Ossip van Duivenbode: “Ik ga nooit over de top”

Vers Beton interviewt in samenwerking met Rotterdamse Nieuwe jonge beeldbepalende en bijzondere ondernemers in Rotterdam. Wie zijn ze, wat doen ze en waarom kozen ze voor Rotterdam? Vandaag: Architectuurfotograaf Ossip van Duivenbode.

Tekst: Karin Koolen
Beeld: Richard Beukelaar

Het zijn drukke tijden voor Ossip van Duivenbode (34). Hij heeft diverse fotografieprojecten lopen in binnen- en buitenland, speelt deze week (11 december red.) een belangrijke rol bij de opening van het Timmerhuis aan de Meent en als klap op de vuurpijl is hij net verhuisd. Desondanks maakt hij graag tijd vrij voor een interview. We treffen elkaar in De Huiskamer op het Centraal Station.

Gelijk maar een brutale vraag; klopt het dat jij in het nieuwe Timmerhuis woont?

“Ja! De afgelopen 2 ½ jaar heb ik het bouwproces nauwgezet gevolgd en vastgelegd. Het project sprak me meteen aan. Ik ben dan ook een echte binnenstadbewoner – ik woonde hiervoor aan Hofplein. In het Timmerhuis zitten mijn vriendin, zoontje (2) en ik weer middenin de stad, maar nu op 12 hoog met een spectaculair uitzicht. Door de bouwstijl is het meer een apenrots dan een woontoren – elke woning is uniek. Ik heb een hele serie foto’s gemaakt voor de pers. Tijdens de officiële opening houdt ik voor hen open huis – best spannend!

Een groot voordeel is het licht in huis! Als fotograaf ben ik altijd bezig met licht. Als ik wakker word kan ik gelijk inschatten wat voor weer het wordt; waar komen de wolken vandaan? Hoe heiig of hoe helder is het? Ik merk nu al dat dat invloed heeft op de planning van de dag.”

En hoe was het weer vanmorgen?

“Laat ik het zo zeggen; het is een perfecte dag om met jou af te spreken en straks wat werk binnenshuis te doen.”

Jij bent architectuurfotograaf. Hoe is dat zo ontstaan?

“Ik studeerde architectuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. In 2007, het Architectuurjaar in Rotterdam, kreeg ik een stageplek bij AIR. Ik heb toen meegewerkt aan een publicatie over 30 jaar architectuur in Rotterdam en trok de rol van beeldredacteur naar me toe. Daarvoor dook ik regelmatig het archief in op zoek naar foto’s van gebouwen. Omdat ik een deel van die foto’s niet goed genoeg vond, besloot ik ze zelf te maken. Wat bleek? Die waren zo goed dat ze gebruikt konden worden in het uiteindelijke boek! Daarna heb ik nog jaren voor AIR gewerkt in verschillende projecten, maar het werken met beeld sprak me meest aan. Ik kreeg gaandeweg steeds meer fotografieopdrachten. In 2010 schreef ik me in bij de Kamer van Koophandel en sinds 2012 is dit mijn fulltime baan.”

Heb je een fotografieopleiding gevolgd?

“Nee, op een cursus bij de SKVR na. Technisch heb je dit vak snel onder de knie, zeker nu bijna alles digitaal gaat. Ik ben ook blij dat ik geen fotografieopleiding genoten heb. Fotografie is namelijk niet de drijfveer voor mijn foto’s; architectuur is dat wel.

Om goed te worden moet je je vol overgave specialiseren. Als je teveel wilt, of jezelf teveel verbreedt, kom je moeilijk aan opdrachten. Door je te specialiseren creëer je op een gegeven moment een netwerk dat je verder helpt. Een sportfotograaf heeft een heel ander netwerk, spreekt een andere taal, vindt andere dingen leuk. Ik geniet van stedenbouw en stadsarchitectuur!”

Hoe helpt jouw studieachtergrond je in dit werk?

“Tijdens de studie leerde ik architectuur begrijpen, er naar te kijken, en ontwikkelde ik een kritisch vermogen; het goede van het minder goede onderscheiden. Wat is interessant? Waar wil ik mee bezig zijn? Ik gebruik mijn studie dus elke dag!”

Welke rol speelde fotografie in jouw jeugd?

“Geen, eigenlijk. Als kind was ik goed in tekenen. Ik zie fotograferen als een soort verlengstuk daarvan; ik kon niet creëren vanuit niks, maar als ik iets bekeken had kon ik dat heel precies natekenen. Als fotograaf doe ik hetzelfde; heel goed kijken, alle tijd en rust nemen, de omgeving observeren. Als een bezetene tussen mensen door rennen op een event is dan ook niks voor mij. Geef mij een onderwerp waar ik over na moet denken; standpunten uitproberen, statief neerzetten en dan uren bezig zijn met die ene foto. Die foto moet worden zoals ik die plek of dat gebouw ervaar. De foto is dan een hulpstuk om bezig te kunnen zijn met die architectuur.

