Schrijfsels van toen: Na Down Under

Het is best leuk om af en toe oude blogs van jezelf terug te lezen. Niet alleen om te weten hoe het toen was, maar ook om te beseffen waar je nu bent. In de rubriek ‘schrijfsels van toen’: 2008, een jaar na mijn terugkeer uit Australië/Nieuw-Zeeland.
***

IMG_13728 mei 2008
(…) Ik had ineens drie verschillende levens die maar moeizaam met elkaar te verbinden waren en waarvan ik er geen één leek te leven: een leven vóór Australië, een leven op weg en een leven ná Australië. Het duurde even om alles in zijn geheel weer een plek te geven. Om mezelf een plek terug te geven. (…)

***

15 juli 2008
Terugdenkend aan vakanties van vroeger realiseer ik me hoeveel ik vergeten ben. Dat vergeten begint met de namen. De naam van het plaatselijke treinstation, namen van dorpen, straten en bezienswaardigheden. Je vergeet de naam van de camping waar je stond, evenals de namen van de lokale pubs en plaatselijke lekkernijen. Daarom zijn plakboeken zo’n uitkomst, maar zelfs dan moet je soms je hersenen kraken om je dat leuke kustplaatsje ook daadwerkelijk voor de geest te kunnen halen. Dat heeft alles te maken met het feit dat je die informatie in het dagelijks leven niet meer nodig hebt en het dus alleen maar kostbare hersencapaciteit inneemt.

Als ik nu mijn ogen sluit sta ik weer voor mijn hostel aan Kent Street en pak ik de trein van Town Hall naar Bondi Junction.

5 september 2006 stapte ik in het vliegtuig en vloog ik via Londen en Singapore helemaal naar Sydney. Het werd een reis van een jaar. 9 september 2007 zette ik weer voet op Nederlandse bodem. Bijzonder is in dit geval dat ik alles nog weet. Ik kan me de naam herinneren van elk willekeurig persoon waar ik kennis mee gemaakt heb, ik herinner me de namen en bijzonderheden van elk dorpje of stadje waar ik verbleef – dan wel doorheen reed, ik weet nog (oké, zo ongeveer) wat er op de informatiebordjes in de musea stond en ik weet nog precies in welk hostel ik waar zat en via welke route ik er moest komen. Maar bovenal zie ik het nog allemaal voor me. Als ik nu mijn ogen sluit sta ik weer voor mijn hostel aan Kent Street en pak ik de trein van Town Hall naar Bondi Junction. Ongelooflijk hoe snel tijd voorbij gaat. Als ik opnieuw mijn ogen sluit loop ik door de Woolworths op zoek naar het minimale aan boodschappen -want het werd immers toch gejat-, of ik zit achterin de bus met Icehouse – Great Southern Land uit de speakers en ik kijk uit over een rood landschap bestaande uit zand, rotsen en oneindigheid. Ik loop richting de mooiste waterval ter wereld. Ik slaap die nacht in een swag onder de sterrenhemel en ik hoor het gejank van wilde honden. Met Vicky en Gary struin ik door de foodcourt van een winkelcentrum ongeveer zes keer zo groot als Alexandrium I, II en III bij elkaar op zoek naar een bak nacho’s met guacamole. Ik heb het jaar Down Under geabsorbeerd.

Picture 105Weet je, ik realiseer me dat ik iets ongelooflijks heb meegemaakt. Een unieke ervaring, één die maar weinig mensen met me kunnen delen. Dat is iets waar je pas achter komt als je thuis bent en terug valt in dat leven dat hier als normaal en redelijk beschouwd wordt. Op reis kom je zoveel reizigers tegen. Je ontmoet ze in de bus, trein, in hostels en op het vliegveld. Je leert ze kennen tijdens tours, het werk of in bars tijdens Happy Hour. Hoe mooi mijn herinneringen ook zijn, het doet evengoed pijn om ze opnieuw te beleven. Het jaar reizen werd er één tjokvol ervaringen, uitersten en intensiteit, een jaar waarin ik absoluut het allerbeste uit mezelf heb weten te halen. Meer dan waar ik nu nog toe in staat ben en soms is het contrast met het hier en nu simpelweg te groot. Als ik toekomstig thuiskomers één tip mag geven wil ik zeggen dat ze best weken, maandenlang mogen niksen, en tobben en twijfelen over een volgende stap. Teruggaan naar je ‘oude leventje’ is riskant, want het kan lastig blijken om je nieuwe ik een plek te geven. Je bent verandert. Je hebt kanten van jezelf leren kennen welke je niet voor mogelijk hield en vaardigheden ontwikkelt waar je de wereld mee aan kunt. Denk dus even honderd keer na voordat je bij je oude werkgever solliciteert, want ze zijn niet blij met je als jij er na twee maanden achterkomt dat het toch maar niet is wat je voor ogen had.

Hoe mooi mijn herinneringen ook zijn, het doet evengoed pijn om ze opnieuw te beleven.

Wat maakte mijn reis nu zo intens? Wat heeft er nu voor gezorgd dat elke dag nog in mijn geheugen geprent staat alsof het gisteren was? Is dit het feit dat ik er alleen naar toe ben gegaan, compleet op mezelf aangewezen was en niemand in de buurt had om rekening mee te houden? Was het de omgeving, die fantastische andere kant van de wereld waar er door niemand verwachtingen aan me gesteld werden? Waren het de mensen, de mentaliteit, de vrijheid? Of de natuur? Was het een combinatie van al het genoemde?

Ik mis het enorm. Het reizen, het simpelweg gaan en staan en het ontdekken van nieuwe plaatsen, culturen en, bovenal, verhalen van mensen from all over the world. Aan de andere kant besef ik dat ik het helemaal niet hoef te missen, want dat het straks in september gewoon weer gaat beginnen. Ik ga de studie Culturele Antropologie volgen, waarbij ik minimaal één keer naar het buitenland moet en dag in dag uit bezig ben met mensen en culturen. (…)

***

(Laat het me weten als je meer ‘schrijfsels van toen’ wilt lezen. ;-))

Mysterieuze avonturen van de blauwe sjaal

Donderdagavond. 19.15 uur.
Ik wil net de tafels af gaan nemen als ik haar binnen zie komen. Gehaast zoek ik naar iets om mee bezig te lijken, maar het is al te laat. Ze heeft me gezien en komt rechtstreeks mijn kant op. Shit. Joanne neemt een bestelling op van een klant – beef teriyaki met rijst – maar ook zij heeft de vrouw gezien. “Fuck…”, sist ze me toe. Misschien komt ze gewoon wat eten bestellen? Maar dan zou ze toch wel achteraan de rij aansluiten. Nu staat ze voor me. Ze lacht vriendelijk. “Hoi, mag ik jou wat vragen?” “Ehh, ja?” Ik probeer nonchalant te klinken, maar ik vermoed dat ik daar niet in slaag. “Ik heb hier gisteravond zitten eten” – ze gebaart naar de zitzakken bij het raam om aan te geven waar ze zat – “en ik ben mijn sjaal vergeten. Ik hoopte dat jullie die gevonden hebben.” Ik slik even en zou het liefst door de grond zakken. In gedachten zie ik Daniël, onze afwasser, de sjaal onder de tafel vandaan vissen toen we met z’n allen het pand verlieten. Hij liep er al mee buiten toen Joanne riep dat ‘ie ‘m in het kantoortje moest leggen, maar de gebruikelijke baco’s na werktijd hadden ons allemaal in baldadige stemming gebracht. Ik kan de vrouw niet recht aankijken. Joanne geeft inmiddels het wisselgeld aan de klant. Ik zoek oogcontact met haar, maar ze ontwijkt mijn blik – bang als ze is om de slappe lach te krijgen. Ze slaagt er op wonderbaarlijke wijze in haar gezicht in de plooi te houden.

De stilte duurt te lang. “Volgens mij hebben we niks gevonden”, zeg ik snel. Mijn stem hapert en ik klink allerminst overtuigend. De vrouw merkt het ook. Ik voel een zweem van schuldgevoel opkomen. In gedachten zie ik Joanne en Lian, de jongste hulpkok, aan elkaar gebonden door die sjaal over de Coolsingel waggelen. Ze zingen stuck on you. Het had geloof ik iets met truth or dare te maken. De skihut was toen al dicht. “Ik ben hem echt hier verloren, dat weet ik heel zeker.” De vrouw wijst nogmaals naar de zitzakken bij het raam, alsof ik haar eerder niet goed begrepen heb. “Hebben jullie echt niets gevonden?” Ik heb inmiddels een kop als een boei. “Ik kan wel even achter kijken voor u? Hoe zag de sjaal er ook alweer uit?” Oei,  niet handig, dat ‘alweer’. Verbeeld ik het me, of trok ze nu haar wenkbrauwen omhoog. “Hij is blauw, wollig. Zo eentje uit één stuk.” Enigszins opgelucht maak ik me uit de voeten.

Daar sta ik dan. Hoe lang moet ik hier blijven? Toch zeker wel twee minuten, om de indruk te wekken dat ik echt aan het zoeken ben, lijkt me. De paracetamol van een paar uur geleden begint uit te werken en ik voel mijn hoofd bonken. Mijn moeder heeft me altijd op het hart gedrukt om doordeweeks niet te drinken, maar gisteravond zijn we toch behoorlijk los gegaan. Gezellig was het wel. Ik schiet in de lach als ik terugdenk aan de late uurtjes in het skatepark aan de Westblaak. Daniël was de eerste die de halfpipe beklom en naar beneden roetsjte. Daarna gingen we één voor één, zittend of staand op de sjaal, met een noodgang naar beneden. Jezus, wat hebben we gelachen.

De vrouw is teleurgesteld als ik met lege handen aankom. “Ik heb overal gezocht, maar hier ligt niks”, zeg ik. “En de schoonmakers hebben ook niks gevonden. Misschien heeft iemand ‘m meegenomen, dat kan natuurlijk.” Er verschijnt een onderzoekend lachje op haar gezicht als ze me aankijkt. Ze vindt dat ik een vreemde indruk maak, zegt ze. Weer dat schuldgevoel. Ik hoop niet dat ze enorm gehecht was aan die sjaal. Ik haal mijn schouders op en verontschuldig me maar. Kan ze nu niet gewoon weggaan? “Nou ja, het zij zo”, zegt ze. Eindelijk loopt ze de deur uit.

Joanne en ik kijken elkaar aan en barsten op hetzelfde moment in lachen uit. Daniël is vandaag vrij en Lian meldde zich vanmorgen ziek. Griep, vertelde hij de bedrijfsleider, maar wij weten wel beter. Die ligt met een kater op bed! Hij stond erop de sjaal vannacht nog in de wasmachine te gooien en morgenvroeg op kantoor te leggen. In de taxi naar Prinsenland kon hij de bacardi’s en shoarma echter niet langer binnenhouden. “Niet in mijn taxi, vriend!”, blafte de chauffeur hem nog toe. De sjaal ligt nu waarschijnlijk ergens in de bosjes ter hoogte van Kralingse Zoom.

~

Donderdagavond. 19.30 uur.
Ik trek de deur van het wok-tentje achter me dicht en sta weer buiten. Zonder sjaal. Ik geloof geen woord van wat dat meisje me zojuist vertelde. Die stiekeme blikken naar haar collega, haar zenuwachtige en gespannen voorkomen en het “hoe zag de sjaal er ‘alweer’ uit”, doen mij beseffen dat er geen hout van klopt. Toch jammer. Niet omdat die sjaal me zo bijzonder dierbaar was – hoewel van Eric gekregen tijdens een weekendje Maastricht -, maar omdat ik nu wel héél nieuwsgierig ben naar wat ermee gebeurd is. Maar dat zal voor altijd een mysterie blijven!

In het holst van de nacht…

Een moment word ik overvallen door blinde paniek. Op handen en knieën woel ik door het natte gras, intens hopend dat ik geen hondendrol te pakken krijg. Ondertussen verdwijnt Scoop steeds verder uit het zicht en hij lijkt doof te zijn voor mijn geroep. Ik kan mezelf wel voor de kop slaan. Hoe kon ik nou zo stom zijn?

Het leek juist goed te gaan. Eric zit voor zaken in Las Vegas en ik heb het dag- en nachtritme in huis op de schop genomen. Om pakweg 01.00 uur loop ik het laatste rondje met Scoop. Zodoende kan ik ’s morgens een beetje uitslapen voordat hij weer begint te piepen. Na middernacht zijn de straten uitgestorven, vrij van verkeer. En dus besloot ik om Scoop los van de riem te laten. Dat ging al een paar dagen goed. Verrast was ‘ie, toen zijn riem ineens losgemaakt werd halverwege de wandeling. We waren immers niet in het bos. Hij maakte wel wat omwegen, maar als ik riep bleef hij prompt stilstaan. De dag erna liep hij zonder riem de voordeur uit. Ging perfect! Geen getrek en gesjor aan de riem meer. Scoop blij, ik blij. Ik keek er al naar uit om Eric het blijde nieuws te vertellen: Kijk eens baas, zonder riem!

Vandaag ben ik zo vol vertrouwen dat ik de riem aan de kapstok laat hangen. Dat dat iets te voorbarig was, blijkt al snel. Scoop is inmiddels gewend aan de verworven vrijheid en trekt vannacht zijn eigen plan. Ik voel de bui hangen als hij de planten en kliko’s in een paar voortuinen inspecteert en niet terugkomt als ik hem roep. Het probleem van de nacht is ook gewoon dat je niet hard kan gaan staan roepen, of zomaar iemands voortuin in kan lopen om je hond uit het perk te sleuren. Ik sta daar dus wat te sissen. “Sssssscoop! Hierrrr!”

Scoop onderzoekt duidelijk zijn grenzen. Af en toe uitdagend omkijkend loopt ‘ie steeds harder van me weg. Ik zet een stevige pas in en zie hem plotseling langs een (uitgestorven) autoweg lopen. Shit. Via een omweg haal ik ‘m in, maar nu heeft Scoop er echt lol in. Als een dolle begint hij te rennen, steeds harder, vastberaden om onontdekt gebied te verkennen en mij van zich af te schudden. Ergens in de hondenhandleiding staat volgens mij dat je nooit achter je hond aan moet rennen, maar ik ren inmiddels de benen uit mijn lijf. Hoewel Scoop overduidelijk niet gefokt is op zijn atletische kwaliteiten, kan ik hem met geen mogelijkheid bijhouden. Ik herinner me iets van de puppytraining en gooi mijn sleutelbos -met daaraan mijn huis- en autosleutel- zijn kant op. Ik raak een linkerbil, maar Scoop rent onverstoord door.

IMG_0084Ik besef dat ik iets doms gedaan heb zodra ik het gras oploop om mijn sleutel te pakken. Ik zie geen moer in het donkere gras en heb geen idee waar de sleutel terecht is gekomen. Ondertussen rent Scoop steeds verder richting het spoor en lijkt met de noorderzon te willen vertrekken. Echt, ik houd vreselijk veel van dat hondje, maar op dit moment vervloek ik hem in honderd talen. Ik prent de dichtstbijzijnde lantaarnpaal in mijn geheugen om straks nog een referentiepunt te hebben en zet de jacht op Scoop in. Die scharrelt gelukkig een stuk verderop in het gras. Als hij mij in het vizier krijgt begint hij weer te rennen. Met een laatste sprong krijg ik een stuk vacht te pakken en samen rollen we over de grond. “Pas op hè!”, bries ik tegen mijn hondje die me aankijkt alsof hij wil zeggen: je had toch kunnen weten dat we dit spelletje vroeg of laat zouden spelen?

Met spijt als haren op mijn hoofd dat ik de riem thuis liet, sleep ik Scoop aan zijn halsband mee naar het grasveld. Ik zoek me een ongeluk, hij snuffelt vrolijk mee. In gedachten maak ik de buurvrouw van nummer 24 op dit verdorven tijdstip wakker om mijn reservesleutel te vragen. In een nog pessimistischer gedachte lopen Scoop en ik tot in de vroege uurtjes door de straten van Bergschenhoek. Mijn hart maakt een sprongetje als ik de rode autosleutel zie liggen. Godzijdank!

Ik wandel richting huis. Scoop heb ik inmiddels weer losgelaten, want vasthouden aan zo’n halsband is geen doen. Hij geniet wederom van zijn vrijheid en huppelt alle kanten op. Regelmatig verdwijnt hij achter auto’s of in struiken. Bij de hoek van de straat slaat de paniek bij mij weer toe. Geen spoor van het hondje te bekennen. Ik ren de straat door en ineens zie ik hem zitten. Keurig voor het tuinpad, alsof hij wil zeggen: Het was dan wel heel dom van je om me los te laten, maar ik loop nooit weg en ik vind altijd de weg naar huis.

Nu lig hij prinsheerlijk aan het voeteneind van het bed. Mijn keel doet pijn van het rennen en roepen. Eén ding weet ik zeker: morgenavond gaat Scoop weer gewoon aan de riem. Hij mag pas weer los als hij oud is en strompelt.

IMG_0112
Scoop in rustige tijden

IMG_0513

Jehovah’s op zaterdagmorgen

Zaterdagmorgen. De deurbel gaat. Door het raam zie ik twee heren staan. Allebei veel te mooi aangekleed voor dit tijdstip van de dag. Van top tot teen in pak gestoken, met een nette hoed als finishing touch, wachten ze geduldig tot er wordt opengedaan. Dan weet je eigenlijk al hoe laat het is.

Ik ga wel!”, roep ik naar manlief in de keuken, die mij gebiedt om me te gedragen. Doe ik dat niet altijd dan?! Ik open de voordeur – op de hielen gevolgd door onze cockerspaniël Scoop. En dan gebeurt het. Ik kijk recht in het gezicht van die aardige man-van-een-paar-straten-verder. We komen hem meerdere keren per week tegen, meestal als we Scoop uitlaten en hij in gezelschap is van zijn keeshond. Nu heeft hij de De Wachttoren in zijn hand.
Hé, kijk nou eens, daar heb je flappie! Heeeeeeej flappie, hallo jongen!”, roept hij enthousiast naar Scoop die van blijdschap zo hard kwispelt dat ik bang ben dat hij elk moment kan opstijgen en de deur uit vliegt.
Waar ik normaliter snel de deur dichtdoe voor Jehovah’s Getuigen, voel ik me nu toch enigszins bezwaard.

Vroeger waren Jehovah’s Getuigen nog leuk. Toen ze nog zeiden dat ze Jezus kwamen brengen en dat jij dan kon zeggen: “zet maar in de achtertuin”. Die introductie is wijselijk afgeschaft en heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe strategie. Nu beginnen ze een verhaal waar je alleen maar ‘ja’ en ‘amen’ op kan zeggen. En wat eigenlijk nog best een interessant gesprek had kunnen worden.
Bijvoorbeeld: Vind jij ook dat we te gehaast leven? Dat we te weinig stil staan bij de mooie dingen in het leven en bij de mensen die belangrijk voor ons zijn? Dat we alles te vanzelfsprekend nemen? Dat er zoveel haat in de wereld is en dat er meer plaats moet komen voor liefde en respect?
Vaak wordt een dergelijk verhaal gekoppeld aan de actualiteit, zoals de economische crisis, de zorg voor zwakke groepen in de samenleving of het spijkerharde asielbeleid.

Na wat koetjes en kalfjes over hondjes en het mooie weer, komt de aardige man-van-een-paar-straten-verder ter zake. Hij en zijn maatje zijn hier immers met een doel.
Koop jij weleens een bosje bloemen?”, luidt de eerste vraag.
Ja hoor, ik koop regelmatig bloemen.
Want weet je, veel mensen kopen een bos bloemen, zetten die in een vaas en als de bloemen dood zijn, gooien ze de bos weg en zetten nieuwe bloemen neer. Maar hoe vaak nemen mensen de tijd, écht de tijd, om te kijken en te beseffen hoe prachtig zo’n bloem nu eigenlijk is?
Ik ben even stil.
Het is toch eigenlijk een wonder? En dat geldt voor alles, voor het leven an sich”, vervolgt de aardige man.
I’m with you, zou ik willen zeggen, maar dan komt het. Als het leven een wonder is, dan moet het namelijk wel gecreëerd zijn door iemand. Toch? Een soort übergetalenteerde designer met een vooruitziende blik en onfeilbare mensenkennis. In de huidige editie van De Wachttoren staat een interview met een natuurkundige die na jarenlange studie tot de conclusie kwam dat de er wel een God moest zijn. Kon simpelweg niet anders.
Dit is het moment dat ik vriendelijk doch niet mis te verstaan zeg dat ik afhaak en verder ga met het inruimen van de vaatwasser. Beleefd pak ik De Wachttoren aan en wens de heren een fijne dag en succes met hun verdere kruistocht.

Ik werd jaren geleden eens aangesproken door een leuk meisje op de Lijnbaan. Ik dacht dat ze van een event of andersoortig programma was en door haar enthousiasme en spontaniteit liet ik me verleiden om even in gesprek te gaan. Waar het gesprek precies over ging weet ik niet meer, maar leuk was het wel. Een feest der herkenning, zo herinner ik mij. En ineens was hij daar. Jezus Christus. Hij stond zo onverwachts voor mijn neus dat ik in de lach schoot.

Het lijkt me a hell of a job. Serieus. Een beetje vergelijkbaar met verkoper zijn van één of ander flutproduct dat voor een veel te hoge prijs verkocht moet gaan worden. Zo’n verkoper begint dan ook een prachtig verkooppraatje waarin al jouw problemen vertaald worden in zijn oplossingen. Die verkoper beseft dat hij vroeg of laat moet gaan vertellen wat het gaat kosten en stelt nu alles in het werk om te voorkomen dat jij straks bij hem wegloopt.
“Maar wat kost het dan?”, vraagt het doelwit.
“Ja, …maar je moet wel in gedachten houden dat je echt de beste kwaliteit krijgt en een jaar lang service!”
En dan komt het. Weg klant.
Zo moet een Jehovah’s Getuige zich toch ook voelen?
“Tja, al die ellende, pijn en dat verdriet op de wereld. We zijn allemaal op de één of andere manier eenzaam en doodongelukkig. Maar nou ken ik toevallig iemand die ons zou kunnen verlossen. En, …ehm, ja, wij geloven dus dat…”
En weer een dichte deur.

Toch is het jammer. Kwamen er maar eens mensen aan de deur om te praten over het leven. Niet om met Jezus, Allah, Boeddha of welke God dan ook op de proppen te komen, maar in alle oprechtheid en openheid over het leven. Hoe zou dat zijn?
“Heeft u even tijd voor een gesprekje over de zin van ons bestaan?”
“Kan ik met u van gedachten wisselen over hoe we als mensen met elkaar omgaan?”
“Sorry dat ik u op deze zaterdagochtend stoor, mevrouw, maar ik zou graag willen weten: bent u gelukkig?”
Een leuk initiatief lijkt mij, binnen onze ‘participatiemaatschappij’.

Met de wachttoren onder mijn arm en een kop koffie in mijn hand, plof ik neer op de bank. Maar niet zonder eerst een uitgebreide blik te werpen op de prachtige bos rozen die op de eettafel staat. Want daar had die aardige man-van-een-paar-straten-verder dan weer wel gelijk in.

Vind ik leuk!

scooplikeBeste mensen,

Een tijd geleden besloot ik om dit blog intensiever te gaan gebruiken en daarbij in te zetten als ‘professioneel visitekaartje’. Mijn blog raakt aardig gevuld en ik denk dat ik goed op weg ben, dus…

…tijd voor een bedankje!

Mijn blog heeft inmiddels 323 ‘volgers’. Dat betekent dat 323 mensen een mailtje ontvangen zodra ik een nieuw bericht online zet. Geweldig! Elk bericht ontvangt plusminus 15 likes en wordt minstens een paar keer gedeeld op Linkedin.

Maar wie zijn toch al die mensen, die delen, liken en volgen? Om die vraag beantwoord te krijgen heeft WordPress een voorstel: Go Premium! Maar dat kost een hoop centjes en voor nu voldoet mijn gratis account prima.

Daarom even zo: dank je wel, jullie allemaal, voor het lezen, liken en delen van mijn blog! Jullie motiveren en inspireren mij elke keer weer om nieuwe stukjes te schrijven. Enne, …laat je horen! Alle reacties, tips, verzoekjes en op- en aanmerkingen zijn van harte welkom. Sterker nog, dat vind ik leuk! ;-)