Zeg maar jij!

FokkeSukkeEnige tijd geleden pleegde ik een telefoontje naar de redactie van een krant. Ik verwachtte een doorkiesbandje of in een gunstiger geval de receptioniste, maar plots kreeg ik de persoon waarnaar ik op zoek was direct aan de lijn. Zonder er goed bij stil te staan noemde ik de man, die ik niet eerder gezien of gesproken had, bij zijn voornaam en sprak ik hem aan met ‘je’. Ik schrok er zelf van. Niet iedereen stelt immers prijs op tutoyeren en mijn actie was dan ook allerminst handig.

Feit is, ik ben een echte jijer en jouwer, wars van elke vorm van poppenkast en geveinsde beleefdheid in het sociale verkeer. Als je het mij vraagt schaffen we ‘u’ af. Hoeven we ook niet meer te twijfelen over de gepaste aanspreekvorm in allerlei sociale situaties. Ik associeer u-zeggen niet per se met respect en beleefdheid, maar beschouw het eerder als een oude, roestige gewoonte. Het creëert een gevoel van afstand tussen mijzelf en de ander, daar waar ik juist afstand wil verkleinen en te allen tijde informaliteit, toegankelijkheid en gelijkwaardigheid nastreef. Ik voel me dan ook ongemakkelijk bij u-zeggen, net zoals ik zelf niet graag met ‘u’ aangesproken wil worden.

In mijn tijd als docent op de Hogeschool Rotterdam ontkwam ik er vaak niet aan. “Mevrouw, heeft u mijn verslag al nagekeken?”. Nekharen kreeg ik van dat ge-u. ‘Mevrouw Koolen’ trok ik ook slecht. Mevrouw Koolen? Dat is toch in de eerste plaats mijn moeder. Nog erger vond ik de mailtjes van studenten die mij aanspraken met “Geachte mevrouw Koolen” terwijl ik ze al twee kwartalen lesgaf. Dat laatste was volgens mij gewoon een kwestie van onbekendheid met de gepaste aanspreekvorm, maar goed. Ik stelde me altijd voor als Karin en bij de eerste ‘u’ of ‘mevrouw’ gaf ik aan dat ze gewoon ‘jij’ en ‘Karin’ mochten zeggen. Veel studenten deden dit daarna ook (sommigen pas na verloop van tijd), maar anderen deden dit pertinent niet. In het begin herhaalde ik nog wel eens dat het ge-u niet nodig en zelfs niet gewenst was, maar later realiseerde ik me dat ik puur voor mezelf sprak. Veel studenten voelden zich er simpelweg ongemakkelijk bij om een docent (in hun ogen toch een autoriteit) te tutoyeren. Zij hadden van huis uit geleerd om artsen, leraren, maar ook hun ouders, ooms en tantes met ‘u’ aan te spreken. Wie was ik dan om hun in verlegenheid te brengen met mijn gedram?

Eén awkward moment staat me nog goed bij. Dat was bij terugkomst op Schiphol, na de internationale studiereis naar Kopenhagen met tweedejaars studenten. Samen met student F. zat ik in de trein van Schiphol naar Rotterdam. Hij en ik waren als enige van de groep overgebleven en zaten naast elkaar in een volle treincoupé. F., slechts een paar jaartjes jonger dan ik maar minstens een kop groter en de helft breder, liet mij allerlei grappige foto’s en filmpjes op zijn telefoon zien. We hadden de grootste lol, maar onderwijl bleef F. mij ‘mevrouw Koolen’ noemen en me met ‘u’ aanspreken. Het één stond het ander overduidelijk niet in de weg, maar de verbaasde en nieuwsgierige gezichten van de andere reizigers gaven me toch een ongemakkelijk gevoel!

u-zeggen-752689Ik voel me stokvolwassen als mensen me met ‘u’ aanspreken. Ik wil voor altijd en eeuwig een ‘jij’ blijven. Als ik straks negentig ben en in het bejaardenhuis zit, dan wil ik dat de verpleegster naar me toe komt en zegt: “Zo Karin, je hebt je prakje helemaal op. Was het lekker, meid?”
Toch ontkom ik er niet aan. Of ik het nu leuk vind of niet. In winkels word je als bijna-dertiger steeds meer begroet met: “Goedemiddag mevrouw, wilt u even rondkijken?”. Zelfs de stuiterballen op de Lijnbaan die donateurs werven voor goede doelen beginnen hun praatje nu steevast met ‘u’ en ‘mevrouw’. Mensen die dan juist weer jijen en jouwen hebben een streepje voor bij mij. “Jou mag ik!”, denk ik dan. “Ja hoor, ik koop ‘m, die elektrische vaatdoek!”, “En ja hoor, natuurlijk word ik donateur voor Red de dodo! Waar moet ik tekenen?”.

In de Scandinavische landen is ‘u’ al bijna niet meer in gebruik en ook in veel andere landen, waaronder Nederland, is het u-zeggen op zijn retour. Gelijktijdig realiseer ik me dat zolang ‘u’ ingeburgerd blijft in onze taal en daarmee in ons sociale verkeer, het voor veel mensen een belangrijke betekenis zal hebben. En zodoende kun je dus flink de fout in gaan.
Met die redacteur van de krant is het overigens niets geworden. Maar of dat nu de schuld was van mijn getutoyeer, dat zullen we nooit te weten komen…

Wist je dat..?

De ‘tweede persoon’ wordt door de oude generatie op Bonaire soms vervangen door de derde persoon. Dan zegt men iets in de trant van: “Heeft mevrouw Karin een leuke vakantie op Bonaire?”. Ik heb het eigenlijk nooit onderzocht, maar ik vermoed dat dit een oud gebruik uit het koloniale verleden is. Of eigenlijk, als ik er zo over nadenk, obers doen het ook: “Wil meneer nog iets drinken?”. Op Bonaire was ik trouwens nooit mevrouw Koolen, maar altijd mevrouw Karin Koolen. Dat klinkt alweer leuker, toch?

Een klein onderzoekje naar het ontstaan van tutoyeren en vousvoyeren leert ons dat tutoyeren historisch gezien de gewone manier van aanspreken is. Vousvoyeren is juist betrekkelijk nieuw. In de Bijbel komt vousvoyeren alleen voor als men een koning aanspreekt, of als de spreker achting wil uitdrukken. De huidige vormen ‘jij’ en ‘gij’ waren in de middeleeuwen hoofdzakelijk beleefdheidsvormen, waarbij het oudere ‘du’ de normale enkelvoudsvorm was. ‘Du’ werd na verloop van tijd als onbeleefd beschouwd en verdrongen door de beleefdere variant ‘jij’ en ‘gij’, die zowel voor het enkelvoud als het meervoud gebruikt werden. In de laatste paar eeuwen ontstond in het Nederlandse taalgebied echter een behoefte aan een nieuwe beleefdheidsvorm, waardoor in sommige streken en in het Standaardnederlands het huidige ‘u’ ontstond. Historisch gezien is ‘jij’ dus de Nederlandse beleefdheidsvorm en is ‘u’ dubbel gevousvoyeerd.

Pumps op de Amsterdamse Wallen

Het was bij nader inzien een stom besluit. Herinneren jullie je nog dat ik in een vorig blog iets schreef over keuzes in een mensenleven met ingrijpende, soms allesbepalende gevolgen voor de toekomst? Nou, hier zit ik dan. Op het toilet in een hotel aan de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam, om precies te zijn. Om de receptionist niet gelijk door de inhoud van zijn hele EHBO-koffer te helpen hield ik me groot en nu probeer ik het tekort aan pleisters te compenseren met stukjes toiletpapier.

“Bij de receptie hebben we pleisters voor je”, zegt hij nadat hij geconfronteerd is met mijn bebloede achillespees en verfrommelde kleinste tenen

Vanmorgen leek het nog een goed idee. Op frivole pumps naar Amsterdam voor een gesprek met een antropologe aan de UvA. Ik houd van pumps en van vrouwen die ze dragen. Parmantig, kittig, chic, vrouwelijk, sexy en elegant. Bovendien was dit paar zo goed als uitgelopen, besloot ik.
De reis begint voorspoedig. Parmantig stap ik uit de trein bij Amsterdam Centraal Station en kittig vervolg ik mijn weg naar de tramhaltes. Daar neem ik mijn tweede stomme besluit van die dag. Het zijn een paar tramhaltes tot De Dam en vanaf daar is het nog maar een stukje lopen naar het Spinhuis. De zon schijnt, Amsterdam bruist en mijn pumps lopen heerlijk.
Vrouwelijk en elegant wandel ik over de Kalverstraat richting het grote plein. Ik ben iemand die graag de weg vraagt aan anderen. Dat vind ik leuker en makkelijker dan het raadplegen van een kaart. De Dam wordt echter voor 98 procent bevolkt door toeristen en die kunnen je wellicht Madame Tussauds of het Anne Frank Huis wijzen, maar een dependance van de UvA is wat veel gevraagd.
Na een paar willekeurige straten verkend te hebben raadpleeg ik tenslotte mijn iPhone. Ik ben het bewegende blauwe stipje en ik moet naar het rode stipje. Shit, dat is nog best een eind lopen. Mijn pumps beginnen me inmiddels te irriteren, maar met een beetje rust komt dat straks vast helemaal goed.
Toch?
Nog een kwartier later heeft mijn hak al drie keer vastgezeten tussen de idyllische stoeptegels van De Wallen. Hoofdschuddend word ik gadegeslagen door de receptionist van een hotel die buiten een sigaretje staat te roken.
“Kom even binnen, dame. Bij de receptie hebben we pleisters voor je”, zegt hij nadat hij geconfronteerd is met mijn bebloede achillespees en verfrommelde kleinste tenen.
Enigszins beschaamd ben ik even later in de weer met pleisters en toiletpapier.

Niet geheel verlost uit mijn lijden vervolg ik mijn weg en een paar honderd meter verderop vind ik het Spinhuis. Omdat ik het nog niet kan geloven loop ik nog eens drie rondjes om het pand om even later tot de conclusie te komen dat het inderdaad het Spinhuis is. Mission completed.

Onderweg blijft mijn hak nog één keer steken tussen de stoeptegels, waarbij het toiletpapier alle kanten op waait

Mijn gesprekspartner en ik besluiten een terrasje in de buurt op te zoeken. Onderweg blijft mijn hak nog één keer steken tussen de stoeptegels, waarbij het toiletpapier alle kanten op waait. Gênant. Ik heb nu niet alleen last meer van pijnlijke voeten, maar ook van het schaamrood op mijn kaken.
Na het gesprek van een kleine anderhalf uur vertrekt mijn gezelschap naar huis en ik loop het café in om de rekening te betalen. Dit is het moment dat ik mijn decorum laat varen.
Zonder nog om te kijken draai ik me om richting de uitgang van het café. Ik loop haast een oude dame omver en weet nog net sorry uit te brengen. Dankzij de drie rondjes van de zaak weet ik de Nieuwe Hoogstraat te vinden en strompelend stap ik de eerste de beste winkel binnen die ik tegenkom. Vastberaden haal ik de slippers van de muur om te kijken of mijn maat er tussenzit.
“Noodgeval! Ik moet nu slippers hebben”, leg ik de verkoopster uit die net de winkel binnen komt lopen. Ik wijs op mijn bebloede voeten.
“Och God, kind! Trek uit!! Trek uit!!”, roept ze in onvervalst Amsterdams.
Nog geen minuut later sta ik met witte Havaianas bij de kassa.
“Ze zijn wel €24,95”, zegt de verkoopster voorzichtig.
Ik haal mijn schouders op en maak een wegwuifgebaar, dit tot groot vermaak van de verkoopster.
“Ja natuurlijk, haha, het kan jou allemaal niet meer schelen, hè?”.

Met mijn pumps in een plastic tas en mijn nieuwe slippers aan de voeten loop ik via de Nieuwe Hoogstraat en de Zeedijk naar het Centraal Station. Misschien niet chic en elegant, maar wel vrolijk en frivool.
De zon schijnt, Amsterdam bruist en mijn slippers lopen heerlijk!

foto

Vlieland!

IMG_0014Vlieland blijkt toch wel een heel goede keuze voor een relaxte, desalniettemin sportieve, maar vooral een romantische getaway. Het gevoel kwam ineens opzetten –ik wil met mijn liefje naar een Waddeneiland– en gelukkig heeft Eric weinig aansporing nodig als het om het boeken van een (mini)vakantie gaat.  Dan rest nog de vraag: naar welk eiland gaan we? Ik schakel bij dit soort levensvraagstukken meestal de hulp van meneer Google in en lanceer dan hulpvragen als: “welk Waddeneiland is het leukst?” of “meest romantische Waddeneiland voor twee?”. Als ik nog eens bij een dienst Toerisme & Vrije tijd kom te werken en verantwoordelijk ben voor de aanvoer van toeristen naar de desbetreffende gemeente, dan zou ik de rol van fora nooit en te nimmer onderschatten. Want daar kwam ik uit, bij al die vrouwen- en familiefora die de dagelijkse beslommeringen met elkaar bespreken. Texel blijkt te groot om een eilandgevoel te herbergen; Schiermonnikoog is juist weer net te klein; Ameland is ‘saai’; Terschelling is te gek, maar erg druk in het hoogseizoen. Dan blijft over: Vlieland. Eigenlijk al mijn eerste keuze, want wie hield er niet van Dokter Deen?!

Zaterdagochtend, 07u30. De auto laten we achter in Harlingen en onze fietsen nemen we mee de boot op. De boot doet anderhalf uur over de afstand van 31 kilometer, dit vanwege de ondiepten van de Wadden. We meren aan in het gezellige centrum van Oost-Vlieland, de ‘hoofdstad’ en gelijk ook het enige dorpje op het eiland. Oost-Vlieland is sinds 1971 een beschermd dorpsgezicht en herbergt 39 panden die tot rijksmonument zijn verklaard. In De Dorpsstraat vind je geen bekende winkelketens, maar wel een drogisterij die ook speelgoed, snoep en cadeauartikelen verkoopt en een slijterij die tevens zorg draagt ‘voor al uw kantoorbenodigdheden’. Geen pizzeria of Tex-Mex te vinden, maar elke eetgelegenheid heeft desondanks pizza en nacho’s op het menu staan. Ik houd ervan.

Wij voelen ons meteen thuis: rust, stilte en natuur zijn de kernwoorden die Vlieland beschrijven, maar gelijktijdig heerst er een gezellige levendigheid. Het eiland is autovrij, behalve voor vergunninghouders zoals Dokter Deen, en dit zorgt voor frisse en schone lucht. Wat is Vlieland heerlijk, en wat is het prachtig! Bijna heel het eiland bestaat uit duingebied, de naald- en loofbossen bedekken het landschap in groen en de kilometerslange, brede zandstranden geven je zelfs in het hoogseizoen het gevoel alleen op de wereld te zijn. Overal ruik je de zee en de bossen.

Wat doen je zoal op Vlieland? Fietsen dus. Hier en daar stop je voor een kop koffie of een biertje. Je wandelt eens omhoog of omlaag, voor respectievelijk een uitzichtpunt of een duik in het koude water. Onderweg koop je een stuk stokbrood en wat beleg en je strijkt neer in de duinen om te genieten van de zon en de zee. Een heerlijk strandgevoel waar alles lijkt te mogen en niets lijkt te moeten. ’s Avonds schuif je aan voor de barbecue bij de enige strandtent die het eiland rijk is. Pas als de zon allang in de zee gezakt is, en je rozig en tipsy bent van de witte wijn, stap je weer op de fiets. Heerlijk slapen op Vlieland. :-)

Puppycursus

“Die beagle volgt niet! Houd haar bij de les”, snerpt de stem van hondentrainster C. door het Bergse Bos. Bregje en ik – zelf druk in gesprek en helemaal niet bij de les – schrikken op en snel houdt Bregje een hondensnoepje voor Guusjes neus. De beagle volgt en C. knikt goedkeurend.

Puppycursus Bergse Bos. Guusje, het hondje van Bregje en Hilbrand, logeert een nachtje bij ons. Woensdagavond vergezel ik Bregje naar de cursus. De diversiteit aan mensen, trots en soms nog wat onwennig, allemaal baasje geworden van een gloednieuw hondje. Hoe lief is dat?! Ik kijk mijn ogen uit. Ik zie een chihuahua, een cockerspaniël, meerdere staffords en collies en nog veel meer honden waarvan ik het ras niet kan thuisbrengen. Sommige baasjes hebben de wind er al goed onder en zeker bij de grote honden is dit noodzakelijk. De rest van de groep roept, trekt en corrigeert alsof het een lieve lust is. Snoepjes worden tevoorschijn getoverd, gevolgd door een opgelucht ‘goed zóóó’ als Bobbie dan eindelijk doet wat gevraagd wordt. Ik moet er om lachen. Herkenbaar.

Vandaag gaan we zwemmen. De baasjes trekken hun viervoeters, soms tegen heug en meug, het water in zodat ze met hun pootjes nog goed kunnen staan. Vervolgens lopen ze van links naar rechts door het water zodat de hondjes op hun gemak kunnen wennen en bepalen of ze het leuk vinden. Guusje vindt het voorlopig niks. Ondanks de voor haar bedoelde drijvende snoepjes in het water laat ze haar ongemak duidelijk blijken.
Op het grote grasveld naast het hondenstrand leren de honden tot slot een variatie op ‘af en blijf’ waarbij de baasjes zich moeten omdraaien en weglopen. ‘Af’ is nu extra lastig, omdat een natte hond niet graag gaat zitten of liggen.

Eén ding is snel duidelijk. Puppycursus levert niet zozeer een kwalificatie op voor de honden, maar des te meer voor de baasjes. Kijken en vergelijken: doet mijn Ballou het beter dan jouw Rambo? Het valt mij ook op dat je de groep baasjes grofweg in twee categorieën kunt indelen: mensen die het leuk vinden om een lief hondje te hebben en mensen die het trainen van een hond bloedserieus nemen. Als ik naar die mensen kijk denk ik: is er voor jou nog wel een lol aan?
“Ach, als hij maar een beetje komt als ik ‘m roep, dan ben ik al heel blij”, zegt de vrouw van de cockerspaniël-met-de-neus-over-de-grond. Een vrouw naar mijn hart.

Er wordt ook gecorrigeerd. Dat leer je tijdens de cursus. Een mep met de riem, een tik op de neus of de liescorrectie (een kneep in de lies), het hoort er allemaal bij. Hondentrainster C. loopt langs en tikt de cockerspaniël een paar keer op zijn neus wanneer hij vervelend doet tegen een kleine terriër. Ik weet niet zo goed wat ik daarvan moet vinden.

Als we een paar uur later in de tuin aan de Chinese rijsttafel zitten gooi ik mijn gedachten in de groep. De meeste mensen denken wel twee keer na voordat ze andermans kind corrigeren, laat staan dat ze andermans kind fysiek aanpakken. Daarbij is opvoeding voor een belangrijk deel nog altijd een privézaak: ouders bepalen in grote mate zelf welke normen en waarden het kind meekrijgt, hoe ze goed gedrag belonen en welke straffen ze uitdelen. Onder hondenliefhebbers geldt blijkbaar een andere code. “Honden spreken een eigen taal en die taal moeten de baasjes leren begrijpen en spreken”, stelt Hilbrand terecht. Het is dus een kwestie van kennis en van ‘weten’. Is er dan niet zoiets als vrije interpretatie?

Volgens C. niet. Even nadat Guusje omver gelopen is door een stafford krijgt ze een kroel van Bregje. Fout! “Niet troosten, want dan bevestig je haar in de angst!”, roept de hondentrainster haar toe. Ik vraag me af of Guusje het verband nog ziet tussen de dreun van de stafford en de liefkozing van haar baasje. Maar laat ik eerlijk zijn: ik heb niet zoveel verstand van honden en een hond die volgens de rasbeschrijving een consequente, dominante hand vereist is sowieso niet aan mij besteed.

Een dag later loop ik met Scoop en Guusje in hetzelfde bos. Guusje ligt te matten met een jonge teef en Scoop doet zijn gebruikelijke ding: rijden op andere honden. Onze Scoop is niet gecastreerd, omdat 1) het verboden werd door de fokker (“in een gezonde hond wordt niet gesneden!”) en later ook werd afgeraden door de dierenarts en 2) manlief zijn eigen ballen op die van Scoop projecteert en dan weet je het wel! Scoop rijdt dus, ditmaal op een teefje die in beginsel fel van zich af beet maar dit inmiddels heeft opgegeven. Het is geen gezicht. De aardige bazin van de teef blijkt een fervent hondentrainster te zijn en na het schouwspel even aangekeken te hebben besluit ze me te helpen. Ze doet Scoop aan de lijn en trekt hem van de teef af. Als Scoop een moment later weer op de teef wil klimmen geeft ze hem een liescorrectie. Snel pak ik de lijn uit haar handen en trek een verbaasde Scoop bij haar weg. Ook vast weer helemaal fout. “Ik heb liever niet dat je dat doet”, zeg ik. Ik besef heel goed dat zij haar hond uit de penarie hielp omdat ik mijn hond zijn gang liet gaan. Ze heeft gelijk, maar het voelt niet lekker. Ik trek Guusje uit de klauwen van haar speelkameraadje en vervolg mijn weg richting huis. Ik val in de categorie mensen die het leuk vinden om een lief hondje te hebben. Scoop was alleen niet zo lief daarnet en ik besluit hier in het vervolg beter op te gaan letten. Maar één ding weet ik zeker: van mijn hondje blijven ze af.

Op weg naar versie 3.0

Mijn 23e verjaardag vierde ik in Airlie Beach, Australië. Airlie Beach, het hart van het Great Barrier Reef en de gateway naar de Whitsunday Islands. Een veel mooiere plek om je verjaardag te vieren kan ik niet verzinnen. Ik geloof zelfs dat ik…
(…)
Oké, correctie! Ik heb mijn Ozzie-blog er zojuist even bijgehaald en blijkbaar vierde ik mijn verjaardag tijdens een hike (de Whitsunday Great Walk) met Hiddo (Nederlands) en Nick (Duits). Ik was dus net even de hort op, blijkt nu. Ook leuk!

Neem mij de vergissing niet kwalijk. 22 was ik, 5 september 2006, toen ik een jaar lang met slechts een backpack Down Under (Australië en Nieuw-Zeeland) ging. Tot mijn schrik moet ik constateren dat het inmiddels bijna zeven jaar geleden is. Met Karin versie 3.0 onmiskenbaar in zicht lijkt het jaar soloreizen door Australië en Nieuw-Zeeland ver weg, maar gelijktijdig voelt het als de dag van gisteren. Uitgaande van het ondenkbare, onvoorstelbare en uiterst onwenselijke scenario dat ik op dit moment singel was, vraag ik me het volgende af: hoe zou het zijn als ik die reis nu zou maken?

In Backpackystan is contact leggen peanuts. Altijd en overal backpackers die allemaal min of meer vergelijkbare routes afleggen, weliswaar in verschillend tempo en met verschillende prioriteiten onderweg. Continu kwam ik oude bekenden en nieuwe vrienden tegen met wie ik dan weer een tijdje optrok tot onze wegen als vanzelf uiteengingen. Continu nieuwe werelden. Zelden alleen, wel altijd op mezelf. Meestal ging ik om met leeftijdsgenoten, wat logisch was gezien de meeste backpackers van mijn leeftijd waren. Vaak ontmoette ik ook dertigers (eind twintig/begin dertig) en deze groep liet zich gemakkelijk samenvoegen met de twintigers. Veertigers en vijftigers waren er ook, maar die gingen toch vaak hun eigen weg, -als ze al in hostels te vinden waren. Wij, de jonge twintigers, waren veelal fris en onbevangen. Vers uit de studiebanken bestormden we voor korte of langere tijd het avontuur Down Under alvorens ons te richten op vervolgstudies of werk in ons thuisland. De dertigers hadden vaak een ander verhaal, ontdekte ik. Zo was daar Katharina (toen 31) uit Duitsland. Na jarenlang samengewoond te hebben met haar vriend liep de relatie spaak. Katharina moest zichzelf opnieuw uitvinden en koers bepalen, zo vertelde ze, en dit deed ze het liefst zo ver mogelijk van huis. Ook herinner ik me Flo, die voorheen een vaste aanstelling had bij een ICT-bedrijf in Berlijn, maar werd getergd door het almaar knagende gevoel van ‘is dit het nou?’ en ‘wat wil ik nu echt?’. Flo zegde zijn baan op om een jaar de wereld rond te reizen. Ook Hiddo (toen 32 jaar), de jongen met wie ik dus klaarblijkelijk mijn verjaardag vierde, was op zijn minst zoekende, werkloos, maatschappijkritisch en fed up met Nederland. Deze reizigers waren niet langer onbevangen, maar op zoek. Down Under was voor hun meer beladen. Om de één of andere intuïtieve reden hield ik deze verhalen bij in mijn reisdagboek. Ik heb altijd interesse gehad in persoonlijke verhalen  van mensen en dit waren verhalen waar ik me goed mee kon identificeren. Want ik was dan weliswaar 22 (later 23) en mocht mezelf technisch gezien nog scharen onder de groep van avonturiers-alvorens-aan-de-bak-te-gaan, maar eigenlijk wist ik toen al beter.

Mijn reis rondom de wereld heeft me verrijkt en verpest. Ik kan het eigenlijk niet anders zeggen. Reizen verruimt je blik op de wereld. Het vergroot je (cultureel) relativeringsvermogen en helpt je op eigen benen te staan. Reizen heeft mij zelfvertrouwen gegeven, het besef dat ik de wereld aankan. Maar vooral was het heel erg leuk, met een overdosis aan geweldige ervaringen, leuke mensen en heel héél veel vrijheid. Maar een reis zou geen reis zijn als hij eeuwig zou duren. Zonder dat verder dramatisch te bedoelen, kan ik stellen dat het na Australië nooit meer helemaal goed gekomen is. Down Under deed ik precies die dingen waar ik goed in ben: van dag tot dag leven, kortstondige maar intensieve contacten aangaan en continu op weg zijn. En heel veel levensgenieten. Het is vooral dat ‘op weg willen zijn’ dat mijn leven vandaag de dag soms lastig maakt.

30. In november word ik dertig. Ja, daar schrik ik zelf ook van ;-). We horen en lezen vaak over wat tegenwoordig het dertigers dilemma genoemd wordt. Dertig als een kruispunt in je leven, de leeftijd waarop de keuzes die je maakt definitiever worden en een belangrijker karakter krijgen. In sommige gevallen zelfs: nu of nooit. Daarbij hebben de (voornamelijk hoogopgeleide) dertigers te maken met een enorme veelheid aan opties. Accepteer je een promotie op het werk of is dit de tijd voor die carrièreswitch die je al een tijdlang voor ogen had? Blijf je in Nederland wonen of biedt het buitenland meer kansen? Ga je voor je carrière, of droom je heimelijk van een heel ander leven? Een guesthouse op Bonaire? Een olijvenboomgaard in Toscane? Wil je eigenlijk nog een vaste relatie, … en kinderen, …want dan moet je misschien toch op gaan schieten. En blijf je dan (deeltijd) werken of word je een thuisblijfmoeder?
Ik ben er van overtuigd dat we vaak wel weten wat we echt willen, maar ons ervan weerhouden dit te uiten omwille van sociale en maatschappelijke verwachtingen en  doemdenken. Waar sta ik nu? En weet ik, inmiddels 29 jaar oud, eigenlijk wat ik echt wil? Getrouwd, gelukkig getrouwd. Ik heb een huisje, een beestje en een paar boompjes in de tuin. So far so good. Onlangs heb ik mijn baan opgezegd (= op weg zijn) en sinds die tijd ben ik zelfverklaard freelance journalist met een antropologische inborst. Sommigen zullen zeggen dat ik mijn hart volg en dicht bij mezelf sta, anderen zullen vinden dat ik te weinig steady ben en teveel van koers verander. Ik heb in Australië geleerd dat het leven is wat jij er van maakt, dat niks betekenis heeft tot jij er een betekenis aan toekent. Inzichten die na twee jaar antropologie niet alleen gesterkt, maar ook nog eens wetenschappelijk onderbouwd zijn. Echter, het maakt het (werkende) leven er niet eenvoudiger op. Ik verlang een grote mate van vrijheid om de dingen te doen en laten zoals ik ze voor ogen heb. Misschien, denk ik soms, was dat ene jaar backpacken ook wel te leuk en te vrij. Mijn ‘probleem’ is sindsdien dat ik van mening ben dat mijn leven vooral leuk moet zijn, met vrijheid als grootste goed. En als je dan toch zelf de regie voert over je leven, waarom dan nog genoegen nemen met minder als je weet dat het allerbeste gewoon een reële mogelijkheid is? Waarom een stoffige vergadering bijwonen als je voor hetzelfde geld kan kajakken door het Abel Tasman National Park, een woestijntocht kan maken op een schommelende kameel of druiven kunt plukken in het zuiden van Frankrijk. Ik bedoel maar. Gelijktijdig een naïeve, egocentrische en bijna hedonistische levensfilosofie, en terwijl ik dit schrijf voel ik de schoen wringen.

Terug naar Australië, of eigenlijk naar Backpackystan. Eigenlijk is Backpackystan een soort parallelle wereld. Met volle teugen leven, zonder mee te gaan met de maatschappelijke tendens. Een wereld die niet helemaal ‘echt’ is, maar vergankelijk. Een wereld zonder verantwoordelijkheden en eisen, waarin je continu je schepen kunt verbranden en vooruit kijkt. Op weg zijn. In die ruimte zijn de dolers en hedonisten in hun element, tot de illusie niet meer houdbaar is en het leven treurig in plaats van avontuurlijk wordt. Zo ontmoette ik ook mensen die al tientallen jaren op weg waren en snel besloot ik dan: daar moet het niet naar toe. Hoe langer je doolt, hoe moeilijker het is om weer te landen.

Hoe zou het met de backpackers van toen gaan? Hebben ze inmiddels banen, gezinnen, kinderen? Beklimmen ze de Himalaya of runnen ze een biologische lunchroom van huis uit? Zijn ze goed geland?