Zij zijn groot, maar samen zijn we groter

Dat Hester Duursema, algemeen directeur van BLN-Schuttevaer, hart voor haar werk heeft, staat als een paal boven water. Ondanks een fikse verkoudheid stond ze erop het interview door te laten gaan. We ontmoeten elkaar op het hoofdkantoor in Zwijndrecht. Een gesprek over de toekomst van de binnenvaart, de ongepolijste charme van de schipperscultuur en 100 uur per week werken.

Tekst: Karin Koolen
Beeld: Antim
Geschreven in opdracht van: Onze Haven

Het is 2010 als binnenvaartambassadeur Arie Verberk de eerste stap zet richting een branchevereniging voor de binnenvaart. Nederland telt dan al zo’n 3000 varende ondernemers die vertegenwoordigd worden door diverse kleine organisaties, die allemaal met een eigen agenda naar Den Haag gaan. Niet handig, want – zo bleek na een inventarisatie – de gedeelde belangen zijn veel groter dan de verschillen. Samen sta je sterker. In een lang en lastig traject, waarin weerstand moet worden overwonnen en een gezamenlijke visie moet ontstaan, wordt de integratie georganiseerd. Hester Duursema (34) heeft nog geen enkele ervaring in de binnenvaart als zij vanuit Rebel (een consultancybedrijf) als adviseur wordt aangesteld om de transitie te begeleiden. Maar ze doet het goed. Zo goed zelfs, dat ze, nadat de fusie in 2013 beklonken is, gevraagd wordt te blijven als algemeen directeur.

Echt invloed uitoefenen

Ze heeft nog even getwijfeld voor ze ja zei, bekent ze. “Bij mijn vorige werkgever werkte ik voor diverse sectoren. Zou de binnenvaart niet eentonig worden, vroeg ik me af. Maar ik vond het ook leuk om echt invloed te kunnen uitoefenen, in plaats van enkel te adviseren.” Hester werd bovendien geraakt door de complexiteit en authenticiteit van de binnenvaart. “Ik kom uit een expatgezin – mijn vader werkte voor Heineken – en heb veel in diplomatieke sferen verkeerd. Daar trof ik veel aangeleerd gedrag, waar het hier juist heel echt is. Men zegt vaak plompverloren waar het op staat. Dat ongepolijste vind ik charmant. Feedback geven gaat ook even anders dan ik gewend was. Stond ik een presentatie te geven, zei iemand: ‘Joh Hester, al dat Engels hoeft van ons niet.’”

Enorm lucratief

Nu ruim drie jaar verder houdt BLN zich onder andere bezig met het vergroten van het marktaandeel. Want, zo stelt Hester, er is nog veel onbenut potentieel op het water. “Denk aan het fileprobleem; één groot schip kan 166 vrachtwagens van de weg halen. Bedrijven als Heineken, Nutricia en Samsung maken hier al gebruik van. Vaak wordt onterecht gedacht dat de binnenvaart traag of duur is, maar ga je rekenen, dan blijkt het enorm lucratief. Kleinere ladingen kun je met meerdere leveranciers bundelen. Bovendien moet maar twintig procent van het vervoer snel. En denk ook eens aan gevaarlijke stoffen die nu per trein door dichtbevolkte gebieden vervoerd worden.” De organisatie onderzoekt momenteel welke ladingstromen eventueel verlegd kunnen worden.

Kortom: de binnenvaart staat voor lagere kosten, veiligheid én duurzaamheid. En duurzaamheid wordt alleen maar belangrijker. Hester: “Consumenten zullen er in de toekomst steeds meer om vragen, verladers zien steeds beter in dat ze zich zo kunnen onderscheiden.” Gebruik van waterwegen kan CO2-uitstoot reduceren met maar liefst zeventig procent ten opzichte van het wegvervoer. Het ministerie ziet in de binnenvaart dan ook terecht een antwoord op milieuvraagstukken. Er is echter 150 miljoen euro nodig om de binnenvaart te vergroenen, zegt Hester. “Denk aan nabehandelingstechnieken, alternatieve brandstoffen, hybride systemen. Op dit moment ontbreekt het varende ondernemers aan financiële middelen en ze verdienen zo’n investering ook niet terug. Maar er zijn tig mogelijkheden om emissie-uitstoot te verminderen. Wij zetten dan ook in op ‘meten aan de pijp’: wat stoot je uit terwijl je vaart, aan welke knoppen kun je draaien om dit te verlagen?”

Zelf besluit nemen

“Het is onze missie ondernemers handelingsruimte, inzicht en instrumentarium te geven om zelf een gefundeerd besluit te kunnen nemen”, legt ze uit. Niet alleen op het gebied van milieu, maar ook rondom veiligheid. “De overheid bedenkt allerlei wet- en regelgeving, milieueisen, veiligheidseisen, bemanningseisen. Voor kleine bedrijven in de binnenvaart is het lastig zich met deze materie bezig te houden. Het ontbreekt hen ook aan tijd en middelen. Nu hebben we een gezamenlijke stem die we kunnen laten horen aan de (inter)nationale bestuurders.”

Het is daarbij belangrijk zichtbaar te maken wat BLN doet en gedaan heeft: welke paal is gelegd, wat gebeurt er met die brug die de gemeente wilde verlagen, waar komen nieuwe ligplaatsen en waar kun je huisvuil kwijt? “In 2016 hebben we 140 dergelijke punten gerealiseerd”, vertelt Hester. “Dat spreekt onze leden aan, niet zozeer het subsidieprogramma wat we nu met de EU opzetten, al kan hen dat in de toekomst veel opleveren. We communiceren intensief via een nieuwsbrief, de krant en sociale media, maar toch bereikt niet alle informatie onze leden. Het leven van een schipper is hectisch.”

‘MEN ZEGT VAAK PLOMPVERLOREN WAAR HET OP STAAT. DAT ONGEPOLIJSTE VIND IK CHARMANT’

Daarom gaat BLN ook naar de schepen toe om een vinger aan de pols te houden; wat speelt er, waar lopen varende ondernemers tegenaan? Tijdrovend, maar heel belangrijk. Hester: “We zouden het nog meer moeten doen.”

Ondernemerschap versterken

BLN vertegenwoordigt veelal kleine ondernemers met van oudsher een vrijgevochten, misschien wel conservatief beroep. Frank Put, adviseur van het Havenbedrijf, noemde in een interview eens het ‘calimero’-gedrag ten opzichte van grote organisaties; zij zijn groot en ik ben klein. Hester: “Dat herken ik wel, maar de sector verdient het meer zelfvertrouwen te krijgen. Daar werken we aan door handvatten te bieden waarmee ondernemers hun handelingsruimte kunnen vergroten en meer zicht hebben op de keuzes en mogelijkheden die er zijn. In grote mate betreft dit een versterking van het ondernemerschap in de sector. Varen is een prachtig beroep: je bent eigen baas, geen dag is hetzelfde. Tegelijkertijd wordt het steeds minder ‘hobby’ en meer bedrijf. Sommige ondernemers hebben het schip afbetaald en doen ‘voor de leuk’ een reisje naar Frankrijk, maar de meesten moeten continu varen om überhaupt de hypotheek te kunnen betalen.”

De binnenvaart wordt daarbij steeds complexer, stelt ze. Varende ondernemers moeten de korte termijnnoden combineren met die op de lange termijn. “Het is goed jezelf de vraag te stellen: waar wil ik naartoe? Hoe kan ik me ook op de langere termijn onderscheiden?”

Stabiliteit en evenwichtigheid

Het waterpeil zorgt op dit moment nog voor enorme pieken en dalen. “Als het water zakt kun je minder lading meenemen en zijn klanten bereid meer te betalen, maar op het moment dat het waterpeil hoog is, hebben verladers de keuze uit 3000 varende ondernemers. Die weten van elkaar niet wat hun concurrenten vragen en varen vaak zo goedkoop mogelijk.” Geen toekomstbestendige situatie, aldus Hester. “In het belang van de hele keten moet er veel meer stabiliteit en evenwichtigheid in die marktstructuur komen. Dat lukt alleen als de neuzen dezelfde kant opstaan. Als brancheorganisatie zijn wij onder andere in gesprek met de Rabobank om te zien hoe we hier verandering in kunnen brengen, soortgelijk aan de varkenssector en de melkvee.”

Domme dingen zeggen

Een jonge vrouw van buiten de binnenvaartwereld. Moest Hester zichzelf extra bewijzen? Ze lacht: “Het geeft ook de vrijheid domme dingen te zeggen. Achteraf hoorde ik weleens dat mensen de kat uit de boom gekeken hadden, maar aangenaam verrast werden. Ik geloof dat je houding bepalend is: openheid en oprechte belangstelling is wat werkt. Ik ben daarbij ook een nerd, verdiep me graag én snel in de inhoud. Dat waarderen mensen. Ik heb trouwens ook mijn aspirant-diploma schipper gehaald. Ik kan geen goede dialoog voeren zonder de materie te kennen.”

Een intensieve baan, studeren én een tweede kindje op komst. Pittig? Hester: “Ik houd van hard werken. Mijn proefschrift schreef ik ook in de avonduren – in die periode leerde ik mijn vriend kennen, dus hij weet niet beter (lacht weer). Ik werk zo’n honderd uur per week. Maar ik vind het allemaal leuk. Zolang het me energie geeft, ga ik ermee door. Die binnenvaart staat immers ook niet stil.”

 

Het Erasmiaans Gymnasium gaat voorbij het gemak

Op het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam worden leerlingen opgeleid tot wereldburgers. Maar een eliteschool? Dat is het allang niet meer! “We vragen veel van leerlingen, maar nooit teveel”, stelt rector Jacques van Hoof. “Je  mag best op je tenen lopen, maar wel op je eigen tenen!”

(Dit artikel is geschreven in opdracht van: BOOR)

In het statige pand aan de Wytemaweg vinden we een van de oudste scholen van Nederland: het Erasmiaans Gymnasium. Waar het op warme dagen een gezellige drukte van jewelste is voor de hoofdingang onder het erkertje, is het er nu verlaten. Enkele leerlingen haasten zich via de fietsenstalling naar binnen, verscholen onder warme sjalen en mutsen. Bezoekers lopen hier niet zomaar even binnen, blijkt al snel. We drukken op de bel, melden ons aan bij de receptioniste en stappen door de rode deur het gebouw in.

Veilige school

img_3644
Louisa

Louisa (15) is net klaar met de lesopdracht en stapt uit het wiskundelokaal, twee multomappen onder haar arm. Ze heeft wel tijd voor een gesprekje. We lopen door de gangen waar muren zijn volgehangen met eventposters, krantenartikelen en foto’s van  bekende oud-leerlingen (Ebru Umar, Ernest van der Kwast, Ramsay Nasr…). Vanaf de hoger gelegen verdieping klinkt een klassiek pianospel – leerlingen worden hier uitgedaagd zich op diverse gebieden te ontwikkelen, zo zal later blijken. Louisa is vierdejaars en volgt zowel Latijn als Grieks – al mag ze er een laten vallen. Daarnaast maakt ze gretig gebruik van het uitgebreide keuzeprogramma. Vorig jaar deed ze Chinees. Leuk, maar ook moeilijk, bekent ze. Heeft ze een talent voor talen? “Dat durf ik niet te zeggen”, lacht ze. “Ik volg ook extra wiskunde – dat vind ik net zo leuk.” Haar broer volgt het atheneum op het Libanon. “Ik wilde juist die klassieke talen in mijn pakket. En al tijdens mijn allereerste bezoek aan het Erasmiaans voelde ik me hier goed en veilig. Hier kun je helemaal jezelf zijn.”

Daar kan Jacques van Hoof, sinds 2015 rector van het Erasmiaans Gymnasium, zich in vinden. Met eerdere werkervaring als conrector op een gymnasium in Dordrecht, en later als rector op een gymnasium in Voorburg, kent hij het type school als geen ander. “Het type leerling en de manier waarop we met elkaar omgaan, is op alle gymnasia vergelijkbaar. De sociale veiligheid is heel groot. Pesten komt weinig voor.”Het type leerling vereist trouwens wél een bepaald type docent. “Gymnasiumleerlingen zijn mondig, ze zijn gelijkwaardige gesprekspartners die de discussie met je aangaan”, stelt Jacques. “Je moet leerlingen uitdagen en inspireren. Als je alleen lesgeeft uit een boek, raak je ze kwijt.”

Talentenklas

Michiel, leraar klassieke talen, werkt al negen jaar op het Erasmiaans. Uitdagen is wel aan hem besteedt. Wat voor leraar is hij? “Een strenge leraar”, antwoordt hij na even nagedacht te hebben. “Inhoud gaat voor mij boven vorm. Ik houd niet van goedkoop en snel – het moet ergens op slaan. Ik vind een werkstuk niet mooier als er een plaatje op de kaft staat. Als we met leerlingen in Rome zijn en ze zeggen een gebouw prachtig te vinden, vraag ik: ‘Waarom vind je dat? Wat zie je dan?’ Het gymnasium gaat voorbij vanzelfsprekendheid en gemak.”
Maar dat geldt evengoed voor zijn rol als docent: “Ik vraag me continu af: Wat is voor deze leerling nodig om hem of haar een stapje vooruit te laten zetten? Iedereen verdient die persoonlijke aandacht en benadering. Een leerling gaat pas een relatie met de docent aan als er oog is voor wie hij of zij is, en dan ontstaat er een klimaat waarin je kunt leren.”

“Ik vind een werkstuk niet mooier als er een plaatje op de kaft staat”

Het Erasmiaans Gymnasium is – zeker voor een gymnasiumschool – heel cultureel gemengd. Ruim twintig procent van de leerlingen heeft een niet-Westerse achtergrond, stelden cijfers uit 2009 al. “Dit is ook zeker niet de één procent beste leerlingen uit de stad – zo’n eliteschool willen we niet zijn”, zegt Jacques. “We doen actief moeite om kinderen uit alle lagen van de bevolking binnen te halen. We benaderen dan ook álle basisscholen in Rotterdam.”
Kinderen uit zwakkere sociaaleconomische milieus, voor wie het niet vanzelfsprekend is naar het gymnasium te gaan, maar die het wel kunnen, worden in groep 7 al gedetecteerd. In groep 8 jaar krijgen zij een jaar lang elke woensdag les op het Erasmiaans, in de zogenaamde Talentenklas. Vooral taalles. Daar zit vaak de achterstand en, aldus de rector: “voor dit onderwijsniveau is taal onmiskenbaar belangrijk.” Maar ook extra cultuurlessen, maatschappijleer en bijvoorbeeld museumbezoeken behoren tot het programma. Ouders zijn om de week welkom voor informatiebijeenkomsten. Als de leerling het Talentenprogramma goed afrondt én een vwo-advies krijgt, hoeft hij of zij  niet te loten voor een plekje op het Erasmiaans. (Iets wat in 2016 sowieso niet meer aan de orde was doordat ouders hun kinderen niet meer op verschillende scholen konden inschrijven.)
“De instromers krijgen gratis huiswerkklassen en indien nodig extra begeleiding”, zegt Jacques. “Die extra begeleiding doen we trouwens voor iedereen. We nemen Diataal en Diacijfer af; scoor je zwak, dan krijg je ondersteuning.”

Oxford

Vooruit, geen elitaire school dus, maar zeker wel een school met een hele goede naam! “Dat is waar”, stelt Jacques. “Kijk, stilstand is geen optie en er is altijd wat te verbeteren, maar ik geloof dat het Erasmiaans in Rotterdam een heel sterk merk is.” Die goede naam dankt de school volgens de rector niet alleen aan de goede resultaten, maar ook aan de inbedding in de stad. “Leerlingen hebben hier veel mogelijkheden; we doen interessante projecten, voeren debatten, er is veel aanbod op het vlak van cultuur – ook samen met musea, concertzalen en andere organisaties in de stad. We waren bijvoorbeeld betrokken bij het Rotterdams dictee en organiseren jaarlijks de Ronald McDonald sponsorloop. Leerlingen kunnen hier allerlei taalcertificaten halen en ieder jaar kunnen er twee leerlingen naar Oxford. Heb je iets bedacht, en zijn er leerlingen voor in – doen! Initiatief wordt enorm gewaardeerd en daardoor ontstaan er steeds nieuwe dingen.”

“Als je helemaal niet reageert, zeg je eigenlijk dat je het gedrag goedkeurt”

img_36314
Jacques van Hoof

De bel schalt door het gebouw en kondigt het einde van het lesuur aan. Onmiddellijk is het gedaan met de serene rust die zojuist nog op de gangen  heerste. Samen met Jacques lopen we de gangen door op weg naar het lokaal waar straks een vergadering is van de klassenvertegenwoordigers van de eerstejaars. Meiden banen zich giechelend een weg richting de kluisjes, waar stelletjes her en der in innige omhelzingen staan. De allerjongsten sjouwen hun rugzakken met grote moeite voort – ondanks het werken met iPads dat geïntroduceerd is, zijn er nog veel boeken nodig. Boterhammen worden uit de voorvakken van de Eastpacks gehaald – ook gymnasiasten krijgen trek van zo’n uurtje Scheikunde!

“Wat hoor ik dáár nou?” Jacques stopt met een quasi-verbaasd gezicht bij een groepje waarvan een van de jongens – in alle vrolijke baldadigheid – een scheldkreet richting zijn vriend gooide. Hij trekt een verontschuldigend gezicht naar de rector. Er wordt gelachen: “Sorry meneer, het was een grapje.” We lopen door. “Kijk, als je helemaal niet reageert, zeg je eigenlijk dat je het gedrag goedkeurt.” Het is duidelijk: Onderwijzen gaat, ook buiten het klaslokaal, gewoon door.

Zitbankjes

We zijn inmiddels in het lokaal Frans, dat nu gebruikt wordt voor de vergadering van de eerstejaars. Jaarleider Yvonne leidt de vergadering, tussen posters van de Eiffeltoren en Charles Aznavour. Wat vonden de leerlingen van e examens? Wat voor input voor deze vergadering kregen ze mee uit hun eigen klas? De opmerkingen gaan vooral over onduidelijkheid over de te leren stof, de tassenberg in de hoek van de examenzaal en het online rooster dat niet iedereen meteen had kunnen openen. Alle punten worden door Jacques opgeschreven. Wanneer Yvonne in de rondvraag wil weten hoe de leerlingen hun tijd op het Erasmiaans ervaren, is de groep opvallend eensgezind; minstens zo leuk als verwacht, gezellig en – ondanks de dik duizend leerlingen en zeven eerstejaarsgroepen, voelt het tóch alsof je iedereen kent. “Misschien omdat we allemaal dezelfde vakken volgen”, oppert Valentijn. Tegen het eind van het uurtje wordt er gegiecheld en gegeind, maar evengoed wordt er naar elkaar geluisterd. “Sssst”, siste een meisje tegen haar buurvrouw. “Iemand is zich aan het voorstellen.” “Oh – sorry.” Respect voor elkaar is hier doodnormaal.

Wereldburgers

In het tekenlokaal zitten Hera (14) Anna (13) en Koen (14) aan hun schilderij van een oog te werken – alhoewel ze van mening zijn dat potlood fijner werkt. Alle drie wisten ze zeker dat ze naar het Erasmiaans wilden en sprongen een gat in de lucht toen de kogel door de kerk was. Welke toekomst hebben ze voor ogen? Hera wil arts worden. Na haar afstuderen gaat ze naar Engeland voor een studie geneeskunde. Anne kiest voor psychologie, waar Koen Econometrie aan de Erasmus Universiteit gaat doen.

“Onze leerlingen zijn de leidinggevenden van de toekomst”

“Onze leerlingen zijn de leidinggevenden van de toekomst”, zegt Jacques. “Dat brengt iets met zich mee. Je moet ontwikkeld zijn, een wereldburger – je draagt straks immers ook verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van anderen.” Mede om die reden verzorgt de school veel internationale uitwisselingen en stedenreizen. “Zesdejaars gaan naar Spanje voor een talencursus, we hebben een uitwisseling met Bazel en natuurlijk de reis naar Rome. In de lessen proberen we te focussen op (internationale) actualiteiten.” Dat kan nog wat meer, geeft Jacques toe, concluderend uit de leerlingenenquête. “We gaan binnenkort in gesprek met een leerlingenpanel over hoe we dit vorm kunnen geven.”

Bankjes

Heeft de rector nog meer wensen? “Meer bankjes en een grotere kantine!” Even ervoor werd dit ook al genoemd in de vergadering. De kantine is klein, tegen elkaar aangedrukt op tafels zitten is gezellig, maar niet ideaal. “We hebben relatief weinig ruimte voor zoveel leerlingen, al kunnen we daar nu niets aan veranderen – de laatste uitbreiding dateert van 2003  In de zomer gaat dat natuurlijk beter…”, zegt de Jacques. “Daarnaast werken we deels met iPads in de klas en kijken we altijd naar hoe lesprogramma’s en didactiek verbeterd kunnen worden.” Het docentencorps is heel constant, zo blijkt. “Dat betekent dat we hele ervaren en bevlogen docenten hebben, maar gelijktijdig is het team ook al wat ouder. Daar komt vanzelf verandering in; jonge docenten zouden wel weer een aanwinst voor de school zijn.”

img_3635
Leana en Josefina

We nemen afscheid van de rector. Onderweg naar de uitgang lokt een gitaarspel ons naar boven. Zesdeklassers Josefina en Leana zijn druk aan het oefenen als we het lokaal binnenstappen. Josefina bespeelt de bas, terwijl Leana de elektrische gitaar ter hand heeft. Om en om zingen ze. “We hebben muziek als eindexamenvak en de opdracht was: schrijf een nummer”, legt Josefina uit. “Bijna iedereen in de klas heeft een bandje of is op een andere manier actief in de muziek.” Wanneer moet het nummer klaar zijn? “Morgen al! Dan moeten we het voordragen.” We zullen de meiden niet langer storen en maken ons gauw uit de voeten.



Over Jacques van Hoof

Jacques is van oorsprong bioloog. Zijn interesse ging uit naar de ‘typische’ biologie, zo vertelt hij. “Planten en dieren. Mijn afstudeeronderzoek naar malaria deed ik in Suriname, in het oerwoud. Heerlijk ontheemd en daarmee zo vormend. Zo ontdek je dat mensen en hun gewoontes heel anders kunnen zijn – leer daar maar mee dealen. Zo’n leerervaring gun ik iedereen.”

Na een tijdlang lesgegeven te hebben op middelbare scholen, deed hij een postdoc in Milieukunde en werd vervolgens projectleider bij een mileuorganisatie. “Dat zegde ik al snel op – ik geloofde niet in het project waar ik betrokken bij was.” Typeert hem dat? “Zeker! Ik ben bereid een hele hoop werk te verzetten, maar klopt het voor mijn gevoel niet, dan stop ik.” Jacques kwam bij de Educatieve Dienst van Safaripark Beekse Bergen te werken, een hele leuke baan die hij aanvankelijk nog combineerde met zijn werk in het onderwijs. Tot hij de knoop doorhakte en fulltime in het onderwijs ging werken.

Over het Erasmiaans

Hoewel de school vernoemd is naar de Rotterdammer Desiderius Erasmus (1467-1536), bestond ze al lang voor zijn tijd. De school is eind 13e of begin 14e eeuw opgericht als parochieschool. De oudste bekende geschreven vermelding van de school dateert van 1328. Dat jaar wordt daarom aangehouden als het oprichtingsjaar van de school. Daarmee is ‘het Erasmiaans’ een van de oudste scholen voor voortgezet onderwijs en het op twee na oudste gymnasium van Nederland.Tot 1937 was de school gevestigd aan de Coolvest, waar nu het Beursplein ligt.

Lichtjes in Sophia

Rotterdam kent veel mooie en bijzondere plekken. Maar wat is nou het beste van Rotterdam? Gers!-initiatiefnemers Wouter van Lieburg, Edwin Veekens en Arjen van Riel gaan om beurten ‘op locatie’ bij een bijzondere plek in de stad. Edwin neemt een kijkje in het Sophia Kinderziekenhuis in het hart van Rotterdam, het oudste en grootste kinderziekenhuis van Nederland.

Tekst: Karin Koolen
Beeld: Antim
Verschenen in: Gers! #15

Op de afdeling chirurgie treffen we de vijf maanden oude Mia. Het knuffelgirafje dat ze in haar handjes geklemd houdt, heet – heel toepasselijk – Sophia. Het meisje is gisteren geopereerd, waarbij er een stukje van haar nier is weggehaald. Als alles goed blijft gaan mag ze morgen naar huis.

Mama zit moe maar opgelucht naast het bedje van haar dochter. “Als het goed gaat met Mia, gaat het goed met mama”, zegt ze glimlachend. De familie komt uit het Brabantse Dongen. Het Amphia ziekenhuis in Breda verwees hen door naar het gespecialiseerde Sophia kinderziekenhuis. Mia’s moeder week de afgelopen dagen niet van haar zijde. Dat hoeft ook niet; in het Sophia zijn ouders 24/7 welkom en is er altijd een slaapplaats beschikbaar. Maar ook overige familieleden kunnen op elk gewenst moment langskomen.

Troosten

In een kinderziekenhuis heb je niet alleen met de patiënt te maken, zo wordt snel duidelijk. “Een ziek kind haalt kracht uit het gezin – zonder de ouders kunnen wij ons werk niet doen”, stelt Marieke, verpleegkundige op de afdeling. “Je laat een kindje ook niet alleen in zijn of haar bedje liggen. Wij spelen, praten en troosten ook, maar niemand kan dat zoals papa of mama dat kan.”

Daarom staan in het Sophia kind én gezin centraal in de behandeling. Ouders worden nauw betrokken bij de gesprekken en het opstellen van het behandelplan. Er zijn ruimtes waar de familie in huiselijke sfeer bij elkaar kan komen en zich kan voorbereiden op de periode na de ziekenhuisopname. “Soms blijven kinderen hier een half jaar, soms nog langer”, stelt Simone Roord, verpleegkundige op het kinderthoraxcentrum Zij stond aan de wieg van het Samenzorg-programma van het ziekenhuis. “We proberen het leven zo ‘normaal’ mogelijk te houden.”

“Mama werd erg ziek en daarom kon ze jou niet meer in haar buik houden”, schreef een verpleegster’

Kleinschalige wereldspeler

Zachtjes trekt Marieke een pleister van Mia’s borst. Ze streelt de kleine patiënt net zolang over haar hoofdje tot ze stopt met huilen. Marieke werkte eerst in een ziekenhuis in Den Haag, maar koos heel bewust voor een switch naar een academisch ziekenhuis. Hier gebeurt het, oordeelde ze. Daar lijkt ze gelijk in te hebben: Sophia is een wereldspeler op het gebied van zorg en onderzoek. Hier zitten alle specialismen en topspecialisten onder één dak. Voor zeldzame hart- en longziekten vind je hier ’s werelds beste expertise. Sophia heeft een van de grootste kinder-intensive care afdelingen in Europa en het is de enige plek in Nederland die volledig is toegerust op kinderen met complexe en meervoudige, aangeboren en erfelijke anatomische afwijkingen. Marieke: “En toch voelt het hier nog lekker kleinschalig!”

Werken met kinderen is Marieke op het lijf geschreven. “Kinderen zijn zo flexibel en positief; zodra ze zich een beetje beter voelen, zijn ze vrolijk en willen ze uit bed.” Werken met kinderen is daarbij wezenlijk anders dan met volwassenen, beaamt ook Simone. Niet alleen reageren kinderen anders op medicatie, ook gaan ze anders om met pijn en ongemak. Simone: “Hoe ouder een kind, hoe bewuster een pijnbeleving is. En op welke manier beoordeel je hoe een baby zich voelt? Je moet echt leren kijken en interpreteren.”

Het ziekenhuis werkt met pedagogen om kinderen voor te bereiden op behandelingen en operaties, maar ook om vooraf te bespreken waar ze behoefte aan hebben als ze bijvoorbeeld bang zijn.

Edwin is bang dat hij het werk mee naar huis zou nemen als hij in haar schoenen zou staan. “Als het je niet meer raakt, moet je stoppen”, is Simone’s eenvoudige antwoord. En met veertig dienstjaren op de teller werkt ze nog altijd met evenveel passie, liefde en plezier als toen ze begon. “Natuurlijk zijn de kinderen ziek, maar we maken heel veel levens beter. We kunnen tegenwoordig zoveel.”

Lichtjes

Paulina Wielaard, van de Vrienden van het Sophia, leidt ons de hele dag rond door het kinderziekenhuis. Deze stichting heeft tot doel om – in samenwerking met haar partners en donateurs – het verblijf van de patiëntjes zo aangenaam mogelijk te maken én wetenschappelijk onderzoek van de grond te krijgen. Onlangs organiseerden ze weer de Feyenoord-Sophiadag, in samenwerking met partner Feyenoord.

Ook dit jaar is er weer de lichtjesactie waarbij mensen symbolisch een lichtje kunnen kopen in de enorme kerstboom voor het Sophia Kinderziekenhuis. Dit jaar gaat de opbrengt naar het bestrijden van sikkelcelziekte, een (nu nog) ongeneeslijke bloedziekte die gepaard gaat met pijnaanvallen en orgaanschade. Patiënten worden vaak niet ouder dan 45 jaar. Voorgaande jaren haalde de organisatie maar liefst vierhonderdduizend euro op die ten goede kwam aan onderzoek naar ontwikkeling van de hersenen bij kinderen die veel te vroeg geboren zijn of met aangeboren afwijkingen.

‘Hier zitten alle specialismen en topspecialisten onder één dak. Voor zeldzame hart- en longziekten vind je hier ’s werelds beste expertise’

Slingers boven de couveuse

Waarom dit onderzoek belangrijk is, zien de bij de allerkleinsten, waar we de middag afsluiten. Arts René Kornelisse kwam in 2000 op de afdeling neonatologie werken en heeft de afdeling drastisch zien groeien en ontwikkelen. Bij vroeggeboren kindjes, soms met 24 weken en slechts 500 gram zwaar, wordt er om de dag een echo gemaakt van de hersenen om te zien of alles zich nog goed ontwikkelt. De ontwikkelingen in dit vakgebied zijn spannend en veelbelovend, stelt de arts. “Het vervelends is het vele prikken. Wellicht kan dit binnenkort vervangen worden door iets op de huid te leggen en zo de bloedsuikerspiegel te bepalen.” De meeste kinderen op deze afdeling redden het. Tachtig kindjes per jaar redden het niet.

We begeven ons naar de couveuseafdeling en houden halt bij het ‘kamertje’ van Sem*. Over zijn couveuse hangen donkerblauwe doeken om het licht buiten te sluiten. De vrolijke geboortekaartjes en de naamslinger aan het prikbord zijn een vreemd contrast met de kille apparatuur die het kleine mannetje in leven moeten houden. De knoppen reguleren de temperatuur en luchtvochtigheid. René: “Hij ademt nu zelfstandig – dat is ontzettend goed nieuws!”

Hier ligt een immer belangrijke en verantwoordelijke taak voor de verpleegkundige. René: “Als arts luister ik altijd naar de verpleegkundigen – zij zijn hier continu en weten hoe het gaat met een kindje.” Aan de voet van Sems couveuse ligt een schriftje waarin het kindje uitgelegd krijgt waarom hij in de couveuse ligt. “Mama werd erg ziek en daarom kon ze jou niet meer in haar buik houden”, schreef een verpleegster. Als René de deken een stukje opzij schuift, zien we het kleine mannetje op zijn buik slapen, knuistjes gebald als een echte vechter.

Hoop

Heeft René nog wensen, wil Edwin weten. Een familiekamer, luidt het antwoord; een plek waar families bijeenkomen voor een waardig afscheid, of om met elkaar emoties te delen. Een verbouwing is ook zeer gewenst en als René het dan toch mag zeggen: misschien wat meer verpleegkundigen, want er is een tekort in het Sophia.

René streeft ernaar het maximale uit ieder kind te halen. Soms is dat zo weinig, dat ervoor gekozen moet worden een kindje te laten gaan. Iemand beter maken is mooi, antwoord hij op vraag hoe dit is: “Maar iemand begeleiden bij een goed en mooi afscheid is ook heel belangrijk.”

Bijzonder, zo’n ziekenhuis in hartje stad, meent Edwin terwijl hij uitkijkt over het park. Hij herinnert zich de afgelopen zomer nog goed. “Hier trok ik de tweede fles rosé open op de Parade, terwijl er een stukje verderop mensen liggen te vechten voor hun leven.” Net het gewone leven. Ach, het is alsnog beter dan een kil ziekenhuis langs de snelweg, denkt Simone; hier kunnen ouders makkelijk even de deur uit voor een drankje of filmpje.

Hoop en leven; die woorden schieten ons te binnen als we ons door de kleurrijke gangen een weg uit het ziekenhuis banen. Bij ziek-zijn hoort verdriet en soms ook afscheid. Maar één ding weten we zeker; hier bij het Sophia wordt met hart en ziel gewerkt aan het beter maken van kinderlevens.

* Op verzoek is de naam Sem gefingeerd.

hr-gerssophia-aph-9040

Een nieuw thuis in Rotterdam

Als de aanhoudende oorlog het leven dat je leefde verwoest en een toekomst in eigen land onmogelijk maakt, wat doe je dan? Beelden van gebombardeerde woonwijken, van mensen die huis en haard verlaten en hun leven op zee wagen in de hoop op een veilige haven, domineren al tijden het nieuws. Hoe zit het in Rotterdam? Wie zijn die nieuwe Rotterdammers, hoe zien ze hun toekomst in de stad? Gers! ging langs bij Café NL en stelde hén de vragen.

Tekst: Karin Koolen
Beeld: Marieke Odekerken
Verschenen in: Gers! #15

Laila (36) scrolt langzaam door de foto’s op haar telefoon tot ze vindt wat ze zoekt. Breeduit lachend en hoogblond poseert ze in haar dameskledingwinkel in Kobani voor de camera. “Ik had een leuk, druk leven in Syrië”, vertelt ze. “Ik was basisschoollerares, had twee kledingwinkels, veel vrienden en ging vaak sporten.” Toen de school en beide winkels gebombardeerd waren, vluchtte de Koerdische, zwangere Laila met haar man naar Nederland. “Mijn zoontje is 2, hij is hier geboren.” Met een schuin oog houdt ze de jongen in de gaten, die onderwijl druk bezig is een toren van de bibliotheekboeken te bouwen. “Ik ben blij dat hij hier veilig en zorgeloos opgroeit…” Ze maakt haar zin niet af. Het is moeilijk, bekent ze even later. Haar huwelijk liep op de klippen. Moeder en zoon verbleven lange tijd in een opvangvoorziening voordat ze een appartement in Delfshaven toegewezen kregen. “Ik had alles wat mijn hart begeerde. Ik had het allemaal…

Laila is een van de bezoekers van Café NL, een plek waar nieuwe Rotterdammers tweemaal per week bijeenkomen om te praten; met elkaar, met vrijwilligers of met geïnteresseerde buurtbewoners die binnen komen waaien. Onder het gezelschap bevinden zich mensen uit Roemenië, Turkije en Amerika, maar ook uit Eritrea, Sudan en Syrië. Het initiatief werd in september 2014 gestart door sociologe Elise den Os: “Ik wilde een plek in Rotterdam creëren waar mensen vanuit de hele wereld zich welkom en veilig voelen en waar ze al pratend en gezellig ‘koffieleutend’ hun Nederlands oefenen.”

Merhawi

Kinderboeken

Die plek vond Elise in de Leeszaal Rotterdam-West. Op de tafels staan krakelingen en spritskoeken, in de hoek kunnen de bezoekers zichzelf bedienen van koffie en thee. Een Palestijnse jongeman, geboren in een buitenwijk van Damascus, komt vandaag voor het eerst. Elise introduceert hem aan een van de tafels waar twee mannen uit Syrië, een Roemeense vrouw en een Nederlandse vrijwilliger hem vriendelijk begroeten. “Wie van jullie is in Nederland geboren?”, vraagt de nieuwkomer enthousiast en in perfect Nederlands na het voorstelrondje. “Alleen hij”, antwoordt één van de Syrische mannen, wijzend op zijn eveneens Syrische vriend. “De rest allemaal niet.” Hij krijgt de lachers op zijn hand. De sfeer is gemoedelijk. De gesprekken gaan al snel over Roemeens eten, fotografie en kinderboeken waarmee je de taal het snelst onder de knie krijgt.

2000 vluchtelingen

Café NL sluit mooi aan bij het project Rotterdam verwelkomt vluchtelingen, een platform van organisaties en bewoners van Rotterdam die pleiten voor ruimhartige opvang van vluchtelingen en hier zelf ook aan willen bijdragen. Hartverwarmend, noemt Elise de hulp die ze vanuit de stad kreeg. “De beelden van gekapseisde bootjes, mensen die hier moederziel alleen en getraumatiseerd aankomen; ik geloof dat veel mensen iets willen doen, maar niet goed weten wat.” Het enige dat ze nodig had voor Café NL waren een tafel en een paar stoelen. “Je ziet hoe bereidwillig organisaties en mensen uit de omgeving zijn om te helpen, als ze maar weten waar te beginnen. Toen ging het vanzelf!”

‘Ik geloof dat veel mensen iets willen doen, maar niet goed weten wat’

Even de feiten en cijfers op een rij. Wereldwijd zijn zestig miljoen mensen op drift geraakt door oorlog of onderdrukking. Ook Nederland stelde de grenzen open om een deel van deze asielzoekers een veilig onderkomen te bieden. Na een dringende oproep voor noodopvang vanuit het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, openden de sporthal van de Erasmus Universiteit Rotterdam en Schuttersveld hun deuren. In Beverwaard opende afgelopen zomer een AZC dat binnenkort aan 600 vluchtelingen onderdak biedt, voornamelijk aan gezinnen uit Syrië. In totaal kwamen zo’n veertigduizend vluchtelingen naar Nederland, waarvan zo’n tweeduizend mensen een verblijfsstatus kregen in Rotterdam. De komende maanden komen er in onze stad vermoedelijk nog een kleine achthonderd statushouders bij. De gemeente Rotterdam heeft de plicht hen onderdak te geven en te helpen bij de inburgering. Voor die maatschappelijke begeleiding werkt de gemeente samen met Vluchtelingenwerk; ongeveer 250 vrijwilligers maken statushouders wegwijs in de samenleving, in praktisch en juridisch opzicht. Bij het intakegesprek komt het toekomstperspectief al ter sprake. Hier in Café NL volgen de meeste bezoekers Nederlandse les op scholen in Rotterdam.

Mahmoud

Machteloos

Zoals Mahmoud (28) en Tarek (31). Zij ontmoetten elkaar op het Albeda College. Beiden komen uit Damascus. Mahmoud was net afgestudeerd als binnenhuisarchitect toen de revolutie uitbrak. Met zijn van origine Libanese moeder vertrok hij naar Beirut. “Voor een paar weken, dachten we – tot de rust was teruggekeerd.” Dat bleek een misvatting. Hoewel Damascus relatief rustig is vergeleken met andere gebieden in Syrië, kon Mahmoud de bommen dag en nacht horen vallen. “En elk moment kon ik gearresteerd of vermoord worden door de rebellen of het leger van al-Assad. Ik was mijn leven niet zeker. Mijn beste vriend werd drie jaar geleden zonder reden opgepakt. We hebben nooit meer wat van hem gehoord. Ik heb geen idee of hij nog leeft.” Terwijl we naar zijn vriend Tarek lopen, die op dat moment aan een tafel verderop achter een laptop zit, duwt Mahmoud de mouwen van zijn sweater ferm tegen zijn ogen om de tranen terug te duwen. Zijn vriend Tarek heeft een master in IT en zo ontstond het idee voor een bedrijf: de MS groep. “Multi Services”, legt Tarek de afkorting uit. Op het scherm opent hij de strakke, moderne website die binnenkort online gaat. De mannen bieden klusservices aan; van behangen en verven tot monteren. Alles tegen een lage prijs. “Schrijf je dat zo?”, vraagt Mahmoud met een verontschuldigende glimlach, wijzend op het woord ‘vereven’.

Tarek beheert het platform; Mahmoud zal straks gaan klussen. Maar niet alleen. “Ons idee is Syriërs in heel Nederland, die nu nog zonder werk zitten maar wél graag wat willen doen, de klussen aan te bieden”, vertelt hij. “Op die manier voelen ze zich van betekenis en verdienen ze wat geld. Ik begeleid hen dan bij het klussen.” Tarek vult hem aan: “Dagelijks zien we beelden van ons Syrië voorbijkomen op het nieuws. We staan machteloos, maar op deze manier kunnen we toch wat doen.” Het verdriet en de heimwee zit hoog, bij beide mannen. Tarek: “Maar je moet door, je moet er het beste van maken.” Overigens vonden ze een Nederlandse dame die het gezicht van het bedrijf zal worden en de PR gaat doen. “Zo krijgen we hopelijk het vertrouwen van Nederlandse klanten.”

Laila met haar zoontje

Moorden

De sfeer bij Café NL is goed. Gezellig, zelfs. Er wordt gekletst, gelachen. Hier en daar spelen mensen een bordspel. Een vreemde gewaarwording om te beseffen dat veel van deze mensen grote verliezen leden, hun families moesten achterlaten en lange, levensgevaarlijke tochten afgelegd hebben om hier uiteindelijk neer te strijken. Veel van de Syriërs zijn nu een kleine twee jaar in Nederland en kwamen vanuit Libië met bootjes naar Italië.

Van tevoren kreeg Gers! het verzoek niet naar de vluchtverhalen te vragen, maar deze uit zichzelf te laten komen. “Veel bezoekers zijn getraumatiseerd”, legde Elise uit. “We willen hier een veilige plek zijn.” Toch blijken de bezoekers vaak heel open. Zoals de 27-jarige Kinan. Kinan werd in Syrië gearresteerd door het regime van al-Assad. “Ik was toevallig in de buurt van een demonstratie en werd meegenomen. Na een maand in de gevangenis gezeten te hebben, vluchtte ik naar Egypte om niet het leger in te hoeven. Ik wilde niet moorden.” Het verklaart volgens Kinan waarom er zoveel meer Syrische mannen dan vrouwen in Europa zijn; mannen zijn dienstplichtig en vluchten voor het leger.

Kinan was al anderhalf jaar in Egypte toen daar een nieuw militair regime aan de macht kwam. “Ook in Egypte zat ik drie maanden vast, omdat ik betrokken was bij illegale immigratie.” Noodgedwongen verhuisde hij na zijn gevangenschap naar Turkije, waar hij in een bakkerij kwam te werken. “Ik wilde werken, maar ik wilde óók studeren en aan mijn toekomst werken. Dat kon daar niet.“ Met spaargeld en nog wat geleend geld ondernam Kinan, die ten tijde van zijn arrestatie in Syrië derdejaars student Werktuigbouwkunde was geweest, de boottocht. Tien dagen op zee, zonder duidelijke richting. “De laatste twee dagen hadden we geen eten meer en dronken we zeewater.”

Osama

Twee jaar geleden kwam hij aan in Groningen, in Gilze kreeg hij zijn verblijfsstatus. “Schiedam beschouw ik nu als mijn thuis; hier is mijn leven weer begonnen. Eindelijk weer een menswaardig bestaan.”

En de toekomst? De mensen die we spreken in Café NL zijn bijna allemaal hoogopgeleid en waren in het thuisland student of al afgestudeerd. Kinan bereidt zich voor op zijn examen Nederlands en wil daarna zijn studie Werktuigbouwkunde weer oppakken. “Mijn familie in Damascus heeft een bedrijf dat zilveren sieraden maakt. Daar wil ik in verder; ik wil ontwerpen en die ontwerpen vervolgens naar Damascus sturen om ze te laten produceren.”

‘Je hoorde de bommen dag en nacht vallen’

Toekomst

Hij blijkt niet de enige met zo’n duidelijk toekomstplan. Laila weet het ook al. Tolk, dat wil ze worden. Binnenkort start ze met haar lessen Nederlands. Want ook zij moet verder, stelt ze. “Het leven gaat door, je moet er het beste van maken.” Café NL blijkt een plek waar ze graag komt. Een plek waar je kan praten, waar men naar je luistert. “Mijn buren in Delfshaven zijn heel vriendelijk”, haast ze zich te zeggen, “maar veel verder dan ‘hallo’ en ‘alles goed’ gaat het contact niet.”

Mustafa

Osama (23) uit Aleppo wil niet herkenbaar op de foto. Als hij lacht, glinsteren zijn ogen. Een vreemd contrast met de pijn die uit zijn woorden spreekt. Hij studeerde rechten. Advocaat wilde hij worden. Ieder mens, ongeacht zijn daden, verdient een eerlijk proces, vond hij. Zijn ouders stonden erop dat hij en zijn broers en zussen zouden vluchten. “Mijn vader zei: in Syrië hebben jullie geen leven, dus ga.” Zelf bleven ze achter, naar eigen zeggen te oud om nog te vluchten. Hoe ziet Osama de toekomst? “Ik ben nog maar een schim van mezelf”, antwoordt hij met spijt in zijn stem. Advocaat wil hij niet meer worden. “Ik geloof niet meer in rechtvaardigheid, in een wereld waarin het goede wint. Omringende landen en de internationale gemeenschap laten Syrië stikken.” Gelukkig zijn er ook een hoop goede mensen, meent hij. Zodra hij geslaagd is voor zijn examen Nederlands gaat hij iets sociaals doen. “Ik weet nog niet wat. Ik zou graag andere vluchtelingen helpen, hen wegwijs maken en zorgen dat hun pad zo goed mogelijk verloopt.” Rotterdam vindt hij fijn, vult hij aan. “Je ziet hier mensen van over de hele wereld. Ik voel me hier in ieder geval geen stranger.”

‘Thuis is waar je familie is. Mijn familie is niet hier’

Iedereen is van de wereld…

De middag loopt ten einde. Er is inmiddels een muziekgroep gaan spelen; Music Generations. Deze groep probeert mensen met muziek te verbinden en zet zich in voor vluchtelingen uit Syrië en Eritrea. De bezoekers hebben zich verzameld voor het podium en kijken en luisteren vol aandacht. “Iedereen is van de wereld…”, zingt de zangeres. Ze moedigt het publiek aan mee te doen. Het lukt. “…en de wereld is van ie-de-reen…”, klinkt het luidkeels bij het derde refrein.

Op de valreep spreken we de 18-jarige Eritrese Merhawi. “Laborant”, antwoordt de student op de vraag wat hij wil worden. Virussen bestrijden, onderzoek doen naar bacteriën. Machtig interessant. Toen hij na een maandenlange reis vijftien kilo lichter via Libië en Italië in Nederland aankwam, moest hij een studierichting kiezen. Laborant stond niet op de lijst, kok kwam nog het meest in de buurt. “Maar over een paar jaar sta ik in het lab!”

Twee eeuwen Afrika aan de Maas

Met de expositie Afrika 010 zet gastconservator Paul Faber de Afrikacollectie niet alleen terug in het Wereldmuseum; ook brengt hij de eeuwenoude relatie tussen de Maasstad en het Afrikaanse continent treffend in beeld. “De collectie bestaat uit topstukken van internationale waarde. Het is tijd om die weer aan de stad te laten zien.”

Verschenen in: Gers! #14
Beeld: Marieke Odekerken

Een groep oudere Afrikaanse mannen kijkt ons vanaf het groepsportret er en tegelijk wantrouwend aan. Het portret is eind negentiende eeuw gemaakt op het achterdek van het SS Erasmus dat voor anker lag bij de toentertijd bloeiende handelspost Banana. “Deze foto laat de cultuurclash tussen Europa en Afrika zien.” Paul Faber wijst op de combinaties in kledingdracht: Europese hoeden en pakken naast traditionele Afrikaanse kleding en waardigheidsstaven. De foto werd genomen kort na de koloniale Conferentie van Berlijn. ”Hun lot was al bezegeld: Congo viel in handen van Leopold II van België. De mannen verloren hun machtspositie en stonden aan het begin van een gruwelijk tijdperk.” Dat maakt de foto – groot afgebeeld in het trappenhuis naar de bovengelegen expositie – extra bijzonder en schrijnend.

Stripverhalen
Het verhaal vertellen van de ontstaansgeschiedenis van de Afrikacollectie van het Wereldmuseum. Dat doel had Paul met de expositie Afrika 010 voor ogen. Die geschiedenis vindt zijn oorsprong in Rotterdam. Paul: “Door zeevaart en handel is de band tussen Rotterdam en Afrika heel hecht. Al in 1860 voeren we vanaf de Maas naar Ghana en Liberia. Natuurlijk voor de import van palmolie, rubber en ivoor, maar de Rotterdamse jongens van de factorijen kochten en ruilden zelf ook van alles. Hun etnogra sche souvenirs brachten ze vaak naar musea, in het begin vooral naar dat van diergaarde Blijdorp.” Toen de diergaarde in 1939 verhuisde, schonk het bestuur de collectie aan het Wereldmuseum, toen nog Museum voor Land- en Volkenkunde geheten. Maar dat was niet de eerste gift die het museum kreeg. Al in 1885 schonk Hendrik Muller, gerespecteerd reder en handelaar en (als oprichter van de Nieuwe Afrikaansche Handels-Vennootschap) spin in het web in de Afrikaanse handel, zijn collectie bestaande uit honderden objecten aan het museum. Paul: “De oudste stukken danken we aan hem. Enorm waardevol!”

De expositie begint dan ook in de gesimuleerde werkkamer van Muller. In de ruimte klinken geluiden vanschepenenzeemeeuwen.Paul:“Muller heeft nooit voet in Afrika gezet. Hij oriënteerde zich door middel van gedetailleerde kaarten.” Hij wijst op een map in de vitrine. “Deze vonden we bij toeval in het depot in de Alexanderpolder. Zijn initialen staan op de kaarten. We sprongen een gat in de lucht.”

In de donkere ruimte treffen we wapens, jenever en textiel, belangrijke exportproducten uit die tijd. Maar ook souvenirs, zoals slagtanden van olifanten waar spiraalvormig een soort stripverhalen in zijn uitgesneden. Vanuit de werkkamer gaat de reis door naar de volgende ruimte. Alsof we de Afrikaanse kustlijn volgen, belanden we van Liberia in Ghana, Congo en Mozambique.

Ongeluk
De liefde voor Afrika ontstond bij Paul per ongeluk. Letterlijk. “In een winkeltje vol curiositeiten gooide ik met mijn legerrugzak een beeld om. Dat brak in drie stukken. Ik vond het toen een oerlelijk beeld, maar mijn vader was WA-verzekerd en stelde voor dat ik het kocht. Thuis kreeg het gerepareerde beeld een plaats in zijn werkkamer. Steeds meer ging ik de expressieve vorm ervan waarderen, totdat het naar mijn kamer verhuisde. Het was een Tjiwara-opzetmasker; er staat er nu ook een in de tentoonstelling.”

Paul vertrok in 1978 voor het eerst naar Afrika voor een rondreis. “Naar Ghana. We waren praktisch de enige blanken, een totaal andere wereld, mensen keken ons na! Maar na een paar dagen wilden we niet meer weg. De intensiviteit van de mensen, de cultuur, de openheid; het greep me.”

Maar Afrikaanse kunst is niet makkelijk, stelt de kunsthistoricus. “Het is heel expressief, met krachtige vormen en een vaak ingewikkelde symboliek en betekenis. Zeker de oude Congolese kunst is diepgeworteld in de geestenwereld. Je moet je ervoor open durven stellen. Elk stuk is een uniek verhaal, gecreëerd door mensen als jij en ik, binnen een bepaald tijdperk in een bepaalde regio, vanuit een positie binnen de hiërarchie en als antwoord op de uitdagingen van het leven. Duik daarin, en het wordt almaar ingewikkelder én fascinerender. Het moet gaan jeuken en prikkelen. Dat wil ik bereiken.”

Kortsluiting
“Dit beeld is de beste in zijn soort”, zegt Paul als we bij de Nkisi N’kondi Mangaake staan. Het beroemde negentiende-eeuwse Congolese krachtbeeld is beslagen met spijkers en doet dreigend aan. In een holte bij de buik bevindt zich de ‘magische stof’. Paul heeft een anekdote. “In 1997 werd de Nkisi in het kader van het Africa meets Africa project tijdelijk naar de National Gallery in Kaapstad gebracht. Daar maakten ze de kist open. Ze hadden zelfs wierook aanstoken om de voorouders ter wille te zijn. Een goede vriend van mij was erbij aanwezig, dus ik heb het van horen zeggen, maar hij is een hele nuchtere jongen. Alles ging uiterst voorzichtig, handschoenen aan… Het moment dat het Nkisi de Afrikaanse grond raakte voor het eerst sinds 1906, sprongen alle stoppen van het museum en de wijde omtrek door. Toen de straat open moest bleken de kabels gesmolten…”

We eindigen de expositie met foto’s van het heden; een Kaapverdische kerkgemeenschap, een Somalische vrouwengroep, Senegalese muzikanten, een Afro-kapsalon. De foto’s zijn gemaakt door Joop Reingoud en Linda Malherbe van Verhalenhuis Belvédère en weerspiegelen de historische groepsportretten. Want cultuur leeft en gaat almaar door. Paul: “De nazaten maken eigentijdse kunst, geïnspireerd door verleden en heden. Kijk alleen maar de haarsculpturen van Meschac Gaba. Bij Afrika denken mensen nog vaak aan rieten rokjes à la Kuifje in Afrika, maar de werkelijkheid is heel divers en veel minder exotisch dan gedacht wordt.”