Allebei mijn ouders zijn architect. Ik ben opgegroeid in de stad en geïndoctrineerd door stedentripjes (lacht). Een tijd geleden was ik in New York. Ik vind het zo fascinerend dat zo’n stad door mensenhanden gebouwd is en dat in slechts een paar honderd jaar. Ook in Rotterdam heb ik dat gevoel; waarom ziet de stad eruit zoals ze eruit ziet? Zo’n vraag houdt mij bezig.”

Hoe Rotterdams is jouw werk?

“Ik werk over de hele wereld maar ik woon hier. Ik ken de stad ook om mijn duimpje. Veel van mijn opdrachtgevers zijn in de stad gevestigd. Rotterdam is altijd in ontwikkeling – dat fascineert mij. Hier tref je een bepaald soort lelijkheid die ik – misschien daardoor – mooi vind. Als je architectuur gaat begrijpen, ga je anders kijken en het anders waarderen. Kijk bijvoorbeeld naar het Groothandelsgebouw; in de jaren ’90 vonden veel mensen dat een lelijk gebouw. Net als Central Post – goddank is dat niet afgebroken maar gerenoveerd. Het heeft een andere functie gekregen en een nieuwe rol ingenomen naast het gloednieuwe Centraal Station – daardoor gaat men het anders waarderen. Maar ook flatgebouwen nabij de Lijnbaan; ‘dat zou leuk staan in Meppel’, hoor ik weleens, maar ik zie er mooie details in.”

Hoe zou je jouw stijl als architectuurfotograaf beschrijven?

“Strak en recht, zodat er rust in foto’s komt. Ik kader mijn foto’s zorgvuldig uit. Ik streef ernaar om het gebouw zo helder en compleet mogelijk in beeld te krijgen. Ik houd van mooi licht – zon, schemer – maar ik ga nooit over de top. Geen fratsen met filters en HDR technieken. Ik werk trouwens altijd met Tilt-shift; daarmee kun je de horizon precies plaatsen waar jij ‘m wilt.”

Op welke foto ben je het meest trots?

“Eigenlijk is dat een fotoserie; Flat(s). Flats omdat het foto’s van flatgebouwen waren, maar ook omdat het hele platte beelden waren; close-ups van een gebouwen. Het resultaat waren foto’s met strakke lijnen, precies recht gekaderd, maar doorbroken door kleine interventies; door menselijk handelen. Bijvoorbeeld een glazenwasser die kerstverlichting aan het weghalen is. Puur levenloze gebouwen kan ik ook prima fotograferen, maar juist zo’n onderbreking waardoor het minder afstandelijk wordt geeft het contrast. En dát maakt het interessant!”

Ossip-8509-1280x853

Wat is als freelancende ondernemer jouw beste zet geweest?

“In het diepe springen. Dat is wel een cliché he?”

Een beetje wel ja…

“Kijk, je wordt natuurlijk steeds beter in je communicatie met opdrachtgevers. En zakelijker. Noodgedwongen ook – op een gegeven moment kreeg ik zoveel werk dat het simpel werd; het kost wat het kost en anders maar geen opdracht. Daarmee straal je ook professionaliteit uit.

Een fout die ik – en veel freelancers met mij – heb gemaakt was teveel werk aannemen. Ook opdrachten die niet in mijn straat paste. Dat doe ik niet meer. Als het niet mijn type fotografie is zeg ik ‘nee’ en raad ik iemand anders aan die het beter kan en leuker vindt. Ook al is het het meest toonaangevende en prestigieuze bureau. ‘Maar als je wel iets hebt in mijn straatje weet je me te vinden’, zeg ik dan. Zo creëer je duidelijkheid over waarvoor mensen jou moeten benaderen.”

Soms hebben freelancers het gevoel dat zich geen ‘nee’ kunnen veroorloven. Ken jij dat?

“Dat herken ik ook wel hoor. Ik vind het nog steeds moeilijk om op vakantie te gaan. Dit jaar ben ik slechts een weekje weggeweest en dat was nota bene voor een bruiloft in Spanje. En dan check ik dagelijks mijn mail en sleep ik mijn laptop en harde schrijf mee om eventueel foto’s te kunnen versturen. Je bent toch bang dat je iets mist.”

Of dat iemand er van doorgaat met jouw klus!

Ossip lacht. “Het voelt soms als een wedstrijd, ja. Dat is ook leuk, want je stijgt boven jezelf uit. Als ik weet dat een andere fotograaf eenzelfde project fotografeert, dan ga ik nóg harder mijn best doen.”

Er hangt een spreuk op de Erasmus Universiteit; ‘De enige manier om beter te worden is door je eigen werk af te keuren.’

“Daar ben ik het wel mee eens. Blijf altijd kritisch op jezelf. Als ik foto’s zie ik uit 2012 denk ik soms; die zou ik nu anders maken. En dat is maar goed ook! Het zou treurig zijn als je in al die jaren niet groeit.

Er zijn ook grote verschillen tussen wat opdrachtgevers willen en mooi vinden; smaken verschillen. Soms schiet ik voor mijn gevoel een architectuurfoto met een net te heftig perspectief; dat staat de opdrachtgever te juichen. Of andersom. De kunst van het aanvoelen wat de opdrachtgever mooi vindt; die moet je gaan verstaan.

Ik streef er ook naar om niet te lang voor dezelfde opdrachtgever te werken. Elk nieuw begin vereist namelijk frisheid en energie om opnieuw na te denken en er compleet voor te gaan. Je moet je weer bewijzen! Afwisseling is goed – dat gebeurt in mijn werk volop.”

Tot slot; waar gaan jouw ambities naar uit?

“Het lijkt me leuk om nog meer onderzoekend en verhalen te fotograferen, in opdracht van uitgeverijen of magazines. Dus niet alleen sexy fotografie voor een designmagazine of voor promotiedoeleinde, maar echt verhalen vertellen. Bijvoorbeeld het in beeld brengen van het veranderende landschap van de Noordoostpolder. Of conciërgewoningen fotograferen; hoe werden ze gebruikt? Wat bleef over? Ik zou het mooi vinden om daar archieffoto’s bij te gebruiken als dat het verhaal ondersteunt. En dan zijn we eigenlijk weer terug bij mijn studieachtergrond; als architectuurhistoricus ben ik opgeleid om archieven in te duiken en onderzoek te doen. Het lijkt me mooi als ik dat met fotografie kan combineren!”

Wolk van Staal

Het oude Timmerhuis aan de Meent, het epicentrum van de naoorlogse wederopbouw, krijgt een nieuw leven. Momenteel wordt er hard gewerkt aan het ontwerp van Rem Koolhaas, zodat er in het najaar van 2015 op deze historische plek ruimte is voor winkels, horeca, kantoren en koopappartementen. Tot die tijd geldt: géén ordinair bouwhek, wél een bruisende plint.

Tekst: Karin Koolen
(Dit artikel is gepubliceerd in Gersmagazine #6.)

Een jaar geleden stapt Jacobus Kielen (84) het informatiecentrum van het Timmerhuis binnen. Hij heeft een prangende vraag over iets dat hem aan het hart gaat. Arjan Hofmann,
communicatiemanager bij bouwconcern Heijmans, herinnert zich de man en zijn vraag nog goed. “Hij vroeg schuchter of het monumentale kantoorgedeelte van het oude Stadstimmerhuis zou blijven staan. Toen ik hem vertelde dat dit het geval was, raakte hij echt ontroerd. Wat bleek? Vanaf 1953 heeft hij vanuit het oude Stadstimmerhuis meegewerkt aan de wederopbouw van de binnenstad. Hij was assistent-tekenaar bij de Stedenbouwkundige Dienst. Deze man heeft hier nog uit het raam gehangen en naar koningin Juliana gezwaaid, zo vertelde hij me.” Vorig jaar werd Kielen op de Dag van de Bouw uitgenodigd om zijn verhaal over het Timmerhuis te vertellen. Hofmann: “Samen met zijn kleinzoon stond hij tussen toenmalig wethouder Hamit Karakus en de voorzitter van de Raad van Bestuur van Heijmans. Dat was mooi om te zien!”

‘Het Timmerhuis moet een bruisende plek worden waar verschillende stadsfuncties samenkomen en waar altijd wat gebeurt’

Slopen, renoveren en innoveren
Oud en nieuw verbinden. Dat was een van de eisen bij de aanbesteding die de gemeente Rotterdam uitschreef voor de herontwikkeling van het Timmerhuis. Die verbinding is er. Letterlijk. Het gedeelte van het oude Stadstimmerhuis dat bijgebouwd werd in de jaren zeventig is gesloopt. Op die plek verrijst straks de nieuwbouw, naar een ontwerp van architectenbureau OMA onder leiding van Rem Koolhaas. Deze ‘wolk van staal’, zoals de zwevende pixelconstructie van staal en glas wordt genoemd, komt tegen de binnenzijde van het L-vormige monument, grenzend aan de Meent en het Haagseveer. Het monument, gebouwd in de jaren vijftig, wordt momenteel gerenoveerd. Het nieuwbouwdeel van het Timmerhuis krijgt een transparante plint. Hier komen winkels en horeca. Een eveneens transparante publieke passage verbindt de Coolsingel met het Laurenskwartier. Ondergronds komt een parkeergarage. De eerste vijf verdiepingen zijn bestemd voor gemeentekantoren en de bovenste lagen zijn voor de 85 koopappartementen. Museum Rotterdam tekende onlangs een intentieovereenkomst om in januari 2016 naar de begane grond van het Timmerhuis te verhuizen. Kortom: het Timmerhuis moet een bruisende plek worden waar verschillende stadsfuncties samenkomen en waar altijd wat gebeurt.

A dream come true
Ondertussen broeit er al van alles. Vita Bolsius, omgevingsmanager bij Heijmans: “Wij begrijpen dat de Meent heel belangrijk is, ook voor ondernemers. Daarom hebben we besloten om hier geen afgesloten plek van te maken door er een ordinair bouwhek omheen te plaatsen.” Het idee was simpel: een open en levendige plint en daarmee een aantrekkelijke Meent, ook tijdens de renovatie. Heijmans ging op zoek naar partners om de lege ruimtes tijdelijk te vullen. Lang hoefde er niet gezocht te worden. Een aantal kleine, creatieve zelfstandigen zag opeens de drukke Meent binnen handbereik; normaal gesproken een voor hen onbetaalbare A-locatie. Een uitgelezen kans om grotere bekendheid bij het publiek te krijgen.

Mitzy Buijs twijfelde dan ook geen moment. Op de hoek van de bouwplaats zit haar pop-up store Sweet-Rebels. Sinds juli 2013 maakt en verkoopt zij hier sieraden en vintagekleding. A dream come true. “Ik wilde altijd wel, maar durfde het nooit zo goed”, zegt Buijs. Inmiddels heeft ze haar baan bij het Stedelijk Team Jongerenwerk op kunnen zeggen en leeft ze van haar winkel. “Het rauwe randje van dit pand – het ligt deels ondergronds – draagt bij aan mijn concept van vintage en hergebruik. Bovendien komt het niet zo nauw met een gaatje meer of minder in de muur.” Ze lacht. “Als ik een plankje op wil hangen vraag ik altijd hulp aan een van de bouwmannen.”
Een paar deuren verder exposeert Tymon Ferenc de Laat zijn schilderijen. Zijn galerienaam MeLikePainting staat met grote letters op de glazen gevel. “Creativiteit uit zich ook in aanpassingsvermogen”, stelt De Laat, die voorheen met zijn galerie anti-kraak op Weena-Zuid zat. “Dat was ook een goede locatie, maar dit is natuurlijk veel beter.” Via het achterraam heeft hij uitzicht op de bouwplaats. Wat heeft de verhuizing hem gebracht? “Het is in de anderhalf jaar dat we hier zitten veel drukker geworden. En ook al komen mensen niet binnen, ze zien toch mijn naam staan. Ik hoop daar later ook nog de vruchten van te kunnen plukken.”
Hoe lang de ondernemers nog kunnen blijven, is onduidelijk. De Laat: “In eerste instantie was het voor vier maanden, maar het is steeds verlengd. Alles na die vier maanden is mooi meegenomen.”

Hoogtepunt
Aan Bolsius ondertussen de taak om het project – en vooral de bijbehorende werkzaamheden – geaccepteerd te krijgen in de omgeving. Dat lijkt haar aardig te lukken. “Als je iedereen zoveel mogelijk overal bij betrekt en vooraf informeert, begrijpen mensen waarom en wanneer iets gebeurt en hoe lang het duurt. Dan vinden ze het eigenlijk niet zo heel erg meer. Natuurlijk komen er nog weleens klachten, bouwen maakt kabaal en geeft overlast. Maar we doen heel erg ons best om dit tot een minimum te beperken en er in ieder geval goed en tijdig over te communiceren.”
In september dit jaar bereikt het Timmerhuis het hoogste punt. Het moet wederom een plek worden van ontmoeten en verbinden, waar mensen en ideeën samenkomen en verder bouwen aan Rotterdam. Zwaaien naar koningin Juliana, zoals Jacobus Kielen dat vijftig jaar geleden deed, zit er niet meer in. Maar wie weet wordt er nog weleens gezwaaid naar het nieuwe koningspaar. Vanuit het oude monument, of vanuit een hypermoderne wolk van staal.

*

Een halve Eiffeltoren aan staal en twee maandsalarissen in een schoen! Klik hier voor foto’s en leuke (historische) weetjes over het Timmerhuis!