemaal gezien in Rotterdam. Ik ben een observant; in een grote groep zit ik in een hoekje, maar ik hoor en zie alles – eigenlijk net als Juriko. Zo maak je veel meer mee dan wanneer je in massa staat te kletsen. Mensen zijn fascinerend – ieder mens is een personage en als schrijver vergroot je alles uit. Alles wat ik observeer stapelt zich op en vormt zich in een verhaal.”

Wat is nog jouw grote droom?

“Ooit dat ene boek schrijven waar ik echt trots op kan zijn. Waar ik 10 jaar mee bezig ben! Angelas’s Ashes of Uncle Tom’s Cabin zijn mijn favoriete boeken. Als ik me vergelijk met zulke grote schrijvers is wat ik doe kinderspel. Tien jaar geleden kon ik nog leven van mijn schrijfwerk, maar door het illegaal downloaden en het verdwijnen van boekhandels lukt dit niet meer. Nu doe ik vertaalwerk om in mijn inkomen te voorzien. Dat is best fijn, want ik hoef niet langer commercieel te denken. Ik schrijf nu voor mezelf.”


https://gersrotterdam.nl/verhalen/rotterdammers/599/zondagskind-van-zuid

0 comments on “Let’s talk about ♂ ♀: “Hallo prinses””

Let’s talk about ♂ ♀: “Hallo prinses”

Let’s talk about ♂ ♀! In deze rubriek maak ik jullie deelgenoot van mijn belevenissen met mannen door de tijd heen. Deze aflevering: Finn.


Hij was er altijd. Finn. Ik kan me serieus waar geen avond in Baroeg herinneren waarop hij niet bij de bar stond. In mijn beleving was-ie oud, maar vermoedelijk had hij net de veertig gepasseerd. Donkerblonde, haast rossige krullen tot over zijn brede schouders. Een ietwat lodderige blik boven een schaapachtige grijns – vermoedelijk verklaarbaar door het consequente nachtelijke tijdstip van ontmoeten. In zijn zwarte mouwloze shirt van een band-waarvan-ik-de-naam-niet-meer-weet kon je hem uittekenen.

Ik was zijn oogappel. Hij in eerste instantie mijn heil bij verveling op rustige avonden, als ik moe was van het dansen of als het gejammer en gehuppel van de gothics me de keel begon uit te hangen. Ik viel er altijd – op een prettige manier – een beetje tussenin; te nuchter en te eigenwijs om bij de kliek van ‘goths’ te horen, te ijdel en te fladderig voor de echte metalheads.
Finn was een echte metalhead.

Maar altijd hield hij gepaste afstand. Nooit raakte hij me aan, zelfs geen hand op mijn schouder

“Hallo prinses”, zei hij steevast. Ik kreeg immer zijn onverdeelde aandacht. Het maakte niet uit met wie hij in gesprek was; zodra ik me bij hem voegde draaide hij zich om en regelde een drankje voor me. Dan spraken we over mijn examens, over zijn werk in de bouw. Over zijn lieve, oude moeder van wie hij ontiegelijk veel hield, over de bijzondere figuren die onderwijl langsliepen. Giechelende of juist melodramatische mannen in rokken met eyeliner – Finn sloeg ze hoofdschuddend gade. Die moesten toch wel homo zijn?
Het waren in eerste instantie leuke, maar nooit diepe gesprekken. Na een tijdje was ik er weer klaar mee. Dan hoorde ik een leuk nummer, zag ik iemand anders waar ik naartoe wilde of moest ik gewoon weer ‘vrij’ zijn om te paraderen. “Ik ga even naar het toilet”, loog ik dan. Of ik haalde een biertje voor Finn aan de bar – die gaf ik hem dan in het voorbijgaan. Sommige avonden kwam ik helemaal niet. Te druk met andere mensen, was ik dan. Dan lachte ik alleen maar als zijn blik de mijne ving.

Volgens Finn was ik de mooiste vrouw van Baroeg. Hij schroomde niet me dat te vertellen. Zonder te flirten of ‘plat’ te zijn sprak hij zijn bewondering uit over mijn ogen, mijn vrouwelijke vormen, mijn kledingstijl en mijn sensuele dansbewegingen ‘als die van een godin’. Maar altijd op gepaste afstand. Nooit raakte hij me aan, zelfs geen hand op mijn schouder.
Pas jaren later ben ik dit type man gaan herkennen; de aanbidder. Hij is heimelijk – of niet zo heimelijk – verliefd op een vrouw, maar overtuigd van het feit dat zij out of his league is. Hij zal haar daarom nooit proberen te versieren, zal nooit een move maken, omdat hij haar op een torenhoog voetstuk geplaatst heeft. Ondertussen geniet hij – in afwachting van haar initiatief – van het contact met haar. Met de ‘kruimels’ die hij krijgt neemt hij genoegen.

En ik liet het me welgevallen – genoot er stiekem van.
Hoewel Eric me pas vele jaren later liefkozend ‘zijn narcistje’ is gaan noemen, vierde narcistje hier haar hoogtijdagen. Ik herinner me nog heel levendig hoe ik gedurende die eerste jaren Baroeg binnenstapte. Hoe ik liep en keek. Hoe ik lachte en mensen begroette – ik voelde me de koningin van het bal. En als ik me niet zo kon voelen, was de avond ineens een stuk minder geslaagd. Dansen deed ik met mijn blik omlaag of op oneindig, ogenschijnlijk in mezelf gekeerd. Maar ik voelde de ogen prikken en wist altijd precies voor wie ik me bewoog. Iedereen moest me leuk, lief, aardig en vooral godsgruwelijk aantrekkelijk vinden. Ik wilde gewild zijn. Die doorlopende drang naar aandacht en bevestiging was dodelijk vermoeiend en kwam – vanzelfsprekend – voort uit een andersoortige onzekerheid. Maar niemand die het zag. Eric grapt weleens plagend (vooruit, soms zegt-ie het ronduit geïrriteerd ;-)) dat ik het liefst een trompetgeschal zou laten klinken bij binnenkomst op een feestje. Het zat toen niet ver van de waarheid.
Een act was het echter niet; het was thuiskomen. Nooit meer ben ik in een uitgaansgelegenheid zo in mijn element geweest. Zo vrij en zo mezelf. Natuurlijk, ik ging ook weleens naar een van de grotere feesten in Utrecht of Amsterdam, daar gebeurde het immers echt, liet ik me vertellen. Maar nooit was het zoals in mijn geliefde Baroeg, tussen de met graffiti bespoten muren van dat kleine, eenzame gebouw in Rotterdam-Lombardijen.

‘Daar kom jij niet in met die kuiten van je, meid’, sneerde ze tegen me

Finn had wat met laarzen. Lieslaarzen, om precies te zijn. Hij had een mooi paar zien staan bij Silhouette – je weet wel, die vreselijke winkel aan de Karel Doormanstraat waar ze hoerige pumps en laarzen in alle kleuren van de regenboog verkopen – en wilde ze voor me kopen. Ik ben er als tiener trouwens een keer snoeihard beledigd door een onbehouwen boerin van middelbare leeftijd die op mijn verzoek een stel laarzen uit het magazijn haalde. ‘Daar kom jij niet in met die kuiten van je, meid’, sneerde ze terwijl ze de doos in mijn handen duwde. Dat was nogal bizar. Het was namelijk die periode in mijn leven waarin ik leefde op een appel en een cracker en een minimaal hapje avondeten, dagelijks twee uur op de fiets zat en de resterende tijd al joggend of in de sportschool doorbracht. Ik had chronisch spierpijn en was altijd hongerig, maar ik woog 56 kilo en heb er sindsdien nooit meer zo goed uitgezien.
De laars paste. Er ging precies een vinger tussen. Ik nam ze niet.

Net als de lieslaarzen van Finn. Die nam ik ook niet, al bood hij op een gegeven moment wekelijks aan ze voor me te kopen. Altijd laat op de avond, als de alcohol rijkelijk gevloeid had. Dat hoefden we niet samen te doen, benadrukte hij. Hij zou me het geld geven en dan kon ik ze zelf gaan halen. Als ik ze maar wel zou dragen, minstens één keer zodat hij ze kon zien. Zijn overtuiging groeide toen ik na een tijdje lak ging dragen naar de gothic-dansavonden. Zo’n nauwsluitend laktopje met kanten vleermuis-mouwen en een bijbehorend minirokje – dat trok ik aan en zo stapte ik ’s avonds laat bij Maashaven op lijn 2 richting Lombardijen. Dat de laarzen zo’n outfit inderdaad af zouden maken, realiseerde ik me. Dat ik officieel op een kinky meesteres zou lijken als ik mijn kisten voor lieslaarzen zou omruilen, realiseerde ik me ook.

Toen ik na mijn reis door Australië en Nieuw-Zeeland in Baroeg terugkeerde, had een nieuwe generatie er zijn intrede gedaan. Finn was er nog steeds. Mijn ego had inmiddels normale vormen aangenomen, evenals mijn ziekelijke obsessie met mijn lichaam. Ik was rustiger en sterker geworden, had ‘op mezelf leren bouwen’, zoals men dat zo mooi zegt. Nu ik geen onstuimige behoefte meer voelde om kortgerokt door Baroeg te paraderen, de dansvloer te domineren en iedereen te laten zien hoe de hiërarchie in deze tent nu écht bepaald was, zat ik soms een halve avond met Finn aan de bar te praten. Zo leerde ik dat hij ooit een relatie had gehad. Hij ging helemaal voor haar, zij vond dat-ie te hard van stapel liep. Het liep uit op niks. Hij vertelde me dat zijn vader lang geleden gestorven was; zijn moeder was inmiddels hulpbehoevend. Hij kwam er zo vaak als kon, vaak direct uit zijn werk, om met haar te eten. Ik vertelde hem over de avonturen tijdens mijn reis en over de zoektocht naar een baan. Soms vertelde ik ook over mijn relatie.

Nu ik geen onstuimige behoefte meer voelde om kortgerokt door Baroeg te paraderen en de dansvloer te domineren, zat ik soms een halve avond met Finn aan de bar te praten

“Weet je waarom ik je altijd prinses noem, Karin?”, vroeg hij op een gegeven ogenblik. Dat was hij namelijk consequent blijven doen. Zijn ogen waren nog lodderiger dan een uur daarvoor en hij sprak met dubbele tong. Zelf was ik ook niet helemaal nuchter meer, maar ik kan me dit gesprek nog levendig herinneren. “Omdat je echt een prinses bent – en volgens mij besef je dat zelf helemaal niet. Niet écht, althans. Niet alleen omdat je een mooie, sexy vrouw bent, maar omdat je een mooi en puur mens bent. En hij… -” Finn gebaarde met zijn hoofd naar mijn toenmalige vriend die een eind verderop stond “- …hij verdient jou niet, want hij ziet niet dat hij een prinses heeft. Jij verdient een man die jou als een godin behandelt, die je op handen draagt. Als je mijn vriendin zou zijn, dan zou ik jou elke seconde van de dag als een godin behandelen.”
Het was de eerste keer dat Finn zich zo uitsprak, zo openhartig werd. Ik had er waarschijnlijk om gelachen – zijn laatste belofte leek me ook knap vermoeiend voor beide partijen – als hij niet zo bloedserieus geweest was. Ik moest ‘m iets plechtig beloven – dat heb ik gedaan. Ik weet alleen niet meer wat het was.
Ik had Finn moeten vertellen dat-ie maar ten dele gelijk had. Dat je een vrouw op handen moet dragen zónder haar te verafgoden. Daar wordt namelijk geen enkele vrouw leuker van en uiteindelijk blijf je als man gedesillusioneerd achter. Dat je met twee stevige benen op de grond moet staan en allereerst uit moet gaan van je eigen kracht, voordat je welke vrouw dan ook kan geven wat ze nodig heeft.
Maar die dingen bedacht ik pas veel later.

Op een gegeven moment sprak Finn over een wandelreis die hij wilde maken. Ergens koud en bergachtig – hij had erover gelezen in de National Geographic. Ongetwijfeld heeft hij me verteld waarheen, maar in de jaren die inmiddels verstreken zijn is het land me ontschoten. Hij moest nog een paar maanden doorsparen en met zijn baas overleggen, maar dan zou-ie gaan. Hij had een paar mensen in gedachten die hem mochten vergezellen, waaronder zijn beste vriend en een collega. Eerlijke mensen, oprecht, die niet over anderen lullen of achter je rug om gaan. Het liefst ook een beetje sportief, want in gejammer onderweg had hij geen zin. Alhoewel hij me niet expliciet uitnodigde, was zijn boodschap helder; ik mocht mee.

Finn heeft de reis nooit gemaakt.

De scheve grijns en glimmende ogen die zijn doorleefde gelaat normaal zo typeerden, ontbraken

Ik hoorde het tijdens de Downward Spiral; mijn favoriete dansavond in de Baroeg bij uitstek. De avonden waarop steevast iedereen er was – en daar ging het uiteindelijk om. De avond was nog jong. Op weg naar de bar voor een drankje schoof ik even aan bij E., een goede bekende en vriend van Finn. De scheve grijns en glimmende ogen die zijn doorleefde gelaat normaal zo typeerden, ontbraken.
“Finn is dood.”
Hij zei het zo plompverloren dat ik hem lange tijd stomverbaasd aankeek.
“Oh… Hoe, eh, wat?!”
“Afgelopen week. Hij kreeg een balk op zijn hoofd toen-ie aan het werk was. In één keer afgelopen.”
Ik geloofde ‘m niet. Of ik kon het niet bevatten. Ik denk eigenlijk dat laatste. Ik herinner me dat ik wegliep, in een poging te dansen. Het was waar, vertelde iemand toen ik het verifieerde in een poging uit deze vreemde droom te ontwaken.
Toen ik terug naar de bar liep was mijn kruk nog vrij. E. schoof een biertje mijn kant op.
“Finn is dood.”
“Dat zei ik toch.”
“Jezus.”
“Zeg dat wel…”

Hij had waarschijnlijk geen pijn gehad, vertelde E. Ik hoopte het maar. Ik dacht aan zijn moeder. Dik in de zeventig, en dan je enige kind verliezen – god, dat arme mens. Aan de reis, die hij zo graag had willen maken. Nu pas ontdekte ik echt hoe geliefd Finn in Baroeg was. Ik dacht aan onze laatste gesprekken. Na mijn reis heb ik hem nog een keer of zes gezien. Ik was blij dat ik hem in die keren beter heb leren kennen, in plaats van enkel langs te hupsen als het mij uitkwam. Dat ik de persoon Finn gezien heb, in plaats van vertroebeld te zijn door mijn eigen noden en behoeften.
Soms verschijnt hij ineens in mijn gedachten, zijn goedlachse gezicht met zijn vriendelijke, lodderige ogen, en dan moet ik bekennen dat ik zijn woorden nooit vergeten ben. Soms beneveld, soms glashelder.
“Hallo prinses.”


De naam Finn is een pseudoniem.

0 comments on “Let Love Rule: Té veeleisend (maar lang niet kritisch genoeg)”

Let Love Rule: Té veeleisend (maar lang niet kritisch genoeg)

697683Nee hoor, je bent niet veeleisend. Je wilt gewoon die slimme, grappige, romantische, zorgzame, gevoelige-maar-ook-stoere, zelfverzekerde, aantrekkelijke en ambitieuze man die hé-le-maal voor jou gaat. Is dat nu echt teveel gevraagd? Iemand die maatschappelijk betrokken is, eens per week vegetarisch eet, niet elke zondag naar voetbal kijkt maar wel sportief is. Die van katten houdt, graag lang na-tafelt en twee keer per jaar op vakantie wil. Nee, niet naar Luxemburg; kajakken in Botswana of een ecologische rondreis door Midden-Amerika is wat je wil. Zelfde opleidingsniveau, zelfde politieke voorkeur, zelfde smaak in tv-programma’s. Iemand met een goede baan en bijbehorend inkomen. En als je het dan toch mag zeggen: Hij moet van een feestje houden maar óók kunnen genieten van een zondagmiddag Netflix kijken. Natuurlijk moet hij sociaal zijn en goed overweg kunnen met jouw vrienden en familie – dat spreekt voor zich. Toch? Maar zelf ook een vriendengroep hebben hoor! Zou leuk zijn als-ie dan ook nog van een festivalletje houdt op z’n tijd, een beetje cultureel graag. Maar liever niet teveel bier drinkt – dat is plat. Wijn juist weer wel, maar niet teveel op de eerste date, want daar knap je op af. Een leuk ingericht en opgeruimd huis aub, want je bent niet van plan om als moeder-de-vrouw zijn overhemden te gaan strijken. Mag hij dan ook nog een beetje prettig voor het oog zijn? Verzorgd en modebewust door het leven gaan, het liefst op Toms schoenen – dan heb je namelijk twee vliegen in één klap. En een kinderwens hebben, anders kun je er net zo goed gelijk mee kappen. Hoe ziet hij zichzelf eigenlijk als vader?
O shit, als de seks maar goed is.

Jep. Zo doen we dat. Net zoals flexwerken, aalbessen in de winter, botox, online winkelen en zelfhulpboeken je de touwtjes van het everydaylife in handen geven, kun je door middel van bewust en verstandig daten de perfect match vinden. Want de liefde is maakbaar.

Toch?

Nee dus.

Het probleem is niet dát we eisen stellen, maar dat de eisen die we stellen voorbij gaan aan wat we echt willen en nodig hebben om gelukkig te kunnen zijn in een relatie

Ik heb gekkere dingen gehoord. Laatst sprak ik een meisje, dolgelukkig met haar kersverse date omdat-ie niet van voetbal hield. Haar ex hield daar namelijk wel van en mede daardoor, zo vertelde ze, liep de relatie spaak. Ze had besloten enkel en alleen nog maar mannen te daten die net zo’n bloedhekel aan voetbal hebben als zij. Bingo! Blijkbaar wordt het eisenlijstje alleen maar langer en concreter naarmate meer mannen (of vrouwen) de revue passeerden.
Een kennis van mij date alleen mannen met een ‘echt goede baan’; neurologen, succesvolle advocaten, managers bij grote bedrijven, dat werk. Zelf heeft ze een goede baan met een bijbehorend inkomen. ‘Daarom juist, Karin!’, riep ze uit, hoofdschuddend om mijn geamuseerde gezicht.
Ik vergeet nooit mijn oud-collega, die tegen me zei dat ze een Hugo Boss-type zocht. Eerst verstond ik Hugo Borst en, hoewel niet direct mijn type, mijn belangstelling was gewekt door haar verassende antwoord. We werkten namelijk al een tijdje samen en ik had haar nooit ingeschat als het type vrouw dat op type Hugo Borst zou vallen. Was ze ook niet. Ze wist niet wie Hugo Borst was. Droeg hij toevallig Boss? We gingen de Rotterdamse Hugo even googelen. Nee, die Hugo was helemaal niks, oordeelde ze.
Natuurlijk, ik geniet er ook van als een man een fijn pak kleren draagt en zorg en aandacht besteedt aan zijn voorkomen. Maar om je type man nu te definiëren aan de hand van een modemerk…

Het probleem is niet dát we eisen stellen, maar dat de eisen die we stellen voorbij gaan aan wat we echt willen en nodig hebben om gelukkig te kunnen zijn in een relatie. In plaats van rationele eisen te verzinnen met ons hoofd en aan de hand van wie we willen en denken te zijn, moeten we misschien eens wat meer naar ons hart gaan luisteren. Vertel eens, waar krijg jij het warm van?

In tegenstelling tot mijn collega die een Hugo Boss-type zocht, zocht ik Superman op het Witte Paard

Vooruit, had ikzelf dan helemaal geen eisen? Alles is minder waar! Mijn eisenlijstje is misschien wel primair te noemen. Ik heb altijd verlangd naar die ‘echte’ man. Sterk, stoer, zelfbewust, wereldwijs. Succesvol in wat hij doet. Een man die weet hoe je een coquille op de barbecue bereidt en zijn weg vindt in een buitenwijk van Rio de Janeiro. Een gentleman én een alfa man. Een leider. Zo’n man die de grond onder je voeten wegslaat door alleen maar naar je te kijken, vervolgens dwars door je heen ziet en al je geheimen en onuitgesproken verlangens en gevoelens blootlegt. Die je op handen draagt, maar nooit te beroerd is om je weer op twee benen te zetten. Die de wereld over reist voor jouw geluk. Die je stoel aanschuift en je jas voorhoudt, maar je ook uit de tent lokt met zo’n arrogant-geamuseerd glimlachje. (<< daar val ik op, weten jullie dat ook gelijk.) Zo’n man die de sterke vrouw die je nu eenmaal bent omarmt, maar bij wie je ook klein en kwetsbaar mag zijn. De man die beschermt, koestert, liefheeft en je immer de waarheid vertelt, óók – of juist – als die lelijk is.

Ja, in tegenstelling tot mijn collega die een Hugo Boss-type zocht, zocht ik Superman op het Witte Paard.

“Een man hoeft bij jou maar iets verkeerd te doen, en jij knapt op hem af”, zei Eric ooit tegen me. Volgens mijn man leg ik heel veel druk op het manmens. Daar zit waarschijnlijk nog een kern van waarheid in ook.

En dan zit ik – nota bene ik – hier een pleidooi te houden tegen datinglijstjes.

En toch ben ik daar de aangewezen persoon voor. Want natuurlijk weet ik dat Supermannen niet bestaan. Objectief gezien bestaat er niet zoiets als een ‘echte’ man (<< dit zeg ik alleen maar om diplomatiek te zijn en geen mensen tegen het zere been te stoten – I know a real man when I see him ;-)) en de enige die vandaag de dag nog op een wit paard rijdt is Sinterklaas.
Maar wat ik wél weet is dat de connectie tussen twee mensen, de soulmate connectie waar we allemaal naar op zoek zijn, op een veel dieper niveau huist. Die connectie trekt zich niets aan van witte sokken onder een zwarte pantalon (of desnoods in een paar sandalen), een afkeer of juist een voorliefde voor korfbal, of iemands muzieksmaak. Een spark kijkt niet of je bij elkaar past. Verpleger, advocaat of vorkheftruck bestuurder? Who the fuck cares, ouwe hokjesdenker! Opposites attract, right? Voor mij is er maar één vraag die er toe doet en dat is de vraag die nog maar nauwelijks gesteld lijkt te worden; vind ik hem of haar écht leuk? Brengt hij me volledig op tilt? Kan ik door haar nergens anders meer aan denken? Zorgt zij ervoor dat de wereld even verdwijnt? Verrast hij me, in de breedste zin van het woord? Inspireert en beroert zij me? Laat ze me lachen? Verlang ik naar hem met lichaam en geest? Doet hij wat met me? (Sorry, dat waren er negen.) Even vrij naar Shania Twain; can he keep me warm in the middle of the night? Of iets minder vrij naar Melissa Etheridge; does she know how to shock, electrify and rock you?

Als het antwoord op die vraag ja is; ga ervoor! Let Love Rule.

We zoeken spastisch naar die ene perfecte ‘match’ die ons leven kan verrijken

Voor minder zou niemand het moeten doen. Klaar met dat halfslachtige daten met iemand waarvan je eigenlijk al weet dat-ie het net niet is. Nee, als dat gevoel – die chemie, die vonk – er na één of twee dates niet is, gaat het er hoogstwaarschijnlijk ook niet komen, hoezeer de ‘lijstjes’ ook matchen. Sterker, die lijstjes werken ons tegen. Ze zijn misschien wel een excuus om niet stil te hoeven staan bij wat je echt wilt en nodig hebt. Natuurlijk moet je samen kunnen praten en is het fijn als je met elkaar kunt lachen. Maar wat mij boeit; welke verlangens en behoeften gaan er echt schuil achter jouw wensen? Wat is een Hugo Boss-type volgens jou? Waarom vind je het belangrijk dat hij een succesvolle carrière als chirurg ambieert? Waar staat dat voor, op zondag samen naar Netflix kijken? Kortom; wat wil je echt? Wie ben je echt?
Ik denk weleens; als je niet in staat bent door een verkeerd kapsel, nerdy hobby of een iets teveel aan make-up heen te kijken, dan ben je óf nog nooit de juiste man/vrouw tegengekomen, of je moet eens goed bij jezelf te rade gaan.

Herkennen we de echte chemie eigenlijk nog wel? Of worden we verliefd bij het idee dat we iemand hebben getroffen die bij ons ‘past’?

Daten als controlfreaks, dat is wat we doen. We beoordelen de man of vrouw voor ons neus door het filter van onze verbeelde eisen. Die illusie van maakbaarheid in de liefde zorgt voor een continue drang naar mooier, leuker en beter. Door het idee dat liefde een aanvulling moet zijn in plaats van een invulling, zoeken we spastisch naar die ene perfecte (en niet-bestaande) match die ons toch-al-complete leven aan kan vullen. We hebben alle tijd van de wereld om te wachten; het hoeft immers niet. En zo gaan er – daar ben ik van overtuigd – een heleboel leuke mannen en vrouwen aan je neus voorbij. Natuurlijk, de meeste van ons kunnen prima zonder een relatie. Je kunt zelfs heel gelukkig zijn zonder. Je moet op eigen benen kunnen staan en het heft van je leven in hand nemen; sure thing. Maar dat betekent niet dat een relatie met de juiste man of vrouw het leven geen kleur kan geven. Je ‘compleet’ kan maken – of dat nu voor een paar maanden, jaren of voor de rest van je leven is. Niet zomaar een aanvulling, maar een verrijking die het waard is om voor te vechten, voor te lijden, voor te veranderen en voor op te geven. Omdat je er zoveel voor terugkrijgt. Omdat liefde het leven ís. En als je dat aanvaardt (<< ik hoop niet dat ik nu als een Jehova’s getuige klink) en op zoek gaat naar chemie en liefde in plaats van naar een match… Nou, dan ben je dus lekker bezig.

Nee, ik zeg niet dat het overboord gooien van je lijstje een garantie is voor succes. Er zijn nooit garanties voor de toekomst. Maar door te ontspannen, jezelf open te stellen, te leven in het moment, je te laten verwonderen en veroveren en te kiezen voor ‘echt’, zorg je wél voor meer plezier in het leven én tijdens het daten. En plezier leidt tot geluk en geluk leidt tot…? Juist. Liefde.

(Ik probeer nog steeds één van mijn single vriendinnen te verleiden tot een experiment waarin ze elke week date met iemand die ik voor haar uitkies. Helaas staan ze geen van allen te springen. Onbegrijpelijk.)

Veeleisend. Ja, dat zijn we anno 2016 zeker. Kritisch, dát moeten we weer gaan worden. Zonder een drie A4-tellend wensenlijstje, maar door naar ons hart te luisteren en onze gevoelens te volgen. Maar of dat de zoektocht nu veel makkelijker zal maken…

En tot slot van dit pleidooi deel ik met jullie deze tijdloze, geweldige song van Madonna. Want waar ik 1900 woorden voor nodig heb gehad, zegt zij in een paar zinnen.

What you need is a big strong hand to
Lift you to your higher ground

Tot de volgende keer!

Warme groet,

Karin – romantica en betweter in de liefde

0 comments on “Let Love Rule”

Let Love Rule

Collega A en ik drinken samen koffie op de trappen in het uitgestorven Polak gebouw op de Erasmus Universiteit. Alle werkgerelateerde zaken zijn besproken en ons gesprek gaat weer ‘gewoon’ over de liefde. Of eigenlijk; over (internet)daten en relaties. Collega A is fortysomething en single. Naar eigen zeggen niet naarstig op zoek naar een relatie – of misschien zelfs wel helemaal niet – maar wel gezellig geregistreerd op een datingsite. Je weet maar nooit.
“Weet je, Karin”, zegt ze na lang beraad. “Uiteindelijk is het hebben van een leuke en fijne relatie toch waar het gros van de singles naar verlangt.” Ze is opgestaan om de drinkbekertjes van New Fork in de prullenbak te gooien. “Maar waarom…”
“…waarom lukt het dan zo vaak niet”, vul ik haar aan.
“Juist.”

Collega A is niet de enige single in mijn vrienden- en kennissenkring. Sterker nog; het gros is af en aan single. De redenen zijn divers; geen tijd, te veeleisend of juist niet (langer) kritisch genoeg, te onafhankelijk of juist te aanhankelijk, niet genoeg kunnen/willen/durven geven of juist teveel. Zij die denken nog alle tijd van de wereld te hebben tegenover de groep die geen tijd meer wil verliezen. I’ve seen it all.

Hij uit de zakenwereld, in pak en op van Bommeltjes; ik een antropologiestudente van Zuid op teenslippers

“Ja, jij hebt het al!”, zeggen mensen weleens tegen mij, altijd met die mengeling van bewondering, verwondering en hoop. Soms oprecht blij, soms een tikje jaloers. “Jij en Eric horen bij elkaar – dat ziet zelfs een blind paard – én jullie hebben elkaar gevonden. Kortom; jij bent het bewijs dat het kán – nu ik nog.” Sure thing. Maar weet je wat mij nu zo opvalt? Dat de mensen die dit zeggen mij als een mazzelaar zien. Alsof het een toevalstreffer was waar zelfs Cupido stomverbaasd naar stond te kijken. Alsof ware liefde of die ene leuke man/vrouw hun – ondanks alle inspanningen en goede bedoelingen – niet gegund is en er niets anders rest dan een laatste beetje hoop putten uit de geïdealiseerde succesverhalen van anderen waarbij ‘de ware’ plotsklaps op het pad verscheen en hun hart veroverde.
Nee, you can’t hurry love, zongen The Supremes in 1966 al. Maar je kunt het lot wél een handje helpen en er in ieder geval voor zorgen dat je je eigen glazen niet doorlopend ingooit. Want dat is wat ik doorlopend zie gebeuren.

warjtvx0Iedereen zal begrijpen dat Eric en ik geen ‘Lexa match’ waren. Dik 21 jaar leeftijdsverschil, op het eerste gezicht twee totaal verschillende personen uit totaal verschillende leefwerelden. Hij uit de zakenwereld, in pak en op van Bommeltjes; ik een antropologiestudente van Zuid op teenslippers. Ik toen nog lekker links, hij lekker rechts. Liefde op het eerste gezicht? Mwa. Ik vond Eric de eerste tien minuten een tikje intimiderend; de blik waar ik later zo voor viel leek toen vooral…, ehm…, nors. Hij vond mij in eerste instantie – vermoedelijk – gewoon een lekker wijf. Ik heb mijn stinkende best gedaan mezelf wijs te maken dat het nooit iets kon worden tussen ons, ondanks de niet te stuiten passie. Hij op zijn beurt trok alles uit de kast om mij te laten zien dat we voor elkaar gemaakt waren, óók – of juist – in the long run. Mijn tempo, zei hij in het begin steevast. “Maar er komt een moment, meisje, dat ik echt ga vechten om je van mij te maken.” Die woorden – onheilspellend, arrogant, lief maar vooral rete-spannend – vergeet ik nevernooit meer. Maar, I know how to keep my cool. Charmant glimlachend haalde ik mijn schouders op en we proostten met onze glazen bubbels. We zopen in die periode als gods Maleiers.
Eric en ik gaan nooit meer uit elkaar.

(Eigenlijk zou ons verhaal verfilmd moeten worden. Ik dacht zelf aan Mr. Big en Rihanna in de hoofdrol. Helaas neemt Nick Cassavetes zijn telefoon niet op. Ik blijf het gewoon proberen.)

Ik dwaal af.

Een tijdje geleden zat ik – Karin Koolen de antropoloog, betweter in de liefde – aan tafel met het team van Married At First Sight. Je weet wel, dat RTL4 programma waarin mensen gematcht worden door de wetenschap. We bogen ons over de vraag; als zoveel singles een relatie wíllen, waarom lukt het ze niet?

Zijn we het verleerd? De liefde

Ik denk dat ik daar inmiddels wat zinnigs over kan zeggen. En hoewel het antwoord op die vraag natuurlijk allerminst eenvoudig of eenduidig is, vatte ik zojuist het idee op om hier een reeks korte artikelen over te schrijven. Gewoon, hier op mijn blog; mijn ideeën, dicht bij mezelf en deels over mezelf. Want De Liefde blijft nu eenmaal het onderwerp waar ik het allerliefst over praat en schrijf. Ik zal altijd een hopeloze romanticus zijn. Ik zal altijd blij zijn als ik iemand ontmoet die vol trots, liefde en passie over zijn of haar geliefde spreekt.

Ik zal schrijven waarom ik denk dat we te veeleisend zijn maar tóch niet kritisch genoeg. Ik zal uitleggen waarom ik de uitspraak ‘een relatie moet een aanvulling zijn en geen invulling’ totale bullshit vind. Over de illusie van maakbaarheid, de illusie van perfectie én de illusie van gelijkheid. Over de angst om kwetsbaar te zijn, over de obsessie met hoe anderen ons zien. De angst voor het verlies van controle. Misschien ook wel over de angst om onbedoeld een seksist te zijn en grenzen van anderen te overschrijden… Over de contradictie tussen wat mensen echt (onbewust?) willen en wat ze daadwerkelijk doen. Tussen wens en handeling. Tussen wat we van een ander verlangen en hoe we ons vervolgens zélf opstellen.

Menig vrouw loopt warm voor de liefde in films als The Notebook, Fifty Shades of Grey, An Officer and a Gentleman (oeh, die laatste scene!), Pretty Woman en Twilight (bdsm, officieren, prostitutie, vampieren… Desondanks exact hetzelfde concept en daarmee exact dezelfde films). Dit is blijkbaar wat ons hart sneller doet kloppen; de schijnbaar onmogelijke match, maar de liefde die overwint omdat er simpelweg geen houden aan is. Omdat hij alles uit de kast trekt en niet opgeeft als zij de boel afhoudt; omdat zij haar hart volgt. Enerzijds smachten we naar die liefde, anderzijds houden we – doodsbenauwd voor het verlies van controle en de angst gekwetst te worden – ons hoofd het liefst koel tijdens onze eigen zoektocht naar een man of vrouw.

Zijn we het verleerd? De liefde. Het flirten. De passie, die onmiskenbaar voortkomt uit de touwtjes loslaten en je hart en lijf laten spreken?

Daar maak ik me weleens druk om. Ik maak me ook druk om Syrië hoor, en ja, ik tob wat af over de aanslagen in Frankrijk en Turkije, over vrouwenbesnijdenis in Somalië en het onderdrukkende politieke regime in Saoedi-Arabië. Over klimaatverandering en milieuvervuiling, over bedreigde ijsberen en stierenvechten en arme honden die aan bomen gebonden worden omdat het baasje wil kamperen in Spanje. Over alles wat kut en klote is in de wereld. Maar hierover dus ook. Misschien wel juist nu. Want ik geloof in de liefde. En wat zou een wereld zonder liefde zijn. Daarom: Let Love Rule. Maar dan echt.

Volgende keer: Te veeleisend, maar niet kritisch genoeg